De rebellie

Alles naar de ratsmodee

Andreas Pum heeft in de grote oorlog een been verloren, maar omdat hij is opgegroeid in een wereld waarin plichtsbetrachting de hoogste deugd was, deert hem dat niet.

Terwijl hij in een militair verpleeghuis van de schrik en de pijn zit bij te komen, verkneukelt hij zich al op wat hem nu te wachten staat. Een oorlogsinvalide is immers een gerespecteerd man. Zelf heeft hij bovendien een lintje gekregen voor zijn moed, dus met de rest van zijn leven zit het wel snor.

Vreemde wereld, die van de Donaumonarchie: zou er ooit een andere cultuur hebben bestaan waarin de doorgaans onberekenbare en capricieuze werkelijkheid zo sprekend leek op het ideaal dat zij van zichzelf had? We weten dat de burgers van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie gedurende die lange 19de eeuw van berekenbare vooruitgang er een uitgebalanceerd idee over zichzelf en hun maatschappij op na hielden, maar dat dat afgeborstelde, keurig gekamde en opgepoetste idee ook nagenoeg gelijk was aan hoe zij hun leven van alledag leefden en beleefden, houdt iets onnavolgbaars.

Andreas Pum, zonder been maar eveneens zonder wrok over dat ongemak, is ongenaakbaar: het woord 'plichtsbetrachting', tot de dood of de amputatie erop volgt, is vlees geworden - en met dat geloof kan zelfs een eenvoudig soldaat bergen verzetten. Terzijde staat de verslaggever Joseph Roth - snor, potlood, notitieboekje, kelkje: ook al zo'n betrouwbaar beeld, iemand speelt verslaggever en gelooft zodra hij zich vermomd heeft dat hij dat ook werkelijk is - en hij notuleert de verwachtingen en wederwaardigheden van Pum.

Ze staan in Roths laatste roman, het wat rafelige boek Rebellie. De Nederlandse vertaling daarvan - voor het eerst, sinds het boek in 1924 verscheen - voltooit het aantrekkelijke project van uitgeverij Atlas alle romans van Roth in het Nederlands beschikbaar te maken. Zij liggen er nu alle zeven.

Roth moet even geïntrigeerd zijn geweest door de metafysica van de Habsburgse cultuur als wij het, bijna een eeuw na haar ondergang, nog altijd zijn. Hij schreef al zijn romans rond het thema van de scheuren die haar zelfvertrouwen door toedoen van de Eerste Wereldoorlog opliep, over het betrekkelijke gemak waarmee al die zekerheden naar de ratsmodee werden geschoten en over de enigszins onnozele ontgoocheling die dat bij de trouwste dienaren van de keizer veroorzaakte.

Hij was opgegroeid in de leer, hij was erfgenaam van de zekerheden én hij stond er met zijn neus bovenop toen het ermee gedaan was. Dat de ondergang van de wereld van zijn jeugd tegelijkertijd ook zijn eigen ondergang was en nog geen generatie later zou uitmonden in de stelselmatige vernietiging van de specifiekere cultuur waaruit hij afkomstig was, namelijk die van het Oost-Europese jodendom, maakte hem de geëngageerde en bedremmelde verslaggever die niet lang hoeft te zoeken naar verklaringen voor wat hij waarneemt. Die verklaring droeg hij immers bij zich, in zijn angst en vrees, in zijn schrijfdrift en drankzucht.

'Van zijn voorouders had hij een scherp ontwikkelde zin voor orde geërfd', heet het over een van de personages in Rebellie. 'En hij had het gevoel dat het huidige tijdsgewricht de tendens vertoonde de orde op verschillende terreinen te verstoren.' Die balans staat zo scherp afgesteld, dat zelfs een kleine aanvaring op de treeplank van de tram al voldoende is om chaos teweeg te brengen. Andreas Pum heeft een vergunning gekregen om met een draaiorgeltje op zijn rug en al hinkend op zijn houten prothese zijn kostje te verdienen, maar niet om bezwaar te maken tegen het duwen en trekken van burgers bij het bestijgen van de tram. Van de botsing komt een val, van de val een verwijt en dan is het gedaan met het comfort van de oorlogsinvalide. Want wie verwijten begint te maken morrelt aan het idee van plicht, zoekt naar kieren tussen zijn noodlot en zijn levenslust.

Orde kan slechts gehandhaafd worden als iedereen zich eraan houdt - en juist dan valt er niet veel t

e handhaven. De kleine rebellie van de orgeldraaier kondigt de grote rebellie aan van revolutie en weerzin tegen alles wat in de Donaumonarchie van voor de Eerste Wereldoorlog heilig was geweest. Maar in feite is die rebellie op zichzelf minder fnuikend dan het ineenzijgen van het zelfvertrouwen, het stoppen van het perpetuum mobile waarin de resultaten van de vooruitgang tot dan toe spijkerharde garanties bieden voor de toekomst. Ook de maatschappelijke orde kan slechts gehandhaafd worden als iedereen zich eraan houdt. Juist voor haar gaat de chaostheorie in volle glorie op: een beetje duwen op de treeplank van de tram kan ten slotte een kroon doen rollen.

Vreemde wereld. Joseph Roth laat zijn held postuum de almachtige schepper ter verantwoording roepen. Die moet maar eens uit de doeken komen doen waarom de wereldse wetten en wetmatigheden ten slotte louter zinloosheid toedekken. God houdt echter zijn mond, zoals Hij altijd doet: de oorlogsinvalide kan naar de hel lopen. En de verslaggever moet het zelf maar uitzoeken.

Hij wist het antwoord trouwens al: ook die wetten gelden alleen voor wie erin gelooft. De wereld gaat aan scepsis ten onder.