COLUMNSylvia Witteman

De schrijver van Dik Trom had voor mij afgedaan, tot ik dit verrukkelijke boek ontdekte

Als kind vond ik Dik Trom geen leuk boek. Die vader van Dik alleen al, die wel niet goed bij zijn hoofd lijkt, zo raar als hij praat. ‘Hij zal Dirk heten, dat zal-ie’, klonk het uit de volle mond van de heer des huizes. ‘Mijn broer, die naar Amerika gegaan is, heet ook zo, dat doet-ie.’’ En dan nog die gruwelijke scène waarin Dik Trom als kleuter drie jonge poesjes in de doofpot stopt, bij de gloeiende kolen, ‘zeker in de mening dat ze het daar beter naar hun zin zouden hebben’. Dood, natuurlijk.

Wat een griezel, die C. Joh. Kieviet. (Tot op heden is mij niet duidelijk waarom sommige voornamen niet met initialen worden afgekort, maar met (delen) van lettergrepen. ‘Joh’ dus. ‘Rud’ is er ook zo een, en ‘Chr’ en ‘Tj’. Hoe zit dat?) Nee, die Kieviet had voor mij afgedaan. Tot ik, jaren later, kennismaakte met zijn Okke Tannema (1904).

Okke is het indertijd populaire stereotype van de straatjongen die kwajongensstreken uithaalt maar het gouden hart op de juiste plaats heeft, plus ‘een helder hoofd en grooten leerlust’. Okke heeft het niet makkelijk, want vader Tannema, ooit een ‘nette, oppassende jongen die als werkman een goed weekgeld verdiende’ is onder invloed van slechte vrienden veranderd in een ‘dronkaard’.

‘Van Tannema’s weekgeld ging een groot gedeelte naar den tapper, en Moeders huishoudgeld werd bij de week kleiner, maar hare behoeften klommen, want Okke bleef niet alleen. Hij kreeg zes broertjes en zusjes, zodat er op het ogenblik, dat dit verhaal begint, zeven kinderen waren. De welvaart was thans geheel verdwenen en had plaats gemaakt voor armoede en kommer.’

Wat een tragiek! Tegenwoordig kun je je desnoods van de opbrengst van een krantenwijk dooddrinken, je koopt al een liter jenever voor een tientje, maar een eeuw geleden waren de kosten van drank het grootste, ja, misschien wel enige probleem van alcoholisme. Niemand keek ervan op als een burgemeester, dokter of notaris zich dagelijks tot de rand vol liet lopen aan een nette bittertafel, thuis of op de sociëteit; zolang je je vrouw niet sloeg en je kinderen niet met rafels aan hun kleren liet rondlopen, was je een keurig lid van de maatschappij. Kom daar nog maar eens om!

‘Wat is er van je vrouw geworden, Tannema, van de vroolijke, heldere, opgewekte Marie? Eene armelijke slons is ze, die zich bijna schaamt om op de straat te verschijnen. Schaam je je niet, Tannema? En hoe zien je kinderen eruit? Bijna te vies om aan te raken. ’t Is zonde van je Okke, want dat is een beste jongen, een flinke, aardige jongen, maar die door jouw verderflijk voorbeeld ook den slechten weg wel zal opgaan.’ Aldus ‘de Heer Hofstein’, Tannema’s baas.

Hij krijgt gelukkig ongelijk. Na zo’n 180 pagina’s vol verdriet en gebroken wilskracht is het die goeie Okke die zijn vader mee uit vissen neemt. Ze vangen een grote karper. ‘Tannema vond het een heerlijke gedachte, dat vrouw en kinderen door zijn toedoen een lekker middagmaal zouden hebben. Dat was in langen tijd niet gebeurd. Spek of vleesch was al sedert vele weken niet over hunne lippen gekomen, en nu zouden zij een vorstelijk maal hebben.’

Het omslagpunt is bereikt. ‘’t Zal anders worden, m’n jongen, anders en beter!’ Hij zuchtte diep bij die woorden. ‘Ja Vader. Anders en beter’, fluisterde Okke, zijn vader met glinsterende ogen aanziende. Zwijgend zaten zij een poosje naast elkander, maar al zeiden zij niets, toch voelden zij veel. Zij voelden ook, vader en zoon, dat zij elkander innig liefhadden.’

Een verrukkelijk boek. Zéker met een borreltje erbij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden