De schijn van betrouwbaarheid

Het Syrisch Observatorium voor de Mensenrechten van Rami Abdulrahman heeft in het Westen een reputatie als betrouwbare nieuwsbron. Is dat wel terecht?

Een vrouw en haar kinderen in een stofwolk in Kafr Batna, Damascus, na luchtaanvallen. De aanval vond plaats op 30 september. Beeld afp

Rami Abdulrahman klinkt gestrest als hij de telefoon opneemt. 'Ik ben druk', zegt een zware mannenstem in gebroken Engels. Hij wil best een interview geven, maar niet nu. 'Bel over een maand maar terug.' Een maand later klinkt hij nog altijd gestrest. 'Je kan niet langskomen', mompelt hij. 'Het heeft te maken met veiligheidsredenen, snap je? Stuur je vragen maar per mail.' De mail blijft lang onbeantwoord. Na aandringen schrijft hij terug dat hij alle vragen al een keer heeft beantwoord in eerdere interviews.

Abdulrahman (45) is het hoofd van het Syrisch Observatorium voor de Mensenrechten, dat sinds het begin van de burgeroorlog in 2011 opduikt in veel nieuwsberichten over Syrië. Internationale media voeren het Observatorium geregeld op als bron. Persberichten van de organisatie zijn voorzien van duidelijke dodentallen, citaten van artsen of rebellenleiders en achtergrondinformatie over offensieven en luchtaanvallen. Kortom: zeer bruikbaar materiaal om een complexe en moeilijk toegankelijke oorlog te duiden. Dat Abdulrahman zowel oppositie- als regeringsbronnen opvoert, draagt bij aan zijn reputatie als betrouwbare bron.

In zijn thuisland Syrië wordt Abdulrahman juist van alle kanten gewantrouwd. De wildste, en vaak tegenstrijdige, geruchten doen over hem de ronde: hij zou een agent zijn van de Syrische veiligheidsdiensten, of een Moslimbroeder, gebruikmaken van dubieuze geldstromen en feiten verdraaien omdat hij bepaalde agenda's dient.

Eenmansbureau

Die beschuldigingen worden veelal geuit door Syriërs die partij zijn in de oorlog, en dus belangen hebben. Ze zijn nauwelijks te checken. En het Observatorium zelf weigert vragen te beantwoorden. Dus rest niets dan een eigen zoektocht. Die levert grote twijfels op over de organisatie en de claims van Abdulrahman. Ook rijst de vraag: betrachten media wel genoeg terughoudendheid als ze informatie van het Observatorium krijgen?

Anders dan de gewichtige naam doet vermoeden, is het Observatorium een eenmansbureau, gerund door Abdulrahman vanuit zijn woning in het Engelse Coventry, waar hij sinds 2000 woont. Dat betekent niet dat hij het helemaal alleen doet. Abdulrahman zegt in interviews met onder meer The New York Times, Reuters en CNN dat vier mannen in Syrië hem helpen met het verzamelen en rapporteren van informatie. Een vijfde persoon vertaalt nieuwsberichten uit het Arabisch in het Engels. Verder heeft hij de beschikking over een netwerk van 230 Syrische activisten.

Pseudoniem

Abdulrahman heet in werkelijkheid Ossama Suleiman, maar gebruikte in de beginjaren van de burgeroorlog uit zelfbescherming een pseudoniem. Omdat hij bekend is geworden als Abdulrahman, duikt hij nog altijd onder deze naam op in nieuwsberichten.

Netwerk

Maar wie zijn zij? 'Ik ken sommige activisten via gemeenschappelijke vrienden', zegt Abdulrahman in een interview met de Russische staatszender RT. Hij beweert dat hij pas een activist in dienst neemt na een proefperiode van zes maanden. De namen van zijn medewerkers wil hij niet vrijgeven. Mogelijk uit bescherming van zijn bronnen. Toch is dit opmerkelijk, want bij andere Syrische mediaorganisaties is vrij makkelijk te achterhalen met wie zij werken. Het wereldje van de Syrische media is klein. Iedereen kent elkaar, maar slechts weinigen kennen activisten die voor het Observatorium werken.

Van de tien media-activisten en journalisten die de Volkskrant voor dit verhaal benaderde, zegt alleen de in Turkije gevestigde Syrische journalist Ahmad Mhidi iemand te kennen die aan het Observatorium is verbonden. Deze persoon is uitgeweken naar Oostenrijk, maar werkt nog altijd voor het Observatorium. Hij doet verslag van het Oost-Syrische Deir Ezzor, zegt Mhidi, die zelf uit deze regio komt.

Vanuit zijn nieuwe woonplaats, ver van het onveilige Syrië, reageert de persoon geschrokken als we contact zoeken. 'Ik kan niet met je praten, want ik ben bang om vermoord te worden', schrijft hij via een privébericht op Facebook. Volgens Mhidi lijkt het er sterk op dat Abdulrahman zijn medewerkers heeft verboden met de media te praten.

De Syrische journalisten en media-activisten twijfelen allemaal aan de bewering dat het Observatorium een netwerk van 230 activisten heeft. 'Het zou me niet verbazen als het er veel minder zijn', zegt Fouad Hallak, een Syrische fotograaf die naar Nederland is uitgeweken. 'Ik heb nog nooit iemand ontmoet die voor het Observatorium werkt.'

Financiering

Daarnaast zijn er vragen over de financiering van het Observatorium. Abdulrahman heeft daarover nooit volledige openheid gegeven. In het interview met The New York Times zegt hij geld te hebben ontvangen van de Europese Unie en 'een ander Europees land'. Volgens twee Franse Syrië-kenners, de journalist Frédéric Pichon en voormalig geheim agent Alain Chouet, ontvangt het Observatorium subsidies uit Golflanden als Qatar en Saoedi-Arabië. Deze landen steunen openlijk rebellengroeperingen in Syrië die tegen het leger van president Assad vechten.

Adbulrahman ontkent geld te krijgen uit de Golfstaten en harde bewijzen hebben de twee Fransen niet, maar zij zien hun vermoedens bevestigd door de berichten uit Coventry. 'Het Observatorium speelde vanaf het begin in op de perceptie van het Westen en de Golflanden: het ging om een vreedzame revolutie, Assad was de slager en hij zou snel het veld ruimen', zegt Pichon. De Arabist vindt dat westerse journalisten onverantwoordelijk zijn als het aankomt op berichtgeving over de oorlog in Syrië. 'Veel journalisten weigeren bronnen te verifiëren en presenteren informatie van activisten als waarheid.'

Abdulrahman/Ossama Suleiman. Beeld AFP/Getty Images

Chouet onderschrijft deze lezing. 'Het Syrisch Observatorium voor de Mensenrechten heeft niets te maken met mensenrechten', zegt hij. 'Het is geen ngo of een nieuwsinstituut. Abdulrahman zegt zich te baseren op een groot netwerk van militairen en artsen in Syrië, maar niemand heeft dit ooit kunnen verifiëren.'

Het lastige met de beschuldigingen is dat ze alle kanten op vliegen. Zo verschijnt in december 2014 op een blog van de Franse krant Le Monde een uitgebreid artikel met de titel: 'Het verloren geloof in Rami Abdulrahman'. De anonieme auteur verkondigt een vergezochte stelling, die niettemin door veel Syriërs wordt geloofd: het Observatorium is in het leven geroepen door het Syrische regime. Juist omdat Abdulrahman veel over misstanden van het regime bericht, zou het bij westerse journalisten geen argwaan wekken dat hij deze misstanden vaak afzwakt.

De anonieme auteur vindt het bijvoorbeeld vreemd dat het Observatorium na de bekende gifgasaanval in een buitenwijk van Damascus, in de zomer van 2013, over 183 doden sprak. Terwijl andere bronnen een schatting van rond de 1.400 doden maakten. En dan zijn er ook nog critici die vinden dat het Observatorium eenzijdige informatie verspreidt, bijvoorbeeld over Koerdische milities die in Syrië vechten. 'Die informatie komt rechtstreeks van het mediakantoor van de Syrische Democratische Strijdkrachten, die grotendeels uit Koerden bestaan', zegt Karam, een Syrische media-activist die voor een Europees persbureau informatie verzamelt.

In oude interviews geeft Abdulrahman weinig prijs over zijn persoonlijke leven, maar stelt hij zich wel op als criticus van het Syrische regime. Zo zegt hij te willen terugkeren naar zijn thuisland 'als Bashar al-Assad is verslagen'. Over de reden voor zijn vertrek uit Syrië beweert hij dat hij drie keer door het regime is gearresteerd wegens 'pro-democratische activiteiten'.

Een man ademt door een gasmasker in Jesreen, een buitenwijk van Damascus, in de zomer van 2013. Beeld reuters

Ook zegt hij nooit informatie te publiceren als die niet door meerdere bronnen is geverifieerd. The New York Times beschrijft hoe Abdulrahman zich zo vaak terugtrekt in zijn kleine zolderstudio dat zijn 10-jarige dochter hem soms vanuit de huiskamer via Skype belt.

Volgens Syrische journalisten en media-activisten klopt dit beeld dat Abdulrahman van zichzelf schetst niet. Zij stellen dat het Observatorium onnauwkeurig met informatie omgaat en veel missers op zijn naam heeft staan. Volgens chef Ghassan Yassin van het bekende Syrische mediakanaal Orient Net zijn er in zijn land geen journalisten te vinden die hun berichtgeving baseren op informatie van het Observatorium.

Wat Abdulrahman voor Syriërs onbetrouwbaar maakt, is dat hij vaak exacte dodentallen presenteert uit gebieden waar gebeurtenissen onmogelijk te verifiëren zijn. 'Neem Deir Ezzor', zegt journalist Ahmad Mhidi. 'Deze regio is in handen van IS. De terreurgroep beheert de internetcafés en houdt nauwkeurig in de gaten welke informatie uit de regio naar buiten wordt gebracht. Het is simpelweg niet mogelijk om ongemerkt informatie te lekken. Toch meldde het Observatorium in januari dat vierhonderd burgers in Deir Ezzor door IS waren gearresteerd. Dit werd gretig overgenomen door westerse media.'

Volgens Mhidi baseert het Observatorium zich geregeld op berichten die activisten op Facebook delen. 'Ik ben zelf lid van een aantal besloten groepen waarin Syriërs gebeurtenissen bespreken. Abdulrahman is ook lid. Soms zie ik informatie uit deze groepen terug in zijn persberichten.' Mhidi wil de informatie uit de besloten groepen niet delen, omdat hij bang is daarmee andere leden in gevaar te brengen.

Begrip

Ondanks de vele twijfels over het Observatorium, klinkt er hier en daar ook begrip. 'In oorlogstijd is het simpelweg niet mogelijk om het altijd bij het juiste eind te hebben, en het Observatorium komt vaak dicht bij de waarheid', zegt media-activist Karam. 'Alleen moeten journalisten altijd in hun achterhoofd houden dat de informatie selectief is.'

Hoe denken westerse media hierover? Persbureaus Reuters, AFP en AP willen niet reageren op vragen over het gebruik van informatie van het Observatorium, omdat ze 'niet geoorloofd zijn te praten over hun bronnen'.

Alex Burghoorn, buitenlandchef van de Volkskrant, vindt dit merkwaardig. 'De persbureaus hebben grote Midden-Oostendesks tot hun beschikking. Je zou verwachten dat ze zicht hebben op hoe betrouwbaar een bron is. Als krant gaan wij er ook van uit dat zij de feiten checken.'

Amnesty: 'accurate informatie'

Amnesty International haalt het Observatorium vaak aan in haar rapporten over mensenrechtenschendingen in Syrië. Volgens Sara Hashash van Amnesty heeft het Observatorium een groot netwerk en verspreidt het accurate informatie. 'Door de enorme omvang van het conflict en de vele mensenrechtenschendingen zijn we niet in staat alle informatie van het Observatorium te controleren', zegt Hashash. 'Maar in sommige gevallen hebben we informatie weten te verifiëren. Abdulrahman heeft ons vaak geholpen, bijvoorbeeld door databases met ons te delen.'

Gangbare bron

Het Observatorium geldt binnen de Volkskrant als een gangbare bron, 'die niet meer of minder betrouwbaar is dan andere bronnen uit Syrië'. Wel is Burghoorn sceptischer over de organisatie gaan denken sinds een bericht uit februari dit jaar. Raqqa is Being Slaughtered Silently, een actiegroep die zich net als het Observatorium zegt te baseren op bronnen ter plaatse, meldde toen dat acht Nederlandse strijders door IS in Syrië waren geëxecuteerd. Ook zouden 75 Nederlanders gevangen zijn genomen door de terreurgroep. Het Observatorium deed de informatie af als 'valse geruchten'.

'Sindsdien ben ik beide organisaties veel meer gaan wantrouwen', zegt Burghoorn. 'Als twee bronnen die gemiddeld gezien als betrouwbaar gelden zo in tegenspraak zijn met elkaar en er vervolgens ook geen opheldering komt, dan is het lastig om ze nog te geloven. Voor het noemen van dodentallen, bij de gevechten in Aleppo bijvoorbeeld, baseren we ons daarom hoofdzakelijk op VN-cijfers, vanuit de gedachte dat zij hun feiten hebben kunnen controleren.'

Ook Elske Schouten, die leidinggeeft aan de buitenlandredactie van NRC, is terughoudend met het gebruik van het Observatorium als bron. 'Abdulrahman is een activist, dus niet neutraal in het conflict. Hij zit op grote afstand en baseert zich op bronnen waarvan we geen idee hebben hoe betrouwbaar die zijn.'

Brechtje van de Moosdijk, buitenlandchef van RTL Nieuws, vindt dat 'uitspraken van de groep niet als waarheid gepresenteerd kunnen worden zolang die niet controleerbaar zijn.' Ze vindt het belangrijk dat haar team zelf relaties opbouwt met mensen in Syrië die betrouwbare informatie geven. 'Dat kost tijd, maar is wel een goede leidraad om een idee te krijgen van wat er speelt in bepaalde gebieden.'

Het grote verschil met andere Syrische bronnen is dat op het Observatorium moeilijk een etiket te plakken is. Bij andere bronnen staat vermeld dat ze pro-regime zijn of gelieerd aan een van de vele oppositiegroepen. Lezers kunnen de informatie dan zelf plaatsen.

Een man rent weg met een baby tijdens de aanval op 30 september op Kafr Batna, een buitenwijk van Damascus die gecontroleerd wordt door rebellen. Beeld afp

Het Observatorium werd in de beginjaren van de burgeroorlog nog aangeduid als een oppositiegroep die zich baseert op bronnen ter plaatse, maar die vermelding wordt steeds vaker weggelaten. En de naam zelf - met de combinatie van 'observatorium' en 'mensenrechten' - wekt de schijn van onafhankelijkheid, objectiviteit en betrouwbaarheid.

Zo duikt de berichtgeving van het Observatorium in veel media nog vaak ongefilterd op. Ook bij media die zich bewust zijn van de twijfels en die zich proberen te houden aan de journalistieke stelregel: één bron is geen bron.

'Een andere bron heeft altijd de voorkeur', zegt Burghoorn, 'maar die is er niet altijd.' Zo stond het Observatorium afgelopen dinsdag nog als enige bron in een stuk in de Volkskrant.

'We bekijken het per geval', zegt NRC-chef Schouten. En ook voor de NOS blijft het Observatorium van belang. 'De organisatie is een indicator van de strijd', stelt buitenlandchef Dick Jansen, 'en een middel om überhaupt nog over de oorlog in het land te kunnen berichten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden