Kunstrecensie Classic Beauties, Hermitage Amsterdam

De tentoonstelling Classic Beauties bevestigt wat je altijd al vermoedde: neoclassicisme floreerde voornamelijk als ruimtelijk fenomeen (vier sterren)

De tentoonstelling in Amsterdam laat zien dat veel neoclassicisten terecht in de vergetelheid zijn geraakt. De presentatie in de Hermitage bevat een prettige mix van kunst- en cultuurhistorie.

De drie gratiën (1812-1816) van Antonio Canova. Beeld State Hermitage Museum, St. Petersburg.

Wat behelsde kort en goed het neoclassicisme, de internationale kunststroming uit de 18de eeuw waaraan de Hermitage Amsterdam nog enkele maanden een expositie wijdt? Dat is een eitje: het was De Schepping overnieuw gedaan, alleen beschikte God nu wél over een passer en een liniaal. Alle koppen waren ineens symmetrisch; geen zuiltje stond uit het lood. Het was de mens en zijn omgeving opgetrokken volgens de ijzeren wetten van de proportieleer en dus gevrijwaard van elke ongerijmdheid. Geen wonder dat de kunststroming een onweerstaanbare aantrekkingskracht had op latere dictators.

De kraamkamer van het neoclassicisme - dat het hele artistieke spectrum besloeg: schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur, vormgeving, muziek - was Rome en omstreken (Napels, Pompeï), alwaar de archeologie een hoge vlucht nam en opgravingen tot groter begrip leidden van de antieken. De belangrijkste aanjager van de stroming kwam echter uit noordelijker streken, uit Dresden. Zijn naam was Johann Joachim Winckelmann (1717-1768). Hij was bibliothecaris en voordat hij ook maar een voet in Rome had gezet, had hij al twee boeken gepubliceerd waarin hij de klassieke kunst uitriep tot het nec plus ultra der beschaving, en in één moeite door haar vermeende ‘edele eenvoud’ en ‘kalme grootsheid’ ten voorbeeld stelde aan scheppende tijdgenoten.

Het was niet aan dovemansoren gericht. Binnen de kortste keren begonnen Duitse en Italiaanse kunstenaars te werken naar klassieke voorbeelden. Ook de portrettisten. Ook die verwerkten voor een paar scudi’s extra een Stervende Galliër of Laocoön in je beeltenis. Eind 18de eeuw hield dat allemaal op, en toch ook weer niet. Tot op de dag van heden zit er in de bloedbaan van onze cultuur een shot neoclassicisme. Hermes en Apollo zeggen ons misschien weinig meer, maar het zijn precies hun strenge, welgevormde koppen die de brillenreclames van de firma’s Gucci, D&G en Hugo Boss sieren.

De presentatie in de Hermitage bevat een prettige mix van kunst- en cultuurhistorie. Het zijn niet enkel dingen op sokkels. Er is ook veel oog voor de sociaal-geografische kant van de zaak: de grand tours en de opgravingen, de ruïnes en de souvenirs. De tentoonstelling bevestigt wat je altijd al vermoedde: neoclassicisme floreerde als ruimtelijk fenomeen, op het platte vlak bleef het behelpen. Mengs, Kauffmann, Regnault – het zijn slechts namen in een boek, en wie hun zoete, tandeloze mythologieën ziet, begrijpt waarom. Meer indruk maken de landschappen, waaronder een imposant gezicht op de Vesuvius in eruptie (1771) door Pierre-Jacques Volaire. De allegorieën van Pompeo Batoni zijn ook niet gek, mits je van gladjes houdt. Dan zijn er de sculpturen in marmer van ster-beeldhouwer Antonio Canova, waaronder de beroemde beeldengroep De Drie Gratiën (1812-1816).

Wat verrast, is hoe beperkt de maestro zelf betrokken was bij de daadwerkelijke vervaardiging van deze beelden. Hij maakte het ontwerp en soms ook nog het wasmodel, dat was het wel zo’ beetje. Het daadwerkelijke hakken liet hij over aan professionals in externe ateliers. Canova was een regisseur. Er zit minder ruimte tussen hem en een contemporaine studiobaas als Jeff Koons dan je misschien zou denken.

Buiten Rusland loopt men voor Canova’s sculpturen trouwens zelden warm, en wie er hier enkele bijeen ziet kan dat begrijpen. Tuurlijk, ze getuigen van groot vakmanschap en ze geven een uitgelezen demonstratie van wat een superieur talent aan lijven en lendenen uit het witte gesteente weet te bevrijden. Maar het zijn óók starre, sentimentele en, door de bank genomen, tamelijk wezenloze verschijningen. Wat ze uitstralen is alles ice ice baby.  Ze oogsten onze bewondering maar houden ons tegelijk op afstand.  

Classic Beauties: kunstenaars, Italië en de schoonheidsidealen van de 18de eeuw, Hermitage Amsterdam, t/m 13/1.

Grand tour?

Anders dan de naam doet vermoeden waren grand tours van oorsprong een Brits fenomeen. Het betrof een lange, soms jaren durende reis gemaakt door aristocratische en/of welgestelde jonge mensen langs historische en artistieke bezienswaardigheden ter afsluiting van hun opleiding. Rome gold in veel gevallen als de eindbestemming. Ook Venetië, Florence, Napels en Sicilië deed men aan. 

De reiziger was zelden alleen, al was het maar uit veiligheidsoverwegingen, en beschikte over bedienden. Eenmaal ter plaatse huurde men vaak een cicerone, een wegwijze, goed onderlegde gids. Onderweg kochten de jonge reizigers memorabilia: gravures van bezochte plekken, een vaas, een zuil; een enkeling veroorloofde zich originele (dus: dure) antiquiteiten. Velen lieten zich ter plekke portretteren. De populairste schilders in het toeristische portret waren de Italiaan Pompeo Batoni en de Duitse Angelika Kauffmann. Een borststuk bij Batoni kostte
50 scudi (zilveren munten). Een manshoog portret: 100 scudi. Een manshoog portret met een gebouw op de achtergrond (zoals het Pantheon): 150 scudi. Bij Kauffmann betaalde men meer.

Naar Brits voorbeeld begonnen ook andere nationaliteiten grand tours te maken. Ook de Nederlanders. Zo maakte Koningin Anna Paulowna (1795-1865) een Italiëreis in gezelschap van haar dochter, Prinses Sophie - een tocht gedurende welke de koningin zich met haar voortdurende driftbuien onmogelijk gedroeg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.