AchtergrondRodolfo’s Super Stuff

De skatesport groeit in Nederland, en het begon allemaal met één winkel in Amsterdam: Rodolfo’s

De winkel Rodolfo’s Super Stuff in Amsterdam in de jaren tachtig. Beeld Rolf Veenendaal

Voor skatend Nederland was Rodolfo’s Super Stuff in Amsterdam het heiligdom. De winkel is er niet meer, maar de sport groeit alleen maar. V spreekt de oprichters én skaters van het eerste uur.  

‘Ongelooflijk dat dat nog kan, na veertig jaar wachten.’ Met ‘dat’ bedoelt Rolf Veenendaal (68, casual gekleed en natuurlijk Vans aan zijn voeten) het spiksplinternieuwe skatepark in de al even nieuwe woonwijk op het Amsterdamse Zeeburgereiland. Ruim 3.000 vierkante meter beton met bowls, randen, trappen, hellingen, alles waar je met wielen op en af kunt. Voor wie niet in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, of in het eerste decennium van deze eeuw iets met skateboards, rollerskates, inlineskates of snowboards heeft gedaan: Veenendaal is de Rolf van Rodolfo’s Super Stuff – kortweg Rodolfo’s; de skatewinkel die hij in 1978 met zijn broer Axel (69) begon. Vrijwel meteen was Rodolfo’s  een magneet voor kinderen die iets coolers zochten dan hun oude onderbindrolschaatsen. De winkel werd het Mekka voor de skatescene in Amsterdam tot ver daarbuiten.

Charlie’s Chocoladefabriek

‘Rodolfo’s was de droomplek voor elk skatend kind’, zegt Hans van Brunschot (54), destijds ‘Hansje’ voor intimi omdat hij altijd klein van stuk was. Rodolfo’s was een soort Charlie’s Chocoladefabriek. ‘De eerste winkel die professionele skatespullen verkocht, vers uit Amerika. Alles rook daar nieuw, fantastisch, die geur van nieuwe grip tape voor op je skateboard.’ Van Brunschot was er kind aan huis, net als veel andere leeftijdgenoten voor wie skaten hun leven was. Dag in dag uit zaten ze in de winkel,  en hielpen ze met hun expertise bij de verkoop.

Axel en Rolf Veenendaal, oprichters van Rodolfo’s Super Stuff, in het skatepark op Zeeburgereiland in Amsterdam. Beeld Sabine van Wechem

Natuurlijk kwam er een Rodolfo’s-team voor promo-activiteiten en wedstrijden. ‘Leuk was dat’, zegt Van Brunschot, ‘gingen we met de Chevy van Axel en een demontabele halfpipe het hele land door, naar braderieën enzo. We bouwden de halfpipe op, zetten onze geluidsinstallatie aan en gingen skaten, laten zien wat er mogelijk was.’ Of ze gingen naar de rollerdisco, zoals het Nijlpaardenhuis waar Rodolfo’s de skates verhuurde en geoefende skaters rondjes draaiden op George Bensons Give Me the Night en Le Freak van Chic. Zelfs het Powell Team met de Amerikaanse skateboarder Tony Hawk kwam naar Amsterdam voor Rodolfo’s, met toen al adembenemende stunts. 

Straatkinderen

Maar wat zich in en om de winkel afspeelde, was het ‘nette’ deel van het skateleven van de kinderen uit die tijd. Van Brunschot, skateboarder van huis uit, stapte al gauw over op rollerskates (‘een baseplate met voor en achter twee wielen naast elkaar en kunstschaatsschoenen erop, echt loodzwaar en niet bepaald charmant’) en ging er overal op naar toe, op een dag zeker zo’n 20 kilometer. ‘Het was een rare tijd in Amsterdam, je had de krakersrellen, de metro in aanbouw, de bouw van de Stopera, punks, skinheads, disco. De meeste skaters waren straatkindertjes. Het maakte niet uit of je skinhead was, of disco, of punk, of een bomberjasje droeg. Je was gewoon skater, dat verbond.’

Veel van die kinderen waren aan hun lot overgelaten, ze hingen wat verloren en blowend rond in het Vondelpark. Zo ook Van Brunschot, ondanks zijn hoofdrol als Erik in de televisieserie Erik of het klein insectenboek (1979) naar het boek van Godfried Bomans. ‘Mijn ouders hingen de hele tijd bij Hoppe of de tennisbaan en wij moesten het zelf uitzoeken. En dat hebben we gedaan. De halfpipe op het Waterlooplein was door kinderhanden gebouwd.’

Rodolfo’s Super Stuff in 1988. Beeld Rolf Veenendaal

Sociaal vehikel

Zelf doen, zelf uitvinden, zelf op je bek gaan. Dat was wel het skateleven in de jaren tachtig en negentig, zijn ook de herinneringen van Jan Roodenrijs (56), nu hoofd communicatie bij de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Ook hij kwam als jongetje bij Rodolfo’s, zat in het team. In ’82 werd hij nog derde bij de Open Nederlandse Skateboardkampioenschappen in de discipline halfpipe. Maar hij ging pas eind jaren tachtig in Rodolfo’s groothandel werken, toen hij besloot dat skaten toch echt véél leuker was dan geschiedenis studeren. Een paar jaar later begon Roodenrijs voor zichzelf als distributeur van één van de skatemerken. Tot de skatemarkt weer in elkaar klapte.

Dat was eerder ook al gebeurd. ‘Jongens van 12, 13 beginnen ermee, een paar jaar later gaan ze patat eten en brommer rijden en komen de meisjes.’ Omdat het skaten nog geen oudere generaties had om op terug te vallen, viel meteen de business stil. ‘We bleven toen met ongeveer vijftien man over. Die reden wedstrijden, waren in Nederland serieus met de sport bezig’, zegt Roodenrijs. Zeg maar fanatiek. Want het was ook een way of life. Hoewel Roodenrijs er liever zijn eigen term ‘sociaal vehikel’ voor gebruikt, ‘een vehikel om je mee te vervoeren, maar ook een middel om met elkaar op te groeien, om te leren leven. Die skatetijd was zo intensief, je ging ook alleen maar met skaters om. Nog steeds zijn de jongetjes van toen uit de Zeeheldenbuurt in Amsterdam-West mijn beste vrienden.’

Het team van Rodolfo’s in Paradiso met een demontabele half-pipe. Beeld Rolf Veenendaal

Wortelbroeken en skateschoenen

De film Back To the Future in 1985 gaf het skateboarden een nieuwe boost. Halfpipes en ramps raakten op de achtergrond en daarvoor in de plaats kwam het streetskaten, ‘rijden op straat met veel freestyle-elementen en parcours met obstakels, dat is nu nog de populairste vorm’, aldus Roodenrijs. Het werd technischer, de wieltjes werden harder en kleiner, de ruige jongens met dreadlocks verdwenen, kleding werd strakker en cleaner. Sowieso werd het minstens net zo belangrijk wat je aanhad, als waarop je reed. Roodenrijs: ‘Skaten werd modieuzer. Na verloop van tijd werd er meer verdiend aan de kleding en de schoenen dan aan de hardware. Dan had je van die wortelbroeken, wijd van boven strak van onder, van Powell-Peralta, hét skatemerk uit die tijd.’

En Vans, van oudsher bootschoenen. ‘Als je iemand met Vans zag, dan wist je: dat is een skateboarder.’ Hans van Brunschot kreeg het allereerste paar in Nederland, een sample van Rodolfo’s die de eerste Nederlandse distributeur van het schoenenmerk werd. ‘Blauw-rood canvas style #95. Ik heb nooit meer een ander soort schoenen gedragen.’

Slierten skaters door de stad

Met de komst van de inlineskates, met de wielen in één lijn achter elkaar, in plaats van twee voor en twee achter, kwam een nieuwe generatie in aanraking met skates. De inlineskates, of skeelers, konden veel harder dan de rollerskates en werden al snel door topschaatsers gebruikt om in de zomer op asfalt te trainen. Maar ze waren er evengoed voor de lol. De Friday Night Skate verdreef de rollerdisco’s. Niet meer rondjes rijden op muziek in een aangeklede schaatshal met discolampjes, maar lange slierten twintigers en dertigers door de hele stad.

‘Met zijn allen door het Vondelpark, met m’n ouders, gewéldig was dat.’ Voor filmproducent Sabine Veenendaal (47) bestond haar hele jeugd uit skaten. Geen wonder, want haar vader is Axel Veenendaal. ‘O, ben jij de dochter van Rodolfo’s’, zeiden ze tegen haar. Hoewel de winkel voor haar ‘normaal’ was, had die op haar net zo’n magnetische uitwerking als op de andere skatekinderen. Daar waren al die coole types, daar was de magie van wieltjes, trucks en decks. Als klein meisje ging ze elk weekend met haar vader mee en later stond ze ook achter de toonbank, als skatemeisje tussen de jongens. ‘Ik weet nog dat ik de eerste keer van de Sarphatistraat op m’n skates naar Klavertje 4 in de Utrechtsestraat reed om broodjes te halen voor de hele zaak, dat vond ik echt zo gaaf.’

Beeld Rolf Veenendaal

Betonspecialist

‘Rodolfo’s, dat was een haast religieuze ervaring, al die boards, die mooie felle prints, mijn mond viel echt open.’ Voor Stan Postmus (45) was die ervaring wel buiten zijn bereik. Hij groeide op in Hoofddorp en Nieuw-Vennep, ging skateboarden op een zelfgebouwde miniramp op een afgelegen weiland. Voor zijn spullen heeft hij heel wat auto’s gewassen en heitjes voor karweitjes gedaan, geld voor een retourtje Amsterdam zat er niet in. ‘Er waren wat oudere jongens die een skatebaantje hadden gebouwd en dat zag er vet uit, dat wilde ik ook. Vrienden die zelf met elkaar iets moois hadden gemaakt, de vrijheid die het uitstraalde, een eigen cultuurtje. Verder ging het me echt om het skateboarden. Kleding, blowen, drank, daar taalde ik niet naar – ik was ook pas 12. Maar die jongens met een eigen scene, een eigen ramp, dat vond ik super cool.’

Bij Postmus bleef niet alleen de liefde voor het skaten, maar ook voor de banen zelf. Hij reisde de wereld af voor de beste skateparks en maakte er zijn beroep van, als betonspecialist voor complexe constructies en bouwer van betonnen skateparks. Hij werd ook de man die ruim veertig jaar na de eerste skaters in Nederland er bij de Amsterdamse gemeenteraad het meest ambitieuze skatepark van het land doorheen kreeg. Uitdagend voor de grootste waaghalzen met een bowl van 3,5 meter diep. Toegankelijk voor beginners. Berijdbaar voor skateboards, inlineskates, BMX’jes en stuntstepjes.

Vrije geest

‘Dan voel je ook hoe de stad is veranderd’, zegt Jan Roodenrijs, die op 19 juni dit jaar bij de opening was. ‘Wij bouwden begin jaren tachtig in een half ingestorte hal op Bickerseiland een halfpipe. Nu is er een skatepark van 2 miljoen in een nieuwbouwwijk met prachtige huizen en skaten wordt in 2021 een olympische sport. Dat kon je je in 1981 niet voorstellen.’

Stan Postmus verdient er absoluut alle credits voor, vindt hij, dat skatepark is ‘echt ongenadig goed’, maar bij de professionalisering heeft Roodenrijs wel zijn bedenkingen. ‘Zodra iets een olympische status krijgt, verandert ook die vrije geest van het skateboarden’, vreest hij. Zij deden het zonder ouderen die zeiden wat ze moesten doen. Ze hadden geen trainers. Je ging gewoon net zolang door tot je een truc kon. ‘Dat skaten moet je de jongetjes en meisjes op straat niet afpakken door het olympisch te maken.’

Ook Rolf en Axel Veenendaal zijn naar het skatepark geweest. Ze werden er herkend en begroet als twee van de oervaders van het Nederlandse skaten. Rolf is met pensioen, Axel is al jaren beeldend kunstenaar. Wat er van Rodolfo’s is overgebleven, heet nu archief en staat in dozen op een bedrijfsterrein in Mijdrecht te wachten tot iemand erin duikt en het verhaal opschrijft over de Nederlandse skatescene en de twee broers die het skaten en snowboarden hier aan de man brachten, zelfs in de vorm van een onvervalst Hollandse klompskate in rood-wit-blauw. Misschien Jan Roodenrijs wel, het idee maalt al een tijdje door zijn hoofd.

In 1981 kregen Rolf en Axel Veenendaal het idee de oud-Hollandse boerenklomp tot rollerskate om te bouwen. Een klant maakte een logo van klompmodel en dat leidde tot een ware internationale opmars. In hetzelfde jaar verscheen een groot artikel over de klompskate en ‘skating in the Netherlands’ in het Amerikaanse ­Rollerskating Magazine. Beeld Sabine van Wechem
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden