De prinses en de paradijstuin

Lachsprookjes zijn de leerschool van de literatuur

Moddergooien, schoppen en schelden: alles wat niet netjes is voor prinsessen, doen die van Dolf Verroen en Thé Tjong-Khing lekker toch. In De prinses en de paradijstuin en andere prinsessenverhalen is te horen en te zien dat die eeuwige sprookjes ook anders af kunnen lopen: 'Ze leefden nog heel lang en heel ongelukkig.'

En dat is maar goed ook, want lachsprookjes zijn de leerschool van de literatuur. Wie kan genieten van een sprookjesparodie, heeft de eerste en dus belangrijkste stap in de letteren gezet. Daarvoor waren verhalen nog gewoon verhalen, ineens blijkt er veel meer mee te kunnen. Kennelijk zijn er regels en daar kun je de draak mee te steken. Het literaire spel is begonnen.

Het is daarom jammer dat er in Nederland maar zo zelden goede sprookjesparodieën verschijnen. De beste is nog altijd de hoogst vermakelijke bundel Heksen en zo (1964) van Annie M.G. Schmidt, tegenwoordig opgenomen in Allemaal sprookjes (Querido, € 19,95). In het verhaal 'Roel-met-gevoel' leert een al te zachtaardige prins bijvoorbeeld dat het beter is om af en toe geweld te gebruiken om een land te kunnen regeren.

Het bekendste buitenlandse voorbeeld is natuurlijk de latere blockbuster Shrek! (1990) van William Steig, maar veel leuker is de op dit moment helaas niet nieuw verkrijgbare verzameling Gruwelijke rijmen (1982) van Roald Dahl. Daarin verbouwt hij sprookjes roekeloos rappend tot bloederige avonturen. Er loopt bijvoorbeeld een moordlustige Roodkapje rond met een grote revolver in haar slip. Deze klassiekers horen in elke kinderkamer thuis.

De prinses en de paradijstuin vormt vergeleken met deze grootheden niet echt serieuze concurrentie. Maar het aardigste sprookjesboek-maar-dan-even-anders sinds tijden is het zeker wél. Eén prinses verkoopt haar gouden hart aan de koningin van een buurland, en krijgt daar veel geld maar geen geluk voor terug. De porseleinen prinses wil alleen maar met de tuinman trouwen, de enige zachtaardige man in haar rijk. De ruzieprinses is pas gelukkig als ze een prins vindt die net zo slecht tegen zijn verlies kan bij het mens-erger-je-nieten als zij. Jongens, dat moge duidelijk zijn, hebben tussen deze twee kaften niet zo heel veel te zoeken.

De verhalen zijn verteld op een gedragen sprookjestoon en lezen heerlijk voor. Dat mag ook wel, want Dolf Verroen (1928) is een van de oudste en meest ervaren kinderboekenschrijvers van dit land. Hij heeft met nog net geen honderd titels een enorme staat van dienst, maar toch vooral met toegankelijke schoolverhalen zoals De verschrikkelijke schooljuffrouw en maatschappelijk betrokken boeken als het vier jaar geleden in Duitsland wél geruchtmakende Slaaf kindje slaaf.

Gek eigenlijk, dat hij hier zo onbekend is. Dat komt misschien door de vaak wat onopvallende uitstraling van zijn boeken. Aan dit sjiek vormgegeven werk, geïllustreerd door de ook al niet meer zo jonge Thé Tjong-Khing (1933), zal het in elk geval niet liggen: hopelijk krijgt hij hiermee nu eindelijk de aandacht en de waardering die hij verdient.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden