POSTUUM

De stem die als een kolengraver langs een steengroeve schraapt

Zijn grootste successen had hij met liedjes van derden, maar de rock 'n' soul-uitvoeringen van de maandag overleden Joe Cocker zijn onovertroffen. Vaak rauw, maar soms ook ontroerend teder.

Joe Cocker tijdens zijn optreden op het beroemde Woodstock-festival in 1969. Beeld Redferns
Joe Cocker tijdens zijn optreden op het beroemde Woodstock-festival in 1969.Beeld Redferns

Niemand heeft het repertoire van The Beatles beter gespeeld dan de The Beatles zelf. Zo staat het geschreven. Maar er bestaat één cover die het origineel van de Fab Four overtreft. Dat is de versie van With A Little Help From My Friends die de toen 24 jarige loodgieter Joe Cocker uit Sheffield in 1968 uitbracht.

Goed, het was misschien niet zo'n kunst om de zang van Ringo Starr, de minst begaafde vocalist van de vier, te overtreffen, maar zoals Cocker dat nummer naar zich toe trok, grenst nog altijd aan het ongelooflijke.

Hij maakte van het gemoedelijke deuntje een soulvolle, met gospelkoortjes doordrenkte blues waarin hij zij stem niet zozeer deed raspen als wel als een kolengraver langs een steengroeve deed schrapen.

Zo diep hoorde je een blanke rockzanger niet gaan, zelfs niet in een tijd waarin het met de stemmen van Van Morrison, Eric Burdon en Steve Winwood bepaald niet dun gezaaid was binnen de blue eyed soul-variant van de rock 'n' roll.

Alleen al vanwege dit nummer, dat hij in augustus 1969 live zo mogelijk nog krachtiger zou vertolken tijdens Woodstock, verdient de maandag in zijn ranch in Colorado aan de gevolgen van longkanker overleden Joe Cocker eeuwige roem.

Maar er waren meer hoogtepunten in een carrière die de afgelopen 45 jaar als een jojo op en neer ging.

Joe Cocker. Beeld getty
Joe Cocker.Beeld getty

Liedjes van derden

Soul, rhythm & blues en rock 'n' roll waren de belangrijkste inspiratiebronnen voor de man die in 1964 al werd ontdekt door platenlabel Decca, maar een eerste single I'll Cry Instead (ook een Beatlescover) zag floppen. Het was al snel duidelijk dat Cocker de juiste mensen met de juiste repertoirekeuze om zich heen moest hebben om tot de beste prestaties te komen.

Zelf componeren was niet zijn sterkste kant. Zijn grote successen waren liedjes van derden, maar die hadden vaak wel heel goed door wat Cocker met zijn stem allemaal aankon, en vooral hoe je die het best kon laten schitteren.

Zo was de ontmoeting in 1969 met de Amerikaanse componist/toetsenist Leon Russell bepalend voor de successen die volgden op With A Little Help From My Friends. Russell schreef niet alleen een van de mooiste Cocker-hits, Delta Lady, maar hij haalde de concertmoeie Cocker ook over om met een grote band, orkest en koortjes door de VS te touren. Mad Dogs And Englishmen heette deze tournee die de eerste vijf maanden van 1970 in beslag nam en waar eind van dat jaar een zeer feestelijke liveregistratie van verscheen.

Maar Cocker had er weinig lol van. Hij raakte zwaar aan alcohol en drugs verslaafd, keerde berooid terug naar zijn geboorteplaats en zou een groot deel van de jaren zeventig geestelijk en fysiek in de kreukels liggen.

Joe Cocker tijdens een concert in Boedapest in 2011. Beeld ap
Joe Cocker tijdens een concert in Boedapest in 2011.Beeld ap

Geliefd liveartiest

Een uitzondering was het album I Can Stand A Little Rain uit 1974, met daarop het delicaat gezongen You Are So Beautiful (van Billy Preston). Eindelijk zat er wat rust in de stem van Cocker en liet hij horen behalve over een door de duivel bezeten schreeuwstem ook te beschikken over een soms ontroerende tederheid.

Die combinatie maakte hem, nadat hij in de jaren tachtig was opgekrabbeld en de drank en drugs zou afzweren, een zeer geliefd liveartiest, op de grootste podia in Europa, ook Nederland, en de Verenigde Staten. Vanaf het meesterlijke, verrassend exotisch klinkende album Sheffield Steel (1982) ging Cocker ineens weer veel platen en concertkaartjes verkopen. Het door Island-baas Chris Blackwell geproduceerde, met funk- en reggaemuzikanten (Sly And Robbie) gemaakte Sheffield Steel geldt nog altijd als een hoogtepunt, niet alleen in Cockers oeuvre, maar in de popmuziek van de jaren tachtig in het algemeen. Knap was in ook zijn versie van het door Ray Charles beroemd gemaakte Unchain My Heart, dat ook op te vatten was als een eerbetoon aan wat misschien wel zijn grootste leermeester was.

Zo had Cocker in een jaar of twintig toch een repertoire bij elkaar vergaard dat eigenlijk niet stuk te krijgen was. Wie naar een concert van hem ging, wist wat er kwam, maar die stem uit duizenden, en het vooruitzicht voornoemde liedjes naast bijvoorbeeld The Letter en When The Night Comes te horen, was voor zijn fans genoeg. En dan was er nog die curieuze podiumpresentatie. Aanstellerige spastisch ogende bewegingen met de armen, en het bespelen van luchtgitaren en onzichtbare percussie, niet zelden vergezeld van rare grimassen.

Dat zullen we allemaal moeten missen. Goede studioplaten waren van Joe Cocker al decennialang een zeldzaamheid, hoewel Have A Little Faith, met een mooie versie van John Hiatts titelsong, twintig jaar geleden een uitzondering bleek. Hij hoefde ook eigenlijk helemaal nooit meer de studio in. Had zijn gezondheid hem niet in de steek gelaten, dan had hij nog jaren de podia op gekund om aan nieuwe generaties rock 'n' soul-liefhebbers laten horen dat er maar één kon zingen als Joe Cocker.

Joe Cocker en Jennifer Warnes bij de Grammy Awards in 1983. In dat jaar ontving hij een Grammy voor Up Where We Belong, een duet dat hij met Warnes zong. Beeld ap
Joe Cocker en Jennifer Warnes bij de Grammy Awards in 1983. In dat jaar ontving hij een Grammy voor Up Where We Belong, een duet dat hij met Warnes zong.Beeld ap
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden