De Parijse jaren van avonturier Curzio Malaparte

Na WOII verbleef Curzio Malaparte, de avonturier die roem verwierf met zijn genadeloze oorlogsboeken, twee jaar in Parijs. In zijn dagboek is de ingeslikte woede vaak voelbaar.

Een formidabele gesprekspartner moet hij zijn geweest. Intelligent, ad rem, buitengewoon erudiet en gezegend met een vechtlust die hem elk twistgesprek liet winnen. Zo portretteert Curzio Malaparte zichzelf in Dagboek van een vreemdeling in Parijs, het verslag van een tweejarig verblijf in zijn geliefde en gehavende Frankrijk, 1947-'48.

Een dagboek in de gebruikelijke zin is het niet. Per uur en dag genoteerde voorvallen ontbreken er niet in. Maar die fungeren vooral als vertrekpunt voor beschouwingen over de taak van cultuur, politiek en filosofie in een wereld die nog nasmeult van de recente wereldbrand. Voor triviale notities is bij zulke grote thema's vanzelf geen ruimte, zoals ook zonder toelichting wel duidelijk wordt dat al die diepe gesprekken met tijdgenoten waarvan Malaparte verslag doet grondig zijn gestileerd. Of, zoals de schrijver het formuleert in zijn voorwoord: 'Een dagboek is een toneelstuk op de planken van de pagina.'


In al die beschouwingen en dialogen duikt één thema steeds op: Frankrijk voelt zich gedemoraliseerd door de verliezen in 1940-'45 en aan de Italiaan Malaparte - de buitenstaander die het scherp ziet - de taak de in zelfbeklag verzonken natie aan haar grootse taak in Europa te herinneren. Desnoods wat hardhandig, mochten de gesprekspartners zich doof houden.

In het schrijversleven van Curzio Malaparte, het alias van Kurt Erich Suckert (1898-1957; Duitse vader, Italiaanse moeder), was weinig ruimte voor twijfel en ander 'onmannelijk' sentiment. 'Ik hou van oorlog, zoals elke sterke man', bekent de auteur en hij somt op waaraan hij nog meer waarde hecht: 'krijgstucht, wedijver, eigenliefde, eerzucht en moed'. Geen verrassende woorden voor wie de genadeloze oorlogsboeken kent die Malaparte roem bezorgden: La pelle (De huid, 1949) en Kaputt (1944), deels gebaseerd op zijn eigen avonturen aan het Oostfront.

Interessant aan Malapartes dagboek is dat tussen al die vastberaden regels door heel wat wordt getobd. Hij voelt zich inderdaad 'een vreemdeling in Parijs' - hij is niet alleen de vertegenwoordiger van een land dat in de oorlog aan de foute kant stond, maar ook een avonturier met een onduidelijk politiek verleden (zwalkend tussen fascisme, collaboratie en verzet) en daarom gewantrouwd of erger door juist die Franse intellectuelen die hij tot zijn gelijken rekent.

Illustratief is zijn ontmoeting met Albert Camus, waarvan hij zich vooraf veel had voorgesteld ('ik heb vele redenen tot genegenheid, respect en erkentelijkheid jegens de auteur van L'Etranger'). Camus doet echter geen moeite zijn afkeer te verbergen en zegt raillerend dat wat hem betreft alle oude fascisten opgeknoopt mogen worden. 'Ik vind het altijd jammer om onbegrip, haat, sektarisme te ontmoeten', schrijft Malaparte daarna met een vroom mondje in zijn dagboek, 'ik doe altijd mijn best om me niet naar hetzelfde niveau te laten meevoeren.'


Curzio Malaparte in Parijs, 1947. Tussen al die vastberaden regels door wordt heel wat gepiekerd.Beeld HH

Dat hij intussen razend is, laat zich raden. Afgeschilderd te worden als een collaborateur of nazivriend, terwijl zijn bijdragen aan het Italiaanse verzet - in elk geval in zijn ogen - 'beslist niet onderdoen voor die van een François Mauriac, een Camus, een Sartre'. Maar aangezien Malaparte je gelijk halen niet tot de mannelijke deugden rekent, weigert hij voor zichzelf op te komen: 'Ik ben niet naar Frankrijk gekomen om mijn papieren als verzetsstrijder uit te venten.'

De ingeslikte woede is in veel passages voelbaar, woelend onder het oppervlak of omgezet in een geforceerde hardheid. Een vrouw stelt een vraag: hoe gaat een bedrogen man om met het kind dat zijn naam draagt, maar niet van hem is? Malaparte: 'Als die man echt sterk en rechtvaardig is, moet hij dat kind ombrengen.'

Veelbetekenend zijn ook de passages waarin Malaparte beschrijft hoe goed het hem doet om 's nachts op straat met de honden mee te blaffen - een bezigheid die vooral bedoeld lijkt om brave burgers uit hun slaap te houden. Een politieman maant hem op te houden. 'Het begint met blaffen, mijnheer, en het eindigt met bijten.' En een getergde hotelier stelt voor hem tegen hondsdolheid te laten behandelen: 'Dat zijn erg pijnlijke injecties.'


Gekte

Ook in ogenschijnlijk serieuze pagina's ligt de gekte op de loer. De cultuurfilosofische vergezichten nemen dan zulke proporties aan, dat de schrijver door een lucide waanzin lijkt bevangen. Zie zijn verhandeling over de innerlijke houding die een wandelaar dient aan te nemen op de Place de la Concorde ('röntgenfoto van het Franse volk'), of zijn impressie van de kathedraal van Chartres: 'Het is Gods aangezicht. Het is Gods vreselijke aangezicht. Het is de vaste, roerloze, onveranderlijke, droeve en boosaardige flits in Gods aangezicht', enzovoort.

Een welkom contrast vormen de rustige passages over zijn stadswandelingen, niet langs de glorieuze monumenten, maar door arme volksbuurten waar het stinkt naar pek en kolenstook, als in het Parijs van inspecteur Maigret. In zo'n buurt bezoekt hij een 'proletarisch zwembad', waar jongens zonder zwembroek zwemmen en kranten klaar leggen om als ze uit het water klimmen voor hun kruis te houden. Malaparte is geraakt door 'de waardigheid van de arbeidersjeugd' die 'iedere vunzige gedachte' uitsluit, maar registreert meteen ook om welke kranten het gaat: vooral L'Humanité, Ce Soir en Combat ('linkse kranten of verzetskranten').

Van Sartre en de jonge existentialisten met hun slobbertruien ('een etiketloos zootje') moet hij niets hebben. Scherp gezien, in 1947: 'De mode van het lange haar, de ongeschoren kaken, de rouwranden, de slonzigheid is de mode van heel Europa [...] Het is een gevolg van de onbewuste behoefte om te lijken op het basiselement van de moderne samenleving, de massa.'


Ideaal

Hoe het dan wel verder moet met Frankrijk en Europa? Alles beter dan Sartre en het marxisme ('brengt ons terug bij de godsdienstoorlogen'), maar echte alternatieven heeft Malaparte niet te bieden. Zijn ideaal is artistiek-utopisch: terug naar het Frankrijk van de 18de eeuw, naar 'het wezenlijke, zuivere, magere rationalisme van Lodewijk XV', en - daar is de martiale taal weer - het 'totaalengagement van hoofd, hart, geest, houding, karakter'.

Gewoon geestig zijn kon Malaparte gelukkig ook. De ontmoeting met een Parisienne: 'Ze zou knap zijn als ze knapper was.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden