De popcultuur van moderne journalistiek

Je vraagt je af wat er allemaal zo belangrijk was dat het op de voet gevolgd moest worden. Geen kattendrek, dat staat vast. Indië, Korea, Berlijn, de AOW, watersnood, bestedingsbeperkingen, Soekarno, Boedapest, Spoetnik, de Andrea Doria, Suez, Kennedy, Cuba, Luther King, Vietnam, Praag. Gebeurtenissen van jewelste met veelal de Koude Oorlog als master narrative.

Wat moesten al die gewone stervelingen ermee? Ver van hun bed, geen direct belang of instrumentele waarde. Toch vond men het belangrijk om op de hoogte te blijven. Het hoorde bij het ‘actieve’ burgerschap van de civic generation, zoals de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam die geëngageerde naoorlogse volwassenen heeft genoemd. De krant had dezelfde vanzelfsprekendheid als ‘water, gas, elektra’. Vaak ging het samen met het lidmaatschap van politieke partij en vakbond, vrijwilligerswerk, deelname aan het verenigingsleven en, uiteraard, de plechtige gang naar de stembus. De ‘stille generatie’ kende haar burgerplicht.

In Bowling Alone (2000) schetste Putnam hoe hier in de VS al midden jaren zestig de klad in kwam. Niet omdat de civic generation afhaakte – die volhardde in haar eenmaal gevormde gewoonten. Nee, elke nieuwe generatie liet het er nadien een beetje meer bij zitten. Bijgevolg gaat iedereen nu moederziel alleen naar de kegelbaan: bowling alone.

Dit beproefde schema van gestage maatschappelijke onthechting is het uitgangspunt voor Tuned Out van de Amerikaanse perswetenschapper David T.Z. Mindich. Ondertitel: Why Americans Under 40 Don’t Follow the News. Mindichs analyse is onbarmhartig. Nee, we gaan het nieuws met het klimmen der jaren niet beter volgen. En nee, internet heeft zich niet ontpopt als vervangende serieuze nieuwsbron. Elke generatie bedient zich van een eigen mediamix en houdt daar in grote lijnen aan vast.

Tot zover weinig nieuws. Mindich inventariseert wat er vanuit generatieperspectief over tijdbesteding, mediaconsumptie, lees-, kijk-, luister- en internetgedrag bekend is. Feiten die een eind komen om de snelle daling van krantenoplagen te verklaren. Vervolgens werpt hij een blik achter al die cijfers via diepte-interviews met high school-leerlingen, (journalistiek)studenten, bankbediendes, Survivor-kijkers, college-basketballers, acteurs. In totaal 58 jongeren. Waarom volgen zij het nieuws niet - zijn daar uitzonderingen op? -, wat doen ze wel, wat beweegt hen, wat zijn hun behoeften, emoties?

Zo komt hij te weten dat hun kennis van traditionele nieuwsfeiten abominabel is. Zelfs gevorderde studenten kunnen niet ook maar één lid van het Hooggerechtshof noemen. Zangeres Alicia Keys kennen ze daarentegen bijna allemaal, net als basketbalidool Allen Iverson.

Voor de doorsnee veertig-minner heeft de klassieke nieuwsagenda geen urgentie meer – een enkele uitzondering daargelaten. Nieuws doet er nauwelijks toe, heeft niets met hun leven te maken. Bovendien zijn de media oppervlakkig, onbetrouwbaar, ongeloofwaardig, corrupt zelfs. Geen tijd wegens druk, druk, druk, zoals ze zelf beweren? Niks daarvan, tijd zat, alleen besteden ze die aan entertainment, soaps, realityshows. Daarover lezen ze zelfs – op internet – en kleppen ze eindeloos met elkaar. Die namaakwereld boeit wel, amuseert, is emotioneel bevredigend; kwaliteiten waartegen onthechte, objectiverende journalistiek het aflegt.

Mindich oppert dat de professionele afstandelijkheid van serieuze, ‘neutrale’ media mede debet is aan hun malaise en nog hun ondergang zal worden. Dat is bitter nieuws voor de democratie, die niet zonder geïnformeerde burgers en een levendige openbaarheid kan. Als onmiskenbaar politiek correcte liberal stelt hij met merkbare tegenzin zelfs de rechtse retoriek van het, ook onder jonge kijkers populaire Fox News ten voorbeeld. Zo kan het ook. Nieuws doordrenkt van emotie en opinie. Het breekt weliswaar met de – liberale? – objectiviteit, maar biedt kansen voor ‘een nieuw soort journalistiek voor jonge mensen’.

Waaruit zou die kunnen bestaan? Mindich ziet niets in wat zo’n beetje alle Amerikaanse kranten en nieuwsprogramma’s nu doen: meer Britney Spears, minder George W.. Die wanhoopspoging om voor jonge mensen relevant te zijn, maakt ze voor iedereen irrelevant. Maar zijn eigen restauratieve oplossingen overtuigen evenmin. Draai de deregulering uit de jaren tachtig terug, versterk de publieke functie van – commerciële – media, ga mediaconcentraties en cross-ownership (tv, krant, internet) tegen, verplicht fabrikanten om news portals op al hun pc’s te installeren, stop meer burgerschapskunde in het onderwijs, maak de politiek ‘weer’ betekenisvol, laat public journalism het publiek daarbij betrekken. Allemaal even goedbedoelde als kansloze adviezen. Zelfs als zijn receptuur als door een wonder zou worden opgevolgd, is de kans miniem dat het jonge volk zijn mediagedrag erdoor zou laten veranderen.

Interessanter en pertinenter is Mindichs notie dat passie en emotie niet per definitie rechts zijn. Wat Fox doet, kunnen neutrale, onpartijdige nieuwsmedia ook. Kom uit de plooi, weg met die uitgestreken gezichten en stropdassen. Stop meer jongeren in het nieuws, praat niet over hen, laat ze zelf aan het woord, kruip in hun huid, sluit aan bij hun belevingswereld. Het zijn de voornaamste concessies die Mindich doet aan de conventionele ‘moderne’ nieuwsagenda om jongeren weer in het nieuws te interesseren.

Irene Costera Meijer, communicatiewetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam, gaat in De toekomst van het nieuws fikse stappen verder. In opdracht van het NOS Journaal onderzocht ook zij waarom jonge mensen serieus nieuws doorgaans versmaden. Ze kwam tot vergelijkbare bevindingen als haar Amerikaanse tegenhanger. Zij stelde honderden vijftien- tot vijfentwintigjarigen - scholieren en studenten - vergelijkbare vragen, liet student-onderzoekers diepte-interviews afnemen en komt op hoofdlijnen tot dezelfde bevindingen als haar Amerikaanse tegenhanger.

Nieuws is als levertraan: het is goed voor je, het moet eigenlijk, maar lekker is anders. Zelfs journalistiekstudenten kijken liever naar het onechte RTL Boulevard dan naar het o zo echte maar geeuwend saaie NOS Journaal, en snacken, soapen, sitcommen, zappen, multitasken, chatten, sms’en en bricoleren er à la Lévi-Strauss lustig op los. Alleen gaat Costera Meijer veel minder vooringenomen en normatief dan Mindich met die feiten om. Haar analyses graven uiteindelijk dieper, en haar ‘oplossingen’ zijn origineler en gedurfder.

Het grote verschil is dat Costera Meijer de populaire cultuur niet walgend afwijst. Voor haar is het ‘postmoderne’ pandemonium een vocabulaire dat op eigen wijze, met andere middelen, genres, formats en stijlfiguren, waardevolle publieke functies kan vervullen. In een achtbaan van adembenemende paradoxen voert ze haar tegenstribbelende, tragisch ouderwetse ‘moderne’ lezer die andere ‘openbaarheid’ binnen. Tegenover – of naast – de ‘moderne nieuws-taal’ staat een ‘postmoderne informatietaal’. Daarin wegen ervaring, meemaken, Verstehen zwaarder dan kennis en inzicht, wint participatie het van afstandelijkheid, zegt beeld meer dan tekst, verdringt binding autonomie, heerst anarchie over hiërarchie.

Costera Meijers voorbeeldige en fascinerende verhandeling staat mijlenver van Mindichs defensieve ideeën om de kijker/lezer/luisteraar keuzes te ontfutselen, en van zijn ‘opleuken’ van het nieuws – die echo van de beatmis, die toch vooral de wanhoop en irrelevantie van een leeglopende kerk onderstreepte. Ook levertraan met een smaakje is onverteerbaar. Het vernuftige van De toekomst van het nieuws is ook dat Costera Meijer, trouw aan haar postmoderne beginselen, niet kiest. Voor beide logica’s is plaats onder de zon.

Ook jongeren zelf eisen niet dat nieuws geherdefinieerd en versneden wordt. Als er echt iets aan de hand is, willen ze kunnen terugvallen op de moderne nieuwsagenda en -behandeling. Jasje, dasje, feitelijk, onthecht. Zulk nieuws moet er zijn als water uit de kraan, niet vervuild door subjectivering en infantilisering. Want paradoxaal genoeg erkennen zij de scheidslijn tussen de ‘echte’ wereld en het escapistisch universum, ironisch, empathisch, relationeel, meer communicatief dan informatief, waarin zij zich dagelijks wentelen.

Dat spiegelpaleis is niet heel de wereld, wel een cruciaal deel van de postmoderne wereld. Het vervult daarin zelfs allerlei nuttige – democratische, morele, gemeenschapsvormende, informerende – publieke functies. Zoveel maakt Costera Meijer overtuigend duidelijk. Maar ook dat er een toekomst is voor enkele bastions van hopeloos ‘moderne’ kwaliteitsjournalistiek. Voor als er echt iets aan de hand is.

Irene Costera Meijer: De toekomst van het nieuws. Otto Cramwinkel; 187 pagina’s; € 29,50. ISBN 90 75727 28 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden