De radicalen hebben de hele wereld GEEN UNIVERSUM, DE HUISBIOSCOOP VAN HARRY MULISCH

DE WERELD terugbrengen tot een systeem, tot mathematisch geordende formules, de toverachtige schoonheid van die cijfer- en lettercombinaties die aan de oorsprong liggen van wat was, is en komen zal....

Daarbij is het zijn opvatting dat een astrologisch of kabbalistisch systeem als basisprincipe alleen al in aanmerking komt, omdat het eeuwen her is uitgedacht. Bijgevolg reikt Mulisch dikwijls terug naar de Grieken en de Egyptenaren.

We leven in een wereld waarin God door de techniek is vervangen. De magie en de mythe dreigen verloren te gaan, ja de mensheid zelf wordt door haar eigen uitvindingen belaagd. Gelukkig is daar de schrijver nog. Hij is godgelijk, want hij kan een wereld scheppen. Hij is vrouwgelijk, want hij baart een boek dat een eigen wil heeft en een eigen leven begint, zodra het de maker verlaat. Hij is, als we helemaal teruggaan, een collega van Thoth, de Egyptische god die het hiërogliefenschrift uitvond. In den beginne was het woord. Die verhalen zijn zo oud, daar moet wel iets hogers en waars inzitten.

Harry Mulisch is hier op zijn beurt nu al zo lang mee bezig, dat die volharding alleen al op een prestatie begint te lijken. Alles hangt met alles samen, de fysische wereld met de metafysische, en het is de schrijver die deze band intact houdt. Dixit Mulisch, maar intussen heeft hij een organisch oeuvre op zijn naam staan, waarin de dwarsverbanden en referenties zo opzichtig zijn aangebracht dat je moet vrezen dat de schrijver zijn eigen gelijk bewerkstelligt, in plaats van dat derden hem dat eventueel kunnen geven.

Zijn tiende roman De procedure helpt ongetwijfeld weer menig neerlandicus aan een onderwerp voor een doctoraalscriptie of dissertatie. Kunnen ze motieven en metaforen gaan turven en aanstrepen. Tip: let op de keren dat klei ter sprake komt, het materiaal waarvan ooit de golem werd geboetseerd én dat bestaat uit microscopische kristallen, het begin van DNA. Tip twee: houdt het getal drie in de gaten, en je ontdekt verscheidene drielingen, de drie Egyptische piramides, de drie Aktes waaruit De procedure bestaat.

Pluis uit welke uitspraak verwijst naar eerder werk van de meester, en welke naar joodse, Griekse en Egyptische geschriften. Toen deden ze dit soort dingen ook al, is de procedure die Mulisch opnieuw volgt, en als ik een nieuw verhaal verzin, klinken die oude daarin mee. Dat is zulk een toeval dat het geen toeval meer is. En dat is weer een parallel, om niet te zeggen een paradox, en daarop rust de compositie van de wereld. Pure magie en alchimie, dat schrijven, de transcendentie in uitvoering.

Deze roman bevat evenveel letters als het DNA van de kleinste wezens die wij op het ogenblik kennen, de extremofiele Archaea. Dat kan geen toeval zijn. Nee, maar om die kale reden hoeft het ook niet meteen waar en mooi te zijn. Dat wij met dit boek de kern van alle leven in handen zouden houden, die wij gaan bezielen door De procedure te lezen, is meer een spelletje voor de Chemische Jongensclub.

Mensenwerk dus, geen godenwerk. Harry Kurt Victor Mulisch splitste zich op in Victor Werker en Kurt Netter. De ene is een scheikundige die een vermaard microbioloog is geworden, die uit anorganische materie een primitief organisme heeft gefabriceerd. Hij is de twintigste-eeuwse technische mens die alles kan maken, zelfs leven, door het toepassen van formules die uit letters bestaan. Zo beroemd is hij dat hem wel eens de Nobelprijs kan worden toegekend (die kan Mulisch gevoeglijk vergeten, want een dergelijke brutale sollicitatie zal het Zweedse comité niet behagen).

In Harry's Bar (zoiets verzin je niet) te Venetië komt hij Kurt Netter tegen, een arrogante 70-jarige schrijver en dialectische wijsgeer met de oogopslag van een 17-jarige ('Zeventig? Ik? Quatsch. Zeventien eerder', schreef Mulisch onlangs in de rede Het zevende land). De schrijver heeft een jonge vrouw, een kindje en een teckel, en ook heeft hij een tentoonstelling georganiseerd. Later in het boek komt hij nog een keer terug, net als Willem Frederik Hermans, die het in Au pair (1989) evenmin kon laten tweemaal op zijn creatie Pauline af te stappen.

Kurt Netter begrijpt Victor Werker beter dan Victor Werker zichzelf. Niet vreemd, immers een schrijver ziet de grote verbanden nog wel, waar de moderne wetenschapper dat overzicht is verloren. Netter is een absolutist, een extremofiel zogezegd: De radicalen hebben de hele wereld. Kijk maar naar Picasso, Lenin of Einstein. Wie over de schreef gaat, heeft het voor het zeggen.

Netter zal Werker aanmerken als tweede Pygmalion (die een ivoren beeld maakte van een vrouw, dat tot leven kwam). Het aanwijzen is de kunst. Dat is wat Mulisch deed, doet en zal doen, en op zo'n manier steekt hij met elk boek zichzelf een pluim op de hoed.

Het schema dat aan De procedure ten grondslag ligt, wordt braaf uitgewerkt. De roman is een genot voor pluizer en puzzelaar: dat restaurant Mirafiori, zit Mulisch daar niet regelmatig zelf te eten? En zien wij niet ook bijrolletjes weggelegd voor Frits Staal, Rudi Fuchs en Marcel van Dam (hier Arthur Marcelis), leden van de ouderejongenskletsclub onder voorzitterschap van Harry Mulisch?

Met de bravoure en de verwijzingen zit het snor. Met het vertellen minder. Mulisch heeft de hinderlijke tic voortdurend de woorden 'bijkans' en 'kennelijk' te gebruiken. Hij is nonchalant in de afwerking, wat niet alleen blijkt uit 'de stapel post, dat', of 'een pak melk, die,' maar ook uit de gemakzuchtige schets van het Praagse jodengetto vol met zweren en puisten overdekte kreupelen en dwergen, die zich vastklampen aan passerende benen, of uit de clichématigheid waarmee het jaar 1950 wordt geïllustreerd: een vrouw maakt een fles wijn open en zet een plaat van Georges Brassens op. Alsof Mulisch de wereld uit de krant of een geschiedenisboek kent, en aan die samenvattingen genoeg heeft voor de zijne - hetzelfde manco kortom waardoor de De aanslag (1982) bleef steken in een voorbeeldige invuloefening.

Echt beschamend slecht geschreven is een erotische scène waarin vader Werker zijn hand tussen de benen van zijn vrouw werkt. Daar bleek zich opeens een tropisch moeras te bevinden, zoals hij die op Sumatra had gezien, en waarin hij nu allereerst met zijn bewustzijn wegzonk, terwijl zij haar activiteiten staakte maar daarop met verdubbelde furie aan zichzelf begon te rammelen. Wat een feest, staat er ook nog. Was hij leerling aan de Schrijversvakschool, Mulisch zou met strafwerk naar huis zijn gestuurd.

Geen magie, geen raadsels. Geen universum, maar de huisbioscoop van Harry Mulisch. In de derde eeuw, vertelt hij, vatte een joodse neo-pythagoreeër de schepping van de wereld samen in vijf A4-tjes. Woorden, en geordende combinaties van woorden, bleken aan de oorsprong te liggen van het leven. In 1994, gaat Mulisch verder, is er een wetenschapper die de overgang van dode naar levende materie in vijf A4-tjes met DNA-tekstcombinaties beschreef.

Frappant? Neu, want die overeenkomst, die dan op een mythische samenhang moet wijzen waar de schrijver alles van weet - die zit de hele dag van niets iets te maken -, is door Mulisch zelf in het leven geroepen. Je begrijpt wel steeds beter waarom het met zijn natuurwetenschappelijke ambities nooit wat is geworden. De universiteit ziet hem aankomen.

Naast dit gegoochel, waar niet veel mysterie aan te ontdekken is, doet Mulisch een poging een menselijk drama in zijn systeem onder te brengen. Victor Werker is namelijk niet alleen een jaloersmakende kei in zijn vak, hij is ook verdrietig omdat zijn vriendin Clara Veith een jaar geleden bij hem is weggelopen. Zij zou een kind van hem krijgen. Het meisje werd drie weken te vroeg en dood geboren. Victor was daar niet bij aanwezig. Hij vluchtte het ziekenhuis uit, omdat de herinnering aan zijn moeder die hem al vroeg verliet (zie Mulisch' leven) hem te veel werd. Dat heeft Clara hem niet vergeven.

Hij wil de binnenhuisarchitecte terug. Met dat doel schrijft hij haar brieven, zogenaamd gericht aan zijn ongeboren kind Aurora, wie hij zijn leven en fascinaties uit de doeken doet. Zoals Jostein Gaarder de filosofie verkleutert, en Hans Magnus Enzensberger de wiskunde, zo krijgen de lezertjes van De procedure een les te behappen microbiologie voorgeschoteld.

Wilde ik, vraagt Werker zich na een zoveelste abstraherende gedachte af, uit zelfbehoud ons ongeluk in een groot kader van ruimte en tijd plaatsen, zodat het klein werd, een miniem incident, dat op een dag vergeten zou zijn, als mama en ik er niet meer waren.

Er komt geen antwoord, want Aurora is dood en Clara geeft geen sjoege. Ook niet in het beste hoofdstuk, 'Nacht', wanneer de vertwijfelde Victor zich de verschillende reacties inbeeldt die Clara kan geven als hij belt, tegen haar verbod in.

In feite praat hij tegen zichzelf. Uit zelfbehoud?

Dáár had het gekund. Werkelijk over de schreef gaan. Het lek in de voetbal. De sabel in het eigen hart gedreven. De praatjes en grapjes tot zwijgen gebracht, om zonder omtrekkende beweging te kunnen onderzoeken wat een schepper met zijn leven moet aanvangen - niet met Het Leven of Het Universum.

De reflectie op het eigen werk en op de pretenties daarvan, die je mag verwachten wanneer de romantitel erop wijst dat Mulisch de onderkant van zijn tapijt gaat tonen, blijft echter uit. De schrijver treedt niet buiten zijn eigen werkstuk, zoals Atte Jongstra (Disgenoten) en Nanne Tepper (De vaders van de gedachte) in hun jongste romans wel aandurven. Die twee morrelen aan de harmonie van het kunstwerk. Zúlke radicaliteit brengt onrust en vitaliteit in de letteren.

Slechts even spant het erom, maar op het hoofdstuk 'Nacht' volgt helaas weer 'Dag'. De fabriek draait vervolgens op volle toeren, Pygmalion en Thoth komen weer uit de kast (want alles wat twee keer gebeurt, heeft alleen daarom al een buitengewone betekenis), en met een bekende schrijverstruc breit Netter/Mulisch een einde aan het leven van Victor Werker, hetgeen tegelijk een zaligverklaring betekent. Victor staat te boek, is opgenomen in de hemel van Mulisch-personages (het Verzameld Werk, VW!), dus kan de lezer hem nu tot in de eeuwigheid tot leven wekken. De vrouw Clara en het kind Aurora zijn alleen ter sprake gebracht om iets te kunnen beweren over het baren, de dood, en de overgang tussen een en ander.

Pas op zijn zeventigste verrichtte de rabbi Jehuda Löw in het zestiende-eeuwse Praag een wonder, door een golem te maken. Zou Mulisch met dat verhaal de hint willen geven dat hij zelf pas nu dit nieuwe hoogtepunt in zijn oeuvre kon schrijven? Heel wel denkbaar, want waar het Harry, Kurt & Victor aan ontbreekt, is zelfkennis.

Dit boek bevat 72.654 nieuwe woorden, die er al waren. Ergens, in een andere wereld, lagen ze te wachten. Ze hoefden enkel nog bezield te worden. Maar Harry Mulisch was niet de geschikste kandidaat om de woorden bloed te geven. De procedure is een smetteloos geconstrueerde roman. Och heden, hoezeer is De procedure smetteloos geconstrueerd. Wie een rustgevend boekske zoekt in deze onttoverde tijden, weet waar hij terecht kan.

Arjan Peters

Harry Mulisch: De procedure.

De Bezige Bij; 301 pagina's; * 49,90.

ISBN 90 234 3714 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden