De smaak van de verovering

Met geweld verkregen specerijenroem

Zou je het 17de-eeuwse Holland een schurkenstaat kunnen noemen? De toenmalige bewoners van de Banda-eilanden in Nederlands-Indië zouden daar waarschijnlijk niet lang over hebben geaarzeld als ze hadden geweten wat een schurkenstaat was. Ze zouden naar de Verenigde Oost-Indische Compagnie hebben gewezen, en met name naar Jan Pieterszoon Coen, de opperkoopman en latere gouverneur-generaal voor Nederlands-Indië, die er niet voor terugdeinsde om zijn doel met bruut geweld af te dwingen.

Wat was eigenlijk 'de' VOC-mentaliteit? Coen maakte zich schuldig aan marteling en genocide toen hij in 1621 met een expeditieleger van zo'n tweeduizend man de Banda-eilanden overrompelde, ettelijke hectaren specerijplantages liet platbranden en zo'n vijftienduizend eilanders de dood in joeg. Natuurlijk had hij een goede reden voor de volkerenmoord bedacht: de eilanders negeerden het contractueel afgedwongen verbod van de VOC om nootmuskaat te verkopen aan de Portugezen en de Engelsen. Daarmee belemmerden de Bandanezen het beoogde VOC-specerijenmonopolie voor de Indische archipel, waarin de Banda-eilanden, met nog altijd de beste nootmuskaat ter wereld, een cruciaal aandeel hadden te leveren. Dus als het niet goedschiks kon, dan maar kwaadschiks.

De Heren Zeventien van de VOC, die kantoor hielden in het Oost-Indisch Huis aan de Amsterdamse Hoogstraat, waren niet echt verrukt van Coens gewelddadige methoden, maar de opbrengst van zijn acties vergoedde veel. En uiteindelijk was dat waar het om ging. Mensenlevens telden niet, de Hollanders gingen voor de winst.

Het VOC-tijdperk is uitentreuren belicht en herdacht, maar het krijgt iets bijzonders als het wordt beschreven door een buitenlander, in dit geval een Amerikaan, en wordt afgebakend bij de geschiedenis van de specerijen. De auteur in kwestie heet Michael Krondl , hij is docent-kok aan de New School in New York en schreef De smaak van de verovering. In dit boek volgt hij het spoor van de kruiden die tot op de dag van vandaag in onze gerechten worden verwerkt, zoals peper, nootmuskaat, kruidnagelen, foelie, saffraan.

Krondl bezocht en beschreef de steden die in de specerijengeschiedenis van de Middeleeuwen tot in de 17de eeuw een hoofdrol vervulden: Venetië, Lissabon en Amsterdam. Hij sprak met culinaire experts, historici en handelaren, en dook in de archieven om het veelal gewelddadige specerijenverhaal te kunnen schrijven. Aanvankelijk lijkt het erop dat de auteur de totale geschiedschrijving nog eens dunnetjes over wilde doen, alsof historici vóór hem er te weinig van hadden gebakken.

Die neiging past ook wel een beetje bij de toon waarop hij zich meteen afzet tegen geleerden die de feiten niet zouden controleren en 'de academische wereld (die) de culinaire geschiedkunde (nu dan) schoorvoetend (heeft) geaccepteerd'. Wat je erin zou kunnen lezen is: let op, ik ga dit een stuk beter doen.

Het duurt een poosje voordat je geneigd bent hem gelijk te geven. In de eerste hoofdstukken begeeft Krondl zich van de specerijenproductie en -handel in de klassieke oudheid naar de middeleeuwse stadstaat Venetië, waar hij te veel tekst nodig heeft om te analyseren wat de connectie tussen de Venetianen en de specerijen is geweest.

Het gaat te veel over de algemene geschiedenis en te weinig over de (Aziatische) kruiden waarmee Venetië zich ontwikkelde tot het specerijencentrum van Europa. Hetzelfde euvel lijkt op te duiken in het hoofdstuk over Lissabon, maar gaandeweg wordt zijn specerijenkroniek onderhoudender en gaat het meer over de kruiden dan over de geschiedenis die we al kennen.

Het leuke van Krondl is dat hij zijn bronnen op een eigenzinnige manier onderzoekt - eerst zien, dan geloven. Zo nuttigt hij in Venetië en Lissabon authentiek bereide, middeleeuwse gerechten, wandelt hij in India over kruidenplantages en verbaast hij zich in Amsterdam over de gekruide speculaas en de veelheid aan specerijen die hij aantreft in de schappen van de super

markt.

Amsterdam is veruit het boeiendste hoofdstuk, vooral vanwege de specerijengeuren die je van bijna elke bladzijde tegemoet lijken te walmen. Krondl ontpopt zich hier ten volle als een specerijenman, die zelfs bij de indringende industriegeur van de Coenhaven - genoemd naar de volkerenmoordenaar - 'het donkere, klei-achtige aroma van cacao' meent te ruiken dat bij de oude haven hoorde. Misschien zegt hij hier al een beetje wat hij aan het slot van zijn boek beweert: 'Smaken die voorheen bij exotische importproducten hoorden - de geuren van het paradijs zelf - zijn nu gewoon, alledaags en alomtegenwoordig. Hieraan hebben de Hollanders wellicht meer bijgedragen dan ieder ander.' Is Jan Pieterszoon Coen toch nog ergens goed voor geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden