Analyse Horrorfilms

De schoonheid van horror

Horror wordt vaak geassocieerd met misselijkmakend gedoe: veel ingewanden en slurpende zombies, u weet wel. Maar wie goed kijkt, ziet ook schoonheid. Want esthetiek en angst horen bij elkaar. En dat is niet zomaar.

Still uit It Follows. Foto YouTube

Aan het begin van Hereditary, de Amerikaanse horrorhit die vanaf volgende week ook de Nederlandse bioscopen teistert, trekt de camera een lange beweging door een zonnig verlicht atelier. Overal in de ruimte staan poppenhuizen. De camera nadert een van de bouwsels alsmaar dichter en dichter, tot heel het beeld is gevuld met wat de miniversie van een tienerslaapkamer lijkt te zijn.

Net als je denkt dat de kamer er op dit formaat griezelig echt uitziet, begint in het bed een jongen te bewegen. Het poppenhuis blijkt het huis waarin de film zich grotendeels afspeelt. Door de akelig vervreemdende openingsscène krijgt Hereditary een onwerkelijk karakter: alsof de personages poppen zijn, die geen enkele controle hebben over het lot dat hen te wachten staat.

Op zo’n puntgaaf gecomponeerd, heerlijk hallucinant moment weet ik weer precies waarom ik van horror houd. Natuurlijk: ik word graag bang gemaakt, daar begint het mee. De beste griezelfilms confronteren me risicoloos met mijn diepste angsten en laten me voelen dat ik leef; ook dat bepaalt voor mij de aantrekkingskracht van horror.

Tegenpolen

Maar wat me vooral aan het genre kluistert, waarom ik zonder pardon tien arthousedrama’s inruil voor één echt enge film, is dat horror zo gruwelijk mooi kan zijn. Dat je kippenvel krijgt, omdat een scène een barok schilderij lijkt, omdat de cameravoering zo gewichtloos is of die ene druppel bloed zo precies geplaatst. Een dergelijke esthetische ervaring ligt misschien niet voor de hand in een genre dat doorgaans wordt geassocieerd met stompzinnigheid, geweld en misselijkmakende taferelen. Toch zijn bekoring en beklemming nergens zo innig verstrengeld als in de horrorcinema. Wat hebben die schijnbare tegenpolen bij elkaar te zoeken?

De schoonheid van horror kan je, zelfs als liefhebber, makkelijk ontgaan. Hangt er natuurlijk ook maar net van af wat je in het genre te zoeken hebt en wat je idee van schoonheid is. Voor menig horrorfan bestaat er niets mooiers dan een stel zombies dat zich slurpend en smakkend tegoed doet aan een opengereten lijk. Ik hoorde zelf bij die groep, toen ik als puber eind jaren tachtig grafkelderachtige videotheken afspeurde naar seriemoordenaars, kannibalen en vooral heel veel zombies: ik was een onvervalste gorehound, tevreden zolang het maar intens gruwelde en glibberde. De scène uit Lucio Fulci’s City of the Living Dead (1980), waarin een vrouw, frontaal in beeld, haar darmen uitkotst, draag ik sinds mijn vroegste horrormarathons als een plezierig litteken met me mee.

Zinnenprikkelend camerawerk

Toen ik later zulke films opnieuw keek, als filmstudent die snakte naar guilty pleasures, bleken zulke smerigheden hun allure te hebben verloren. Al dat gelebber aan ingewanden en gepulk in hersenpannen: het hoefde voor mij niet meer zo nodig. Tegelijkertijd zag ik voor het eerst hoe prachtig diezelfde films kunnen zijn. Hoe onder alle magnifieke ranzigheid soms een schat aan zinnenprikkelend camerawerk verscholen ligt. Geweldig, zoals Fulci in City of the Living Dead met extreme close-ups van ogen speelt, als de Sergio Leone van de spaghettihorror. Of hoe hij een levend begraven, schijndode vrouw laat baden in doods blauw licht, terwijl de roos op haar borst een blaadje verliest en het donker om haar heen knaagt aan de kist.

Schoonheid om de schoonheid? Zeker niet. De vrouw wordt net op tijd wakker, en vervolgens gered door een man die haar hoort gillen. Dat doet hij weinig subtiel: hij ramt het deksel open met een houweel en raakt daarbij steeds nèt niet haar gezicht. Vooral dan merk je wat de verdienste van Fulci's extreem stijlvolle benadering is. Had hij de scène sec gefilmd, zonder dat blauwe licht en die roos, dan zou het gehak met de houweel veel minder hard zijn aangekomen. De koele esthetiek van de situatie maakt het geweld des te bruter en lelijker. 

In zijn verhaal Ligeia (1838) citeert de Amerikaanse griezelauteur Edgar Allan Poe de Engelse filosoof Francis Bacon: ‘There is no exquisite beauty… without some strangeness in the proportion.’ (‘Bij iets van zo'n verfijnde schoonheid zijn de verhoudingen altijd enigszins uit balans.’) Horrorfilms als City of the Living Dead draaien die opvatting om: hier kan het vreemde niet zonder een slimme scheut schoonheid. Schoonheid maakt het vreemde vreemder, abjecter, afschrikwekkender. Het werkt als de verleidelijke bloem van een vleesetende plant, en wiegt de toeschouwer een beetje in slaap voordat de klappen vallen.

Niet té mooi

Het komt dan wel aan op een precieze dosering. Een horrorfilm kan maar beter niet té mooi zijn, wil hij nog echt eng zijn. Toen Stephen King zag wat cineast Stanley Kubrick had gebrouwen van zijn roman The Shining, viel hij over Kubricks visueel overdonderende regiestijl. De zwevende camerabewegingen door het hotel, het vertraagde shot waarin een van de gangen overspoeld raakt door een vloedgolf van bloed: het deed King allemaal weinig tot niets. ‘De film is als een prachtige, grote Cadillac zonder motor. Je kunt erin gaan zitten en genieten van de geur van de leren stoffering. Het enige wat je niet kunt doen, is ergens heenrijden.’

Kings oordeel is natuurlijk een kwestie van smaak, zeker wanneer je bedenkt dat The Shining (1980), in al zijn ijzingwekkende schoonheid, veel mensen wel degelijk de stuipen op het lijf jaagt. Toch kun je stellen dat een horrorfilm bij een overdaad aan oogsnoep al snel zijn doel voorbijschiet. Schoonheid wordt dan te opzichtig geplaatst aas voor de toeschouwer, die eerder op een afstand bewonderend blijft kijken dan dat hij zich nietsvermoedend in de val laat lokken.

Suspiria (1977)

Toch wil ik graag één uitzondering op die regel maken: Suspiria (1977), de Italiaanse klassieker die terecht geldt als de fraaiste horrorfilm aller tijden. 

Het verhaal is zo simpel dat het er nauwelijks toedoet (Amerikaanse balletstudente ontdekt dat haar Duitse dansinternaat dient als dekmantel voor een eeuwenoud heksenverbond) en wil je vooral door een unieke, psychedelische griezelwereld loodsen. Het Freiburg uit Suspiria oogt als de zalige nachtmerrie van een doorgezakte art-decoarchitect, terwijl de wanden van het internaat bloedrood en gifgroen pulseren. Suspiria is sowieso één wellustige kleurenorgie; alsof Disney en Mondriaan hand in hand een blik werpen in de hel.

En dan gebeurt het. Net wanneer je je door al die pracht en praal hebt laten bedwelmen, slaat het geweld toe. Bungelen de lijken aan de glasplafonds. Worden harten uitgerukt. Spettert het bloed over de tegelmozaïeken. Taferelen die in de fabuleus-surrealistische decors van Suspiria des te weerzinwekkender worden. 'Ik wil iets spectaculairs en baroks transformeren in iets dat zeer precies en zeer koud is', legde regisseur Dario Argento in 2014 uit aan website vice.com. 'Eerst schep ik weelderige schoonheid – om die vervolgens af te maken met een messteek.'

Ik hapte maar al te graag toe, toen ik de film zo'n vijftien jaar geleden voor het eerst zag. Nooit eerder voelden mijn ogen zo gestreeld én doorkliefd. Met blijvend effect: voor mij bestaat er sindsdien zoiets als Suspiria-rood en Argento-paars. Er is geen enkele horrortrip zoals Suspiria, niet eens in het oeuvre van Argento zelf, die nog maar zelden het niveau van zijn meesterwerk zou evenaren.

Best eng dus, dat eind dit jaar de remake van Luca Guadagnino (die ook Call Me by Your Name regisseerde) gaat draaien, met Dakota Johnson als de Amerikaanse balletstudente en Tilda Swinton als directrice Madame Blanc. 

Guadagnino beloofde het evenwel heel anders aan te pakken dan Argento. 'Mijn Suspiria is een film over schuld en moederschap', vertelde hij aan filmvakblad Variety. 'Anders dan het origineel bevat het kleurenpalet geen primaire kleuren. De film zal koud zijn, boosaardig en echt donker.' Gelukkig maar. Echt donker: ook dat kan héél mooi zijn.

De allerbeeldschoonste horrorscènes ooit

De levende schaduwen in Vampyr (Carl Theodor Dreyer, 1932)

In het huis van de vampier leiden de schimmen op de muren hun eigen leven. Prachtig, hoe een ladder beklommen wordt door de schaduw van iemand die er zelf niet is, en hoe de silhouetten een bal des doods dansen tot de bloedzuigende hoofdbewoner hen tot stilte maant.

De zwembadscène uit Cat People (Jacques Tourneur, 1942)

Vrouw wordt in duister zwembad door panter-achtig monster belaagd en vlucht het water in; terwijl ze watertrappelt trekt het beest grommend rondjes rond het bad. Tenminste: dat suggereert Tourneur met een uitgekiend spel van donker, licht en geluid, zonder dat de monsterkat daadwerkelijk te zien is.

De verloren sleutel uit Inferno (Dario Argento, 1980)

Opnieuw oogstrelende onderwaterhorror, in Argento's opvolger van technicolor-nachtmerrie Suspiria (1977). De heldin verliest haar sleutel in een poel (nota bene in de kelder van haar huis); minutenlang duikt ze in het diepe om het ding terug te krijgen. Onderwater fonkelt het licht ziekelijk en doemen onverwachte gruwelen op uit het troebele blauw.

De zwembadscène uit Let the Right One In (Tomas Alfredson, 2008)

Oké, nog één grootse oefening in angstaanjagende nattigheid. Wanneer jongetje Oskar in het zwembad door zijn pesters bijna wordt verdronken, schiet vampiervriend(in) Eli te hulp. Terwijl zij/hij de treiteraars (letterlijk) een kopje kleiner maakt, blijft de film onder water, bij Oskar, wat deze bloederige finale een koele schoonheid en kalmte geeft.

De lange man uit It Follows (David Robert Mitchell, 2014)

Meisje wordt na seks met haar vriendje bezocht door zombie-achtige fantomen die alleen zij kan zien. Zoals de lange man die plotseling haar slaapkamer binnenloopt – een ongelooflijk enge entree die perfect wordt ingeleid door nerveus groothoeklenscamerawerk, terwijl het vale kleurenpalet en de spaarzame verlichting van haar kamer een intens naar sfeertje opbouwen.

De heksensabbat uit The Witch (Robert Eggers, 2015)

Ergens in de 17de eeuw worden meisje Thomasin en haar aan de rand van het bos wonende gezin geteisterd door een heks, én door de duivel in de gedaante van een zwarte, pratende bok. Een even huiveringwekkend als beeldschoon verteld relaas is het. Een van de hoogtepunten: een in clair-obscur gefotografeerde heksensabbat bij kampvuur, waar een personage langzaam omhoog zweeft terwijl haar gezicht verduistert tot een schedelkop.

Kensington Gore

De horrorfilms waarmee de Britse studio Hammer in de jaren vijftig tot en met zeventig furore maakte, onderscheidden zich onder meer door het intens rode, niet bepaald realistische maar wel zo mooie bloed dat er vloeide. Kensington Gore, genoemd naar een straat in Londen, werd door een gepensioneerde apotheker uit Dorset ontwikkeld en behalve in Hammer-films als The Curse of Frankenstein (1957) en Horror of Dracula (1958) ook gebruikt in Stanley Kubricks The Shining (1980). Het recept van Kensington Gore: twee kopjes maïssiroop, één kopje water, tien eetlepels maïsmeel, tien theelepels rode eetkleurstof, tien druppels blauwe eetkleurstof en eventueel – voor de smaak – enkele druppels munt.

De heksensabbat uit The Witch (Robert Eggers, 2015)

Ergens in de 17de eeuw worden meisje Thomasin en haar aan de rand van het bos wonende gezin geteisterd door een heks, én door de duivel in de gedaante van een zwarte, pratende bok. Een even huiveringwekkend als beeldschoon verteld relaas is het. Een van de hoogtepunten: een in clair-obscur gefotografeerde heksensabbat bij kampvuur, waar een personage langzaam omhoog zweeft terwijl haar gezicht verduistert tot een schedelkop.

Kensington Gore

De horrorfilms waarmee de Britse studio Hammer in de jaren vijftig tot en met zeventig furore maakte, onderscheidden zich onder meer door het intens rode, niet bepaald realistische maar wel zo mooie bloed dat er vloeide. Kensington Gore, genoemd naar een straat in Londen, werd door een gepensioneerde apotheker uit Dorset ontwikkeld en behalve in Hammer-films als The Curse of Frankenstein (1957) en Horror of Dracula (1958) ook gebruikt in Stanley Kubricks The Shining (1980). Het recept van Kensington Gore: twee kopjes maïssiroop, één kopje water, tien eetlepels maïsmeel, tien theelepels rode eetkleurstof, tien druppels blauwe eetkleurstof en eventueel – voor de smaak – enkele druppels munt.

Het horrorgenre bestaat ruim honderd jaar. Hoezo is het ineens ongekend populair?

Geen ingeslagen schedels, geen spook dat plotseling opdoemt in de spiegel: horror is ongekend populair, maar wél horror met een twist.

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.