De Oom Wanja’s gaan elkaar voor de voeten lopen

Naar welke Tsjechov-uitvoering zal het publiek straks gaan?

Hoeveel Tsjechov kan een mens verdragen? Of liever: hoe vaak wil een theaterliefhebber een nieuwe opvoering zien van een van Tsjechovs toneelstukken? Die vraag dient zich aan nu bekend is geworden dat naast theaterproducent Hummelinck Stuurman ook het Nationale Toneel de komende jaren met een Tsjechov-drieluik komt. In totaal dus zes Tsjechov-voorstellingen, die alle zo vaak mogelijk gespeeld moeten worden en ook veel publiek moeten trekken om uit de kosten te komen.

Tsjechov spelen is duur, omdat zijn stukken veel personages kennen en de producent dus een behoorlijk post acteurskosten moet reserveren. Dat een vrije producent drie jaar achtereen dergelijke groot bezette producties brengt, is bijzonder. Hummelinck Stuurman, die zonder subsidie werkt, steekt wat dat betreft behoorlijk zijn nek uit.

Maar willen de programmeurs van de schouwburgen al die stukken? En dan nog: is er voldoende publiek voor? Vooropgesteld dat Tsjechov de beste toneelschrijver is en zijn stukken tot het standaardrepertoire behoren, zijn er grenzen. Of zoals René van der Pluijm, programmeur van de Stadsschouwburg Groningen, zegt: ‘Als ik in één seizoen meerdere Tsjechovs krijg aangeboden, ga ik vergelijken en zal ik uiteindelijk moeten kiezen.’

Overlappingen zijn niet nieuw in het Nederlandse toneel. Zo waren er dit seizoen liefst vijf Romeo en Julia’s en twee Medea’s te zien. De fanatieke toneelliefhebber zal die wellicht allemaal bezoeken, maar het publiek dat zo af en toe naar een mooi toneelstuk gaat, moet kiezen.

Volgens Evert de Jager, directeur van het Nationale Toneel, kan iedere marketingdeskundige vertellen dat de gemiddelde schouwburgbezoeker twee keer per jaar voor een toneelstuk kiest: één keer voor een gesubsidieerd stuk, en één keer voor een vrije productie. De Jager: ‘Die markt is dus vol, en kan geen zes Tsjechovs aan.’

Bestaan er dan geen afspraken om dit soort overaanbod te voorkomen? Wordt er onderling niet overlegd?

Nee, in ieder geval te weinig. De gesubsidieerde gezelschappen en een klein aantal vrije producenten zijn allemaal lid van de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen (VNT), maar zitten in verschillende secties. Bij de gesubsidieerde gezelschappen stemmen ze de plannen op elkaar af, maar tussen de vrije en gesubsidieerde jongens is het beleefd stil. Over deze twee Tsjechov-drieluiken is in elk geval nauwelijks contact geweest, en dat verdient volgens Diederik Hummelinck niet de schoonheidsprijs.

De Jager is ervan overtuigd dat al die producties elkaar straks voor de voeten gaan lopen. ‘Ook wij moeten zo’n voorstelling minstens zeventig keer verkopen om uit de kosten te komen, dus er zal hoe dan ook concurrentie zijn. Voor het publiek is dat erg vervelend, dat weet toch al niet wat het met dat enorme theateraanbod aanmoet.’

Alsnog afzien van de plannen zit er niet in. Hummelinck: ‘Misschien moeten wij wel de hele Russische bibliotheek gaan doen, en dan noemen we het Van Van Oorschot tot Moskou.

De lachende derde wordt waarschijnlijk Tsjechov zelf, want reken maar dat al die producenten, regisseurs en toneelspelers de allerbeste Oom Wanja, De Meeuw, Drie Zusters en De Kersentuin ooit willen maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden