De sterke arm, de zachte hand

Neutraal genoeg om te schieten

Livestro Joshua

Toen het Nederlandse veldleger in 1839 terugkeerde van de Tiendaagse Veldtocht, zag de vaderlandse politieke elite zich voor een probleem geplaatst.

Het verlies van België had ons land gereduceerd tot een tweederangs koloniale mogendheid. De vraag was hoe voorkomen kon worden dat het kleine Nederland een speelbal zou worden van de omringende grote mogendheden.

De zoektocht naar het antwoord op deze vraag wordt beschreven in een boek van Paul Moeyes, getiteld De sterke arm, de zachte hand - Het Nederlandse leger & de neutraliteitspolitiek, 1839-1939. Zoals Moeyes laat zien, werd het antwoord gezocht in een tweesporenbeleid dat erop gericht was een vijandelijke invasie te voorkomen. Enerzijds werd een diplomatieke strategie ontwikkeld die de grote landen ertoe zou moeten bewegen het Nederlandse neutraliteitsstreven te respecteren. Anderzijds trachtte men door middel van de opbouw van het defensieapparaat de grote Europese staten ervan te overtuigen dat op het niet respecteren van de Nederlands neutraliteit een hoge prijs stond. Nederland was bereid zijn afzijdigheid in de strijd desnoods met geweld af te dwingen. Althans: zo deed het dat voorkomen.

Deze doctrine van de 'gewapende neutraliteit' zou honderd jaar lang het Nederlandse denken over internationale veiligheidsvraagstukken bepalen. Veel denkwerk werd op dat punt overigens niet vereist. Na 1839 zou de lieve vrede op het continent de rest van de 19de eeuw nauwelijks verstoord worden.

De eerste werkelijke test voor de gewapende neutraliteitsdoctrine volgde pas 75 jaar later, in de zomermaanden van 1914. De moord op de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins Franz Ferdinand had het conflict tussen de dubbelmonarchie en Servië op scherp gesteld. Na een Weense oorlogsverklaring zorgden de verschillende bondgenootschapsverdragen ervoor dat de Europese grootmachten al snel tegenover elkaar kwamen te staan. Nog voordat Duitsland en Rusland hun troepen echter in stelling hadden kunnen brengen, werd het Nederlandse veldleger gemobiliseerd. Tegelijkertijd werd een verklaring uitgegeven dat Nederland in het conflict tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië een strikte neutraliteit wenst te handhaven.

Moeyes beschrijft hoe deze neutraliteit in de daaropvolgende vier jaar meermalen op de proef zou worden gesteld. Aan het begin van het conflict werden Belgische verzoeken om militaire samenwerking zonder pardon afgewezen (aan de vooravond van mei 1940 zou België op zijn beurt overigens eveneens een Nederlands verzoek om aansluiting van de verdedigingslinies afwijzen; een goede buur maakt dus niet noodzakelijkerwijs een goede bondgenoot).

Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog gebeurde hetzelfde met de Duitse eis om toegang te verkrijgen tot Nederlandse spoorwegverbindingen in Zuid-Limburg. Ludendorffs dreigement dat hij desnoods bereid was Nederland binnen te vallen om medewerking af te dwingen, bleek door de Duitse hiërarchie niet te worden gesteund. Toen keizer Wilhelm van het quasi-ultimatum van zijn opperbevelhebber op de hoogte werd gesteld, verwierp hij dit onmiddellijk.

Uit het feit dat de Duitse opperbevelhebber er niet voor terugschrikte om tijdens het laatste grote Duitse offensief te dreigen met een uitbreiding van het conflict in Nederlandse richting, zou kunnen worden opgemaakt dat het gemobiliseerde Nederlandse leger nu blijkbaar ook weer niet zo afschrikwekkend was als aanvankelijk werd verondersteld. De Nederlandse opperbevelhebber, generaal Snijders, maakte zich op dat punt overigens geen enkele illusie. Al aan het begin van de oorlog antwoordde hij op een ministeriële vraag hoe goed de Nederlandse legermacht in staat zou zijn een Duitse invasie te weerstaan: 'Dat hangt af van de sterkte van de Duitse invasiemacht.'

Een invasiemacht van enkele Duitse divisies zou misschien nog kunnen worden afgeslagen, maar tegen een grotere invasiemacht zou het Nederlandse leger uiteindelijk niets kunnen uitrichten. Moeyes vat de Nederla

ndse strategie op dit punt samen door haar te vergelijken met een soort uit de kluiten gewassen vogelverschrikker, 'afschrikwekkend door zijn aanwezigheid, maar als actief instrument zonder effectieve waarde'.

Toch zou het militaire establishment - inclusief generaal Snijders - na de oorlog de stelling verdedigen dat het Nederlandse leger in de oorlog wel degelijk zijn waarde had bewezen. Militaire experts interpreteerden de uitspraak van de Duitse chef-staf Von Moltke dat 'een vijandelijk Nederland zoveel troepen aan de Duitse rechtervleugel zou onttrekken, dat het ten koste zou gaan van de slagkracht in het westen' als bewijs voor de stelling dat het vooral aan de afschrikwekkende werking van de Nederlandse weermacht te danken was dat de neutraliteit de hele oorlog lang gehandhaafd kon worden.

In politieke kringen was dit debat toen al een gepasseerd station. Het leger had ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld in de handhaving van de neutraliteit. Maar het veranderde naoorlogse diplomatieke landschap en vooral de komst van de Volkenbond maakten een sterk leger in de toekomst veel minder noodzakelijk. De 'oorlogswinst' van jarenlange investeringen in een adequate verdediging kon nu worden uitbetaald in de vorm van substantieel lagere defensieuitgaven.

Vijftien jaar lang zou Defensie de sluitpost op de begroting vormen.

De latere mythe van het Nederlandse gebroken geweertje gaat grotendeels terug op deze periode. Om deze tijdelijke reductie van het defensieapparaat echter als oorzaak te zien van de catastrofe van de meidagen van 1940 gaat te ver. Ongetwijfeld had een vroegere en omvangrijkere investering in de Nederlandse defensiecapaciteit een verschil op het slagveld kunnen maken. Maar, legt Moeyes uit, het gebroken geweertje was al ruim voor de oorlog verruild voor een doorgeladen mitrailleur.

Vanaf 1935 raakte men in politieke kringen als gevolg van de toenemende spanningen op het continent steeds meer doordrongen van de noodzaak om 's lands defensie te versterken. De nieuwe Dienstplichtwet van 1938 zorgde niet alleen voor een substantiële uitbreiding van het aantal dienstplichtigen, maar ook voor een significante verhoging van de defensieuitgaven.

Volgens Moeyes droeg de militaire top dan ook evenzeer schuld voor het uiteindelijke falen van de gewapende neutraliteitsdoctrine: 'Vijf jaar moest toch lang genoeg zijn geweest om de motivatie in het officierskorps te verbeteren.' Dat het leger bij het uitbreken van de oorlog niet in staat bleek een kleinere maar veel beter getrainde en gedisciplineerde invasiemacht te weerstaan, doet inderdaad vermoeden dat hogere defensieuitgaven uiteindelijk geen compensatie hadden kunnen vormen voor de gebrekkige staat van paraatheid van het Nederlandse leger.

Wat ook de oorzaak van de uiteindelijke mislukking van de Nederlandse gewapende neutraliteitsstrategie moge zijn geweest, het praktische resultaat was dat de naoorlogse elite zonder enig debat afscheid nam van de honderd jaar oude doctrine. In 1914 had de gewapende neutraliteitspolitiek weliswaar haar waarde bewezen. Maar in 1939 wekte Nederland met deze politiek toch vooral de indruk nog altijd bezig te zijn de vorige oorlog te voorkomen.

De nieuwe naoorlogse werkelijkheid vroeg om een nieuwe aanpak. 'De gedachten van zelfstandigheidpolitiek, van neutraliteit, van verdediging, los van afspraken met anderen, maar ook van afzonderlijke ontwapeningen hebben hun zin verloren', verklaarde Willem Drees in 1945. De Nederlandse veiligheid zou voortaan collectief gewaarborgd worden, onder de veilige paraplu van Uncle Sam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden