De smaak van namaak

Nederland wordt overspoeld door knusse nieuwbouw waarin de tijd is teruggezet naar vóór het modernisme. Soms kunnen vertrouwde vormen de samenhang in een stad of buurt herstellen....

Een ragfijne krul siert het ijzeren hekwerk langs de toegangstrappen. De gemetselde gevels zijn feestelijk gedecoreerd. Er zijn fraaie boogjes boven alle deuren en ramen, tientallen sierbanden, een uitbundige daklijst. Kloeke houten kozijnen met vensterbanken van keramiek. Wie al deze ambachtelijkheid aan de Haagse Obrechtstaat ziet, is geneigd bewonderend te verzuchten: ‘Zo wordt het nu niet meer gemaakt!’

Gefopt. Het blok is nog geen twee jaar oud. De ontwerpers van Scala architecten hebben hier negentiende-eeuwse bouwkunst nagebootst. Althans: het uiterlijk want binnen is het andere koek. Daar is het blok gewoon van beton en voldoen de woningen aan de modernste eisen.

Scala staat niet alleen. Nederland wordt overspoeld door nagemaakte oude huizen. De zeventiende- tot en met de vroeg twintigste-eeuwse bouwkunst wordt op allerlei manieren vervalst. Je ziet het in stadswijken en dorpen. Ook in de maagdelijke weilanden worden hele wijken van imitatie-oude huizen neergezet. In villawijken verschijnen nepklassieke landhuizen.

Wat is er aan de hand in Nederland, een land dat nog geen twintig jaar geleden het Mekka van de moderne architectuur werd genoemd, gidsland in de woningbouw waar ook jonge architecten de kans kregen volop te experimenteren met verrassende plattegronden en baanbrekende indelingen, voor mooiere lichtinval en flexibeler woongenot. Wat zelfs vaak woningbouw gaf met redelijke prijzen: sociale woningbouw floreerde toen nog.

Die tijd lijkt voorbij en wie nu woningen wil ontwerpen heeft vaak alleen nog kans wanneer hij op zijn minst een knipoog maakt naar traditionele vormen. Blijkbaar waait een nieuwe wind door het land die velen – en dan vooral projectontwikkelaars en gemeenten – doet denken dat ‘de klant’ hierom vraagt.

Zo ver is Nederland heen dat zelfs architectuurschrijver Hans Ibelings en architectuurhistoricus Vincent van Rossem een nogal blij boek hebben gewijd aan De nieuwe traditie. Ibelings heeft gewoonlijk toch een afgewogen oordeel en staat bekend om zijn ruimhartig volgen van de nieuwste architectuurontwikkelingen, in het door hem opgerichte tijdschrift A10. Van Rossem is een veelgevraagd spreker en essayist die zijn brede kennis graag aanwendt voor ongezouten kritieken. Juist deze beide heren hebben nu een boek gemaakt waar de zoete imitatie van de bladzijden afdruipt. Het is altijd mooi weer, in het vrijwel autovrije Nederland van de knusse namaakarchitectuur. En Ibelings legt in haast negentiende-eeuwse volzinnen uit ‘dat het het mooiste is wanneer het nieuwe de vanzelfsprekendheid niet in de weg zit’. Dat ‘architectuur ruimte moet bieden aan het alledaagse: ze moet voorzien in de behoefte aan bevestiging en bestendiging, aan beschutting en comfort.’

De makke is niet zozeer de strekking van Ibelings’ woorden. Het bedrieglijke is dat ze direct worden gekoppeld aan uitsluitend historiserende bouwkunst. Zeker, die gebouwen zijn soms mooi gemaakt en zo nu en dan ook echt goed ingezet. Het stratenblok van Scala is daarvan een voorbeeld: hier is in een lang bestaand gat in de bebouwing een ambachtelijk werkstuk gepast dat de verloren samenhang van deze buurt herstelt. Zo heeft Krier Kohl in Brandevoort-De Veste vlakbij Helmond met inzet van vele architecten en strenge supervisie een dorpje gecreëerd dat de vele goede kanten van een Oud-Nederlands stadje aardig evenaart.

Beide projecten combineren zorgvuldige vormgeving met een weldoordacht stedenbouwkundig plan. Maar evenzovele foto’s in het boek van Ibelings en Van Rossem tonen juist de zwakke kanten van het retrobouwen. Neem de kadebebouwing van nieuw-Vreeswijk die, als je vanaf een afstand aan komt varen, sprekend op een zeventiende-eeuws havenstadje lijkt. Pas dichtbij zie je de kale en eenvormige gevels. Of neem het centrumplan van Soeters Van Eldonk in Nootdorp, waar trap- en klokgevels zijn geparodieerd als om de aandacht af te leiden van de armoedige winkelpuien. Zo is er de veelvoorkomende volksverlakkerij van vrijstaande woningen waarvan de steile kappen en hoge prijzen duidelijk op ambachtelijke landhuizen zijn geïnspireerd. Pal op een kluitje staan ze en allemaal eender, soms op het kleurgebruik na.

Een analyse waarom deze golf van retro-architectuur het land overspoeld, is in het boek niet te vinden. Ook niet in het essay van Van Rossem waarin nog wel wat kritische opmerkingen staan. Zo constateert hij dat ‘deze zegetocht van romantisch wonen’ gepaard gaat met een snelle vervlakking van de architectonische vormentaal. ‘Het is evident dat de gemiddelde architect in ons land niet veel begrijpt van bouwkunst: velen zijn niet eens in staat een voluut te tekenen.’ En, over het historicisme in Vinex-wijken: ‘Elke lezer met enige kennis van zaken vraagt zich af waarom al dat wanhopige streven naar ouderwetse straatjes nooit resulteert in een stedelijke ruimte die een samenhangend geheel vormt’.

Maar Van Rossem verwacht dat dat allemaal beter wordt wanneer de architectuuropleidingen worden aangepakt en ‘de geschiedenis van het vak, kennis van traditie en ambacht,’ daar weer een centrale plaats in krijgen. Daarmee wekt ook hij de indruk dat hij deze namaakarchitectuur op zichzelf een gunstige ontwikkeling vindt waarin het vak terugkeert naar zijn wortels en van daaruit een nieuwe, heilzamer weg inslaat.

Dat laatste is merkwaardig. Het is bekend dat de Nederlandse architectuuropleidingen al decennialang gebrekkig zijn – reden voor de recente ingrijpende verandering dat twee extra praktijkjaren voortaan verplicht worden gesteld. Generaties architecten weten nauwelijks van architectuurgeschiedenis en leerden nooit goed detailleren. Daar valt inderdaad veel winst te behalen maar wanneer de kennis en het vakmanschap beter zijn, is dat geen reden om alleen bij namaak-oude vormen uit te komen.

Veel grote modernen, zoals Le Corbusier, Alvar Aalto, Oscar Niemeyer en Tadao Ando waren historisch en vakmatig uitstekend geschoold, wat voor hen een prima basis was om telkens iets nieuws te kiezen.

Door alleen die retrovormen als voorbeeld te stellen, wordt bovendien gesuggereerd dat het bij architectuur alleen om uiterlijke vormen gaat. Die zijn belangrijk maar andere invalshoeken wegen minstens zo zwaar. Het gaat óók om ruimtewerking, lichtval, situering en functionaliteit, ofwel om het creëren van één driedimensionale ‘oplossing’ voor een veelvoud aan problemen. Die, om de Romeinse bouwmeester Vitruvius te citeren, ook nog degelijk, functioneel en mooi moet zijn.

Om te weten te komen wat er werkelijk met Nederland aan de hand is, is een ander net uitgekomen boek dan ook eigenlijk interessanter. Dit heet Steen, is vrijwel ongeïllustreerd, en vormt de neerslag van uitvoerige gesprekken die Ton Idsinga met dertien toonaangevende Nederlandse architecten heeft gevoerd. Daarbij koos hij uitsluitend architecten die hun sporen al stevig hebben verdiend, variërend van Wim Quist en Herman Hertzberger tot Bjarne Mastenbroek en Nathalie de Vries van MVRDV (Rem Koolhaas zei door tijdgebrek af).

Opvallend is dat zij ieder voor zich, hoe verschillend ze verder ook zijn, altijd beginnen met intensief onderzoek naar de gegeven situatie. Wat Ibelings slechts aan retroarchitectuur koppelt, blijkt feitelijk een algemeen gekoesterd uitgangpunt: goed aansluiten bij wat er al staat.

Voor wat bij het ontwerpen vervolgens doorslaggevend is, wisselen de bewoordingen wel. Er komen termen langs als ‘intuïtie en emotie’ (Ben van Berkel), ‘de magie van de ratio’ (Wim Quist), ‘intensief ontwikkeld vakmanschap’ (Mels Crouwel van Benthem Crouwel architecten) en ‘schoonheid die onlosmakelijk is verweven met functionaliteit’ (Francine Houben van Mecanoo). Nathalie de Vries, van MVRDV verwoordt de kern van hun gezamenlijke vak: ‘Het is niet mijn beroep om alles te weten, maar om zoveel mogelijk te weten te komen dat van belang kan zijn voor een project.’

Geen van deze architecten, kortom, gaat uit van vooropgezette vormen. Zelfs Sjoerd Soeters, de ‘feestelijkste architect van Nederland’ en de enige wiens werk in het boek van Ibelings en Van Rossem ruim vertegenwoordigd is, legt uit dat ook hij nooit per se kiest voor neotraditionalisme. Hij vergelijkt ontwerpen met een evolutieproces ‘waarbij je met de opdrachtgever in achtereenvolgende rondes niet alleen problemen oplost maar ook nieuwe gezichtspunten en vragen introduceert.’ Het kiezen van de vormen stelt hij zo lang mogelijk uit.

In Steen valt nog iets anders op: hoe dikwijls tegen het neotraditionalisme een vermanend vingertje wordt opgestoken. Op zichzelf is dat trouwens typisch Nederlands. We zijn nu eenmaal meer een land van dominees dan van architecten, waarbij komt dat bouwkunst hier altijd krachtig onderhevig is geweest aan modes. Meermalen verschenen boeken en publicaties met voorbeeldplaatjes, ‘niet zus, maar zo’, volgens maatstaven die later soms nauwelijks meer zijn te begrijpen. Bij wisselende trends kraken architecten hier elkaar uitzonderlijk graag af.

Maar in dit geval werpt dergelijke kritiek wel helder licht op wat er zich nu afspeelt. Ben van Berkel, die Rotterdam zijn Erasmusbrug gaf en Lelystad zijn oranjerode schouwburg, noemt de retro-cultuur ‘puur escapisme’. ‘Het is terugvallen op makkelijk te consumeren vormen, wat ‘lekker weghapt’. Hij vindt dat architecten, net als in de medische wetenschap ‘waar bijna wordt gevochten om steeds betere vaccins te maken’, zich moeten richten op het verbeteren van hun vak: ‘We weten dat onze environment onder grote druk staat, en op dat vlak hebben we nog heel wat uit te vinden.’

Bjarne Mastenbroek, van Search, wijst op een nog belangrijker punt. Hij begon zijn carrière vlak voor de gouden jaren negentig, de jongste glorietijd van de Nederlandse woningbouw toen men, in zijn woorden ‘wereldwijd met open mond naar Nederland stond te gapen: hoe krijgen ze dat nu voor elkaar.’ Hij maakte dus persoonlijk de omslag mee dat de markt het voor het zeggen kreeg en het geld voor experimenten in de woningbouw verdampte.

Met spijt constateert hij: ‘Er was een andere culturele sfeer. Toen heerste het geloof dat je met architectuur verschil kunt maken. Nu gaat het vooral om veiligheid en de behoefte zich af te schermen. Gevraagd worden traditionele waarden en zekerheden die zich direct dienen te vertalen in beelden die geruststellen, in beelden zonder achterliggende betekenis of waarde.’

Dat duidt niet op vooruitgang maar doet vrezen dat de essentie van de architectuur wordt vergeten: ‘We hebben het hier wel over een voor Nederland cruciaal vakgebied. Want alles heeft te maken met de inrichting van dit land. En iedereen heeft er baat bij dat dat goed gebeurt. Je kunt wel zeggen dat iedereen in Nederland nu eenmaal een huisje met een tuintje moet hebben, want dat wil iedereen het liefste. Maar als je dat doet dan hebben we niets meer aan de rest van Nederland, dus buiten die uitgestrekte woonarealen. Er zou een wet moeten komen die het bouwen op open grond verbiedt. Je zult verbaasd zijn hoeveel creativiteit dat genereert.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden