De Ontdekking van de hemel zit vol quasi-diepzinnige kletspraat

Vergeleken met het werk van Couperus stelt het magnum opus van Harry Mulisch niets voor, vindt Simon Burgers. Het krijgt te veel eer in deze Boekenweek....

Geachte heer Mulisch,Hartelijk gefeliciteerd met de benoeming van De ontdekking van de hemel tot beste Nederlandse boek aller tijden (Kunst, 12 maart). U bent een groot schrijver en het is u van harte gegund dat u in het zonnetje wordt gezet.

Maar bij herlezing van een aantal scènes, details en plotwendingen in uw magnum opus begint er af en toe iets te knagen. Mag ik dat onder uw aandacht brengen?

In de eerste alinea en ook elders wordt een ‘vrijstaand herenhuis’ beschreven in Den Haag, een ‘villa’. Op verschillende plaatsen valt de bijbehorende naam van de straat: de Statenlaan. Maar daar staan geen vrijstaande huizen.

Ergens anders schrijft u: ‘in Venetië was alles nu juist asymmetrisch. De piazza was geen rechthoek maar een trapezium, de basiliek stond niet in de as, de ramen van het dogenpaleis weerspiegelden elkaar niet’. De opsomming van drie gevallen is een erg magere ondersteuning voor de uitspraak dat in Venetië ‘alles’ asymmetrisch is.

De beschrijving van het einde van Onno’s vriendin Helga luidt als volgt. ‘Diep in de nacht moest zij overvallen zijn, terwijl zij de voordeur van haar huis openmaakte. Zij werd naar binnen gesleurd en in de vestibule meedogenloos bewerkt met een mes, vermoedelijk door een verslaafde; nadat haar woning was doorzocht, werd zij aan haar lot overgelaten. Van de dader geen spoor. Omdat ook haar stembanden waren geraakt, kon zij niet om hulp roepen, maar hevig bloedend slaagde zij er in de deur weer open te krijgen en naar de telefooncel aan de overkant van de kade te kruipen (...), maar de telefoon was vernield. Denkelijk pas een uur later, tegen de ochtend, werd zij gevonden door een voorbijganger; toen was zij al door bloedverlies overleden.’

Ten eerste is niet duidelijk waarom Helga niet in haar eigen huis het alarmnummer belt. Dat zij telefoon heeft is zeker, verschillende malen in het boek telefoneert zij thuis. Verder zal men, bloedend en met beschadigde stembanden, niet naar een telefooncel kruipen, maar bij buren aanbellen of op de ramen kloppen. Ten slotte is het ongeloofwaardig dat het – in het centrum van Amsterdam, in 1981, op zaterdagnacht, in de zomer – een uur duurt voordat een voorbijganger een doodbloedende vrouw bij een telefooncel aantreft.

Het is psychologisch niet waarschijnlijk dat Onno na Helga’s gewelddadige dood ‘omdat hij er niet meer tegen kan’ spoorloos verdwijnt. Helga is duidelijk niet zijn grote liefde – dat is Ada. Onno heeft vrienden en een warm hart. Hij toont veelvuldig zijn betrokkenheid bij de maatschappij. Zou hij nu opeens willen verdwijnen? Bovendien heeft hij een zoon van 13, om wie hij geeft. Zou hij die laten zitten? En z’n schoonmoeder en z’n vriend Max ‘t maar laten uitzoeken met die zoon? Kom nou!

Quinten gaat z’n vader zoeken. Hij heeft geen idee waar ter wereld die kan zijn. ’t Is wel héél toevallig dat hij ‘m binnen een paar weekjes tegen het lijf loopt, in Rome.

Verder slaat het nergens op dat de engelen in de hemel zo’n ingewikkelde zaak maken van dat vaderschap van Quinten. Waarom kon Max niet gewoon met Ada trouwen? In dat geval hoefde Onno ook niet speciaal te verdwijnen. Quinten had toch gewoon na z’n eindexamen op Interrail of zo gekund naar Italië? Dan had hij afgesproken in Rome twee dagen door te brengen met ‘oom Onno’, die daar dan toevallig met vakantie was? Het boek zou dan ongeveer drie keer zo kort zijn geweest.

Wanneer Ada voor het eerst hoort hoe Max en Onno discussiëren, duizelt het haar. ‘Het was haar of zij getuige was van een intellectuele floretwedstrijd, (...) te snel om te volgen.’ Maar het intellectuele gehalte van de bijbehorende dialoog is mager. Die bestaat uit tenenkrommende passages als: ‘Ja!’ riep Onno extatisch uit. ‘God is de logica! De logica is God! Ja, dat geloof ik – omdat het absurd is.’

In een dergelijk fragment zegt Max: ‘Misschien kan ook de politiek uiteindelijk herleid worden tot de esthetica, net als de wetenschap. Misschien is het ultieme criterium in de wereld niet de waarheid, maar de schoonheid.’ Met alle respect, dit is quasi-diepzinnige kletspraat. En dat tweemaal ‘misschien’ maakt het een beetje laf. Durf óf echt iets te zeggen, dus zonder ‘misschien’, óf zeg niets.

De figuur Ada blijft een tamelijk vlak sjabloon. Dat geldt nog meer voor Helga en Tsjallingtsje. Over het gedachteleven van Sophia Brons komen we niets te weten, in tegenstelling tot dat van Max, Onno en Quinten. Kortom, het innerlijk leven van de vrouwen krijgt veel minder aandacht dan dat van de mannen in het boek. Vergelijk dat eens met een werk van Couperus, waarin de lezer in de huid mag kruipen van de meest uiteenlopende figuren – mannen en vrouwen.

Geachte heer Mulisch! U hebt schitterende romans geschreven; als kind genoot ik al van intrigerende korte verhalen als Wat gebeurde er met sergeant Massuro? Dat laat zich eindeloos herlezen en verdient de titel ‘beste Nederlandse korte verhaal aller tijden’.

U wordt terecht gelauwerd – maar niet om de juiste redenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden