De opbloei van de jazz in bezet Parijs

Non-fictie De Duitse bezetters hielden niet alleen van Beethoven, maar ook van Louis Armstrong...

Het was de symbolische triomf van Frans raffinement over Duitse domheid: de goocheltruc waarmee jazzpaus Hugues Panassié tijdens de Tweede Wereldoorlog de nazi-controle op zijn radioprogramma wist te omzeilen. Midden in de uitzending kwam de Duitse censor binnen vallen: wat werd er gedraaid? Panassié wees op het etiket van de plaat die hij net wilde opzetten, La Tristesse de Saint Louis, en legde behulpzaam uit dat het een droevig lied over Lodewijk XIV was. De Duitser vertrok tevreden, zonder te beseffen dat onder het Franse nep-etiket de ware titel van de plaat schuilging: St. Louis Blues, gespeeld door Louis Armstrong.

Een goed verhaal, te mooi om stuk te checken, moet de Amerikaanse journalist Mike Zwerin in 1985 hebben gedacht, toen hij materiaal verzamelde voor een boek over de Europese jazz in de oorlog. Hij ontleende er zelfs zijn titel aan: La Tristesse de Saint Louis – Swing under the Nazis. En sindsdien is deze anekdote een paradepaardje geworden van de geaccepteerde wijsheid inzake de jazz als verboden muziek tijdens WO II – tot 25 jaar later een Fransman besloot op zoek te gaan naar de echte feiten.

Gérard Régnier (76) is zowel geschiedenisdocent als beroepsmuzikant geweest en promoveerde na zijn pensionering op het historische onderzoek dat nu het boek Jazz et société sous l’Occupation is geworden. Hij hanteerde daarbij een simpel (maar arbeidsintensief) principe: vertrouw niet op de standaardverhalen die de betrokkenen achteraf hebben verteld, maar ga terug naar de schriftelijke bronnen en archieven. Dat leidde in veel gevallen tot verbazende conclusies.

Zo heeft Régnier nergens een spoor van La Tristesse de Saint Louis als maskerade van de St. Louis Blues gevonden. Hij toont aan dat Panassié geen reden had om de namen Louis Armstrong en St. Louis Blues tegenover de nazi-autoriteiten te verhullen. Blijkens het programmaweekblad Radio National wijdde Panassié in 1942 op de zender van het collaborerende Vichy-bewind maar liefst drie uitzendingen aan zijn idool Louis Armstrong, open en bloot.

Régnier onderbouwt met zijn boek in feite voortdurend één stelling: het jazzverbod is een historische legende. Jazz was in Frankrijk tijdens de Duitse bezetting geenszins verboden, werd integendeel soms zelfs officieel gestimuleerd, maar de muzikanten verkeerden wel in een gecompliceerde positie.

Enerzijds beleefden ze een gouden tijd. De vraag naar jazz en jazz-achtig amusement was groter dan ooit tevoren. De musici konden ook ruimschoots optreden, want de Duitse bezetters wilden graag het beeld van de mondaine lichtstad Parijs overeind houden. En net als in Duitsland werd hier het adagium van Goebbels gevolgd, dat je bevolking en krijgsmacht in oorlogstijd ruimhartig van verstrooiing moest voorzien.

Dat stelde gitarist Django Reinhardt, ondanks zijn zigeunerafkomst, in staat tijdens die jaren uit te groeien tot een nationaal idool (zijn beroemdste compositie Nuages zette hij in oktober 1940 voor het eerst op de plaat). Maar ook saxofonist Alix Combelle kon met zijn grote formatie onder de naam Jazz de Paris de hele oorlog doorspelen, zowel voor de radio als tijdens galaconcerten in de Parijse Salle Gaveau en Salle Pleyel.

Een kleine handicap was misschien het permanente dansverbod, maar daarvan hadden – paradoxaal genoeg – de collega’s van de musette meer last dan de jazzmusici, die van de dancings konden uitwijken naar de concertpodia en de exclusieve nachtclubs. Kortom, de Franse jazz, ook niet meer gehinderd door de Amerikaanse concurrentie, was razend succesvol, en de muzikanten hadden nog nooit zoveel geld verdiend.

Natuurlijk waren er keerzijden. De Joodse muzikanten werden al spoedig uitgesloten en voor deportatie opgeroepen. En de jazz werd weliswaar niet verboden, maar geregeld vanuit nazistische hoek bestreden als ‘Negers-Joods-Angelsaksische’ muziek. Op dit punt kwamen er in Frankrijk wel verboden: eerst ging het werk van Britse en/of Joodse componisten in de ban, en vanaf december 1941, toen de VS aan de oorlog gingen deelnemen, werden alle Amerikaanse composities taboe verklaard.

Régnier laat echter zien dat het afkondigen van zo’n verbod iets anders was dan het doorvoeren ervan. Panassié’s Armstrong-uitzendingen van 1942 bewijzen dat al, maar een onverwachte bron levert een nog opmerkelijker feit op. De officiële Franse auteursrechtenorganisatie SACEM (het equivalent van de Nederlandse Buma) hield ook tijdens de oorlog nauwkeurig bij welke composities werden uitgevoerd, opdat de rechten met de componisten konden worden verrekend. In een brief van 4 mei 1943 meldt de SACEM aan de directeur van l’Office des Biens Ennemis (Bureau voor Vijandelijke Goederen), dat zij over de maand april een bedrag van 5636,74 francs heeft overgemaakt op een geblokkeerde rekening van Barclays Bank op naam van ‘BERLIN, Irwing, 1801 Broadway, New-York City’. Een beter bewijs dat in bezet Frankrijk openlijk muziek van Amerikaans-Joodse componisten kon worden gespeeld, valt niet te leveren.

Dat veel Franse jazzmusici niettemin tijdens hun optredens vaak Amerikaanse titels verfransten (In The Mood werd bijvoorbeeld Ambiance, en Sweet Georgia Brown ging Douce Géorgie heten), kwalificeert Gérard Régnier als grotendeels overbodige zelfcensuur. Dat gold ook voor de diskwalificatie van de band van klarinettist Claude Abadie, met Boris Vian op trompet, tijdens het zevende amateurconcours van de Hot Club de France op 2 januari 1944 in Parijs. In strijd met de concoursvoorschriften had de groep een Amerikaans stuk vertolkt, Royal Garden Blues. Organisator Charles Delaunay noemde de jurybeslissing veertig jaar later ‘misschien overijverig’ – maar zweeg over een andere voorwaarde die hij aan de deelnemende orkesten stelde: ze moesten schriftelijk verklaren dat de muzikanten ‘noch van ras noch van religie Joods waren’.

Na de oorlog kwam de overijverige accommodatie van sommige jazzmusici en organisatoren natuurlijk opeens in een ander daglicht te staan. Er gingen zuiveringscommissies aan het werk. Een Franse muzikant die in een dure Parijse nachtclub op verzoek van een jazzminnende Duitse Wehrmacht-officier een Amerikaanse standard inzette: was dat een geval van collaboratie of van muzikaal verzet? Uiteindelijk werd er mild geoordeeld. Bandleden bleven geheel buiten schot. Enkele leiders en vocalisten werden gedurende een paar maanden geschorst. Maar ook bevrijd Frankrijk snakte naar jazz-achtige muziek, dus iedereen kwam snel weer aan de slag.

Gérard Régnier heeft voorbeeldig historisch werk geleverd, met oog voor de grijstinten zonder de grote morele vragen te negeren. Zijn boek is terecht door de Franse Académie du Jazz uitgeroepen tot beste jazzboek van 2009. Voor Nederlandse lezers blijft er maar één vraag over: hoe komt het dat in ons land in maart 1942 door het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten het Verbod van negroide en negritische elementen in dans- en amusementsmuziek werd uitgevaardigd, waarin wél het woord ‘jazz’ voor Nederlandse muzikanten taboe werd verklaard en gedetailleerde muzikale voorschriften werden gegeven inzake ‘het herstel van den Europeeschen geest in de hier te lande gemaakte dans- en amusementsmuziek’?

Je kunt alleen maar hopen dat een Nederlandse historicus, liefst één die net als Gérard Régnier ook beroepsmuzikant is geweest, binnenkort aan het werk gaat voor het boek Jazz en maatschappij tijdens de Bezetting.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden