Recensie Sprezzatura (beeldende kunst)

De sprezzatura druipt er niet vanaf, in de tentoonstelling Sprezzatura ★★★☆☆

Het werk is vaak zwakker dan dat van Fransen en Hollanders uit dezelfde tijd. 

Plinio Nomellini, Leren lezen (detail), 1906, Galleria d’Arte Moderna, Milaan. Beeld Umberto Armiraglio

Lof der schaduwen: weinig schilders hadden zoveel plezier in het weergeven van het lommer als de Italiaan Giuseppe Pellizza. Ook op La processione (1892/95) spelen schaduwen een hoofdrol. Ze trekken het oog de ruimte in, definiëren de vloer; hun kleur is ook goed getroffen. Welbeschouwd zit er meer leven in het koele grijsblauw dan in de figuren eromheen. Ze behoren tot die enkele stukken schilderij die werkelijk enthousiast maken in Sprezzatura: vijftig jaar Italiaanse schilderkunst.

Die term, sprezzatura, is u waarschijnlijk bekend. Ze werd gemunt in een 16de-eeuws handboek voor hovelingen en betekent zoiets als gecultiveerde nonchalance. Sprezzatura, dat is het schijnbaar moeiteloze voetenwerk van Fred Astaire, de achteloos briljante pass van Frenkie de Jong, de achteroverleunende flow van Extince, de prins, je weet toch. Ook onder schilders kom je het tegen, die combinatie van trefzekerheid en swag. De schilderijen van John Singer Sargent en Joaquín Sorolla zien eruit alsof de makers onderwijl stonden bij te praten met de buurman. Die schwung, dat gemak – kostte het ze dan helemaal geen moeite?!

Federico Zandomeneghi, In bed (detail), 1878, Gallerie degli Uffizi, Galleria d'arte, Florence. Beeld www.bridgemanimages.com

In het Drents Museum treft men zulke kwaliteiten gek genoeg amper. Hier geen dartel kwastwerk à la Isaac Israëls; de meeste schilderijen (landschappen, genretaferelen, portretten, symbolistische fantasiestukken) ogen bestudeerd, op het doorwrochte af. Waarom ze dan toch in verband worden gebracht met dat ouderwetse begrip sprezzatura is lastig te zeggen. Omdat het zo’n lekker zomers woord is, wellicht, omdat het vagelijk hint naar aperol spritz en spaghetti carbonara?

Hoe dan ook, de expositie biedt weinig voorbeelden van sprezzatura. Ze biedt een breed overzicht van kunst ten tijde van de Risorgimento, de beweging die tussen 1815 en 1871 met veel wapengekletter de staatjes op het Italiaanse schiereiland tot een koninkrijk samensmeedde.

Het was een periode waarin Italiaanse kunstenaars zichzelf opnieuw uitvonden. Sommigen wilden sociaal onrecht aan de kaak stellen en schilderden bedelaars in kerkportieken en kleumende oudjes in het rusthuis. Anderen waren patriottistisch gezind en richten de blik op Garibaldi en wapperende Italiaanse vlaggen. Weer anderen zochten het in een vergeestelijkte wereld vol feeërieke Maria’s. Bij ons bleven ze altijd een beetje onder de radar. Waarom is dat?

Giuseppe Pellizza, De rondedans (detail), ca. 1906, Galleria d’Arte Moderna, Milaan. Beeld Umberto Armiraglio

Het heeft wellicht te maken heeft met de neiging van kunsthistorici om waar het de 19de eeuw betreft zich blind te staren op de Fransen en de Hollanders. Het komt misschien ook door het werk zelf, dat vaak doet denken aan die voornoemde Fransen en Hollanders, maar dan net even een stukje zwakker – een heel stuk zwakker, soms.

Mancini, van wie de collectie Mesdag in Den Haag veel werk bezit, haalt het niet bij Jan Veth. Boldini, die eerder te zien was op High Society in het Rijks, is twee straten minder dan Thérèse Schwartze. De samenstellers reppen van een ‘ongelofelijk hoge kwaliteit’, maar dat is bella figura. Het niveau is redelijk, uitzonderingen daargelaten.

Fraai, bijvoorbeeld, zijn hier de zonbeschenen daken en gevels met fris wapperend wasgoed van Raffaelo Sernesi; een klein, pittig stadsgezicht dat door de collage-achtige opbouw wel iets wegheeft van Corot. Ook fraai zijn een moeder en kind van Plinio Nomellini: zij leert hem (haar?) lezen, terwijl door het gebladerte gezeefd zonlicht in kleine schoteltjes valt op wanden, tafelblad, kleding, haren. Giovanni Segantini is altijd wel goed, en zijn twee zogende geitjes, lekker dik in de verf en ritmisch neergezet, zijn geen uitzondering. Meer frappant dan echt goed dan weer is Lorenzo Delleani. Delleani reisde in de zomer van 1883 met een vriend door Noord-Europa: Duitsland, Nederland; Amsterdam, Leiden; in die laatste stad schilderde hij il mulino di Leyda. Toen ik het uit de verte zag, was m’n reactie: huh, een Haagse Scholer hier!? Toen ik dichterbij kwam moest ik m’n mening bijstellen: het heeft hetzelfde palet als de Hagenaars, maar mist hun spierkracht, hun brille. Het is de aanmaaklimonadevariant. Het is Johan Hendrik Weissenbruch – met een griepje.

Vlekkenschilders

Niet bekend, wel interessant: de Macchiaioli, ofwel vlekkenschilders, Giuseppe Abbati, Cristiano Banti, Odoardo Borrani, Adriano Cecioni en anderen. Ze waren afkomstig uit Toscane en vormden de eerste moderne Italiaanse kunstenaarsgroep. Ze worden vaak in een adem genoemd met de impressionisten, hoewel ze eerder werkten in de divisionistische schildertechniek dan hun Franse vakbroeders. Monet en de zijnen, echter, benutten de techniek dan weer beter door de kleuren echt uit elkaar te trekken en door gekleurde schaduwen te schilderen; als individuele schilders waren ze ook onderscheidender. De Macchiaioli waren een veel politiekere club dan de impressionisten: sommigen vochten aan de zijde van Garibaldi. Voor enkelen was hen was het vlekken-schilderen een tussenstop richting modernere regionen. Umberto Boccioni, bijvoorbeeld, schilderde in vlekken voordat hij z’n wervelende futuristische werk maakte.

Sprezzatura

Vijftig jaar Italiaanse schilderkunst (1860-1910). Drents Museum, Assen, t/m 3/11.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden