Leven aan zee

De oceaan riep, maar daar aan de kust riep de stad net zo hard

Beeld Floor van het Nederend

De zee had altijd aantrekkingskracht op stadsmens Julien Althuisius. Hij verkaste met z’n gezin naar de Portugese kust met de stiekeme verwachting er voorgoed te blijven. 

Gerard Joling kwam geregeld in de strandtent waar ik tussen mijn 15de en 25ste elke zomer werkte. Soms nam hij een nieuwe cd mee, van Gerard Joling, die we dan draaiden. Op één van die cd’s, Zing met me mee uit 2001, zong Joling het lied Terug naar de kust, een vertolking van Maggie McNeals hit uit 1976. Het refrein – Ik wil terug naar de kust/Heel ongerust/Zoek ik de weg naar de kust/Bijna niet bewust van de dreiging dat daar m’n jeugd voorbijging – heeft mijn hoofd nooit meer verlaten, maar dat is vooral te danken aan de typische falsetto waarmee Joling het zong.

In het vroege voorjaar van 2019, Joling galmde nog steeds na in mijn hoofd, was het zover. Ik ging terug naar de kust. Mijn vrouw, onze twee kinderen en ik verhuisden tijdelijk naar Portugal. Onze oudste dochter was 4, dus als we ooit nog in het buitenland wilden wonen zonder allerlei administratieve rompslomp en leerplichtambtenaren, was dit het moment. Als freelancers konden mijn vrouw en ik ons werk vanuit vrijwel de hele wereld doen. Ik ben opgegroeid in Zandvoort en woonde toen op loopafstand van het strand. De zee heeft altijd een haast magnetische werking op me gehad, met name de Atlantische Oceaan. De Noordzee is prachtig, net als de Middellandse Zee, maar onvergelijkbaar met de ontembare, tomeloze energie van de Atlantische Oceaan – om maar niet te spreken van haar golven. Ik surf graag en ben altijd jaloers geweest op Fransen, Engelsen en Portugezen, die direct en onbeperkt toegang hebben tot de beste golven van Europa. In Nederland kan zeker ook worden gesurft, maar zijn de golven veel minder krachtig en consistent: een buitengewoon goede dag aan de Hollandse kust staat gelijk aan een middelmatige dag in de Atlantische branding. Ons oog viel op Ericeira, een kustplaats zo’n 40 kilometer boven Lissabon. Een rustig oud vissersdorpje, maar wel met een – zo werd ons verteld – levendige, internationale surfgemeenschap, veel jonge ouders, voldoende scholen en een geweldige stad op nog geen half uur rijden.

Wat voor effect zou een langdurig verblijf aan zee op ons stadsmensen hebben? Mijn vrouw en ik zijn beiden weliswaar buiten de stad opgegroeid, maar we woonden er inmiddels vijftien jaar; onze kinderen zijn in de stad geboren en weten niet beter. Ik had wel bepaalde verwachtingen. De Atlantische Oceaan, bijhorende woeste natuur en gebrek aan stedelijke prikkels zouden mijn onrust temmen; ik zou een zen-achtige kalmte ervaren, om maar niet te spreken van een vers stuwmeer aan inspiratie en een nieuwe piek aan creativiteit. En ik zou bovendien perfecte golf na perfecte golf surfen.

In eerste instantie zouden we vier maanden gaan, tot het nieuwe schooljaar in Nederland zou beginnen. Maar ik had de stiekeme verwachting dat we zouden blijven hangen. In de weken voorafgaand aan ons vertrek nam ik in stilte afscheid van Amsterdam. Vijftien jaar lang had de stad me alles gegeven. Ik had er vrienden gemaakt, mijn vrouw ontmoet, onze kinderen waren er geboren. Maar in de afgelopen jaren waren zowel wij als de stad flink veranderd en we waren toe aan iets anders. De oceaan riep.

Twee dagen nadat ik met onze volgepakte Honda Civic Aerodeck uit 2000 (google gerust) de straat was uitgereden, daarbij mijn vader in tranen achterlatend, reed ik Ericeira binnen. Aan de horizon verscheen de Atlantische Oceaan als een gigantische muur van saffier, kalm fonkelend in de zon, in oneindigheid slechts begrensd door de lichtblauwe hemel. De duizenden kilometers die ik achter me had, het idee dat dit ons nieuwe thuis zou zijn; het voelde alsof ik voor het eerst in mijn leven de zee zag. Ik belde mijn vrouw, die nog in Amsterdam was en samen met de kinderen later met het vliegtuig zou komen. Weer twee dagen later stonden we ’s avonds met zijn vieren op het dakterras van ons nieuwe appartement. Het uitzicht was spectaculair en strekte zich uit van de stranden ten noorden van Ericeira tot de kliffen van Sintra in het zuiden. Het was windstil en van achter de sluierwolken scheen de dalende zon diffuus licht op een opake oceaan. Het voelde als vakantie.

Al honderden jaren weten we dat de zee een heilzame omgeving kan zijn. Nog niet zo heel lang geleden werden zieke mensen naar kuuroorden aan zee gestuurd om ze te laten profiteren van de zon, de zeelucht, het strand en het zeewater. De laatste jaren wordt op wetenschappelijk gebied ook steeds meer bekend over de voordelen van de kust.

In zijn boek Blue Mind onderzoekt marienebioloog Wallace J. Nichols waarom zoveel mensen zich aangetrokken voelen tot water. Met blue mind doelt Nichols op de licht meditatieve staat die veel mensen ervaren als ze in, op of in de buurt van water zijn. Zonder al te veel in neurowetenschap te duiken, zorgt de aanwezigheid van water voor de aanmaak van gelukshormonen dopamine, serotonine en oxytocine. Het niveau van stresshormoon cortisol gaat juist omlaag en, zo blijkt, onze hersenen houden van de kleur blauw. De zee kan therapeutisch werken. In Resurface, een korte documentaire die op Netflix staat, vindt een oorlogsveteraan met PTSS en zelfmoordneigingen een uitlaatklep in surfen. Surfen en de oceaan, is de strekking van de documentaire, kunnen levens veranderen. Het suizen en ruisen van de zee heeft voor veel mensen een ontspannende werking. En hoewel er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs is dat de jodiumrijke zeelucht een gezonde werking heeft, zou de hoge aanwezigheid van negatieve ionen in oceaanlucht kunnen werken tegen (seizoens)neerslachtigheid.

Het appartementencomplex waar we gingen wonen lag boven op een heuvel aan de rand van het dorp. Vanuit de woonkamer, de keuken, de bijkeuken en een van de slaapkamers hadden we uitzicht op zee. De oceaan was het eerste wat we zagen als we ’s ochtends opstonden en het laatste voordat we gingen slapen. Als ik zat te werken en opkeek van mijn scherm, zag ik de zee. Als de golven goed waren, ging ik in mijn ‘lunchpauze’ even surfen. Dan kleedde ik me thuis om in mijn wetsuit, zette mijn plank op de speciaal daarvoor bestemde houders op mijn fiets en zoefde ik naar het strand. We vonden een geweldige opvang voor onze dochters, op tien minuten rijden van ons huis, waar de kinderen vaak naar het strand zouden gaan en overdag warme maaltijden kregen.

Beeld Floor van het Nederend

Dat klinkt misschien idyllisch, en dat was het ook. Maar er waren voldoende momenten in de eerste weken dat we ons afvroegen waar we in vredesnaam aan waren begonnen. We hadden een opvang voor onze dochters (1 en 4) gevonden, tien minuten ten noorden van Ericeira. Ze spraken daar uiteraard geen Nederlands en onze dochters verstonden geen Portugees of Engels. Zo kon het gebeuren dat onze oudste dochter een keer moest plassen, maar dat niet wist uit te leggen. Ze hield zo lang haar plas op tot ze buikpijn kreeg en plaste uiteindelijk, huilend, in haar broek. De door de opvang beloofde uitstapjes naar het strand bleken eerder uitzondering dan regel en de warme maaltijden daar bleken vaak cup-a-soup of rijst met gehakt te zijn. Wat deden we onze kinderen aan?

Onze auto met Nederlands nummerbord bleek een vrijbrief voor Portugezen in het verkeer om even de saudade uit hun systeem te krijgen. Geen rotonde konden we afmaken zonder uitgebreide claxonnale begroeting van de lokale bewoners, die overigens zelf over geen enkele kennis van verkeersregels leken te beschikken. Het was alsof we rondreden met een gekruisigde Cristiano Ronaldo op ons dak.

En het appartementencomplex waar we woonden bleek zo gehorig dat als je per ongeluk een knikker liet vallen in de garage, het leek alsof er bij ons op derde verdieping een handgranaat ontplofte. Onze onderburen hadden een grote, lieve golden retriever die ze, naar goed Zuid-Europees gebruik, de hele dag aan een paal vastgebonden hielden en lieten blaffen. We sliepen het liefst met de ramen open, maar het ruisen van de zee werd overstemd door de talloze honden die ’s nachts hun interpretatie van de fado ten gehore brachten.

Maar de zee maakte bijna alles goed. Als we onze dochters aan het eind van de middag van de toch-niet-zo-geweldige opvang haalden, gingen we vaak nog even een uurtje naar het strand met ze – we kwamen er toch langs. Daar, in de baai van Sao Lourenço of Foz de Lizandro, hadden ze het strand voor zichzelf en speelden ze in het zand en de branding, zonder kleren en zonder speelgoed. Mijn vrouw en ik dronken bier, aten chips en keken op onze telefoons wat voor weer het in Nederland was – hoe slechter, hoe beter.

Als ik in het dorp aan het werk was, dronk ik koffie voor 70 cent en liep ik tijdens mijn pauze even naar het water, waar ik mijn meegebrachte lunch at. Het was allemaal nogal ontspannend. De oceaan, in al haar omvang en kracht, bepaalt het ritme van het leven op het nabije land. Is in de stad de mens het zwaartepunt en dirigent van het leven, aan de kust is de zee dat. Dat gegeven, dat er iets in de nabijheid is wat veel groter en sterker is dan miezerige jij, doet de mens (althans, dit mens) goed. Er is minder controle en daarmee meer rust; het leven is trager, maar ook overzichtelijker, helder als het water.

Als de zee kalm was, hingen de dorpsbewoners en toeristen schouder aan schouder op bankjes te genieten van de zon, vrolijk naar elkaar lachend, nog één biertje dan. Maar als ze woest was, de hemel grijs en de wind meedogenloos, waren de straten van Ericeira even uitgestorven als troosteloos en was er weinig meer te doen dan hopen op beter weer. Op dat soort dagen reden veel mensen met hun auto naar de parkeerplaatsen bij de stranden, om vanuit hun droge en warme auto’s naar de onstuimige oceaan te staren – als een kampvuur met golven als vlammen.

‘Vissen, amfibieën, reptielen, warmbloedige vogels en zoogdieren’, schreef Rachel Carson in The Sea Around Us, dat voor het eerst verscheen in 1950 en een van de belangrijkste boeken over de geschiedenis van en het leven rond de oceaan is, ‘allemaal dragen we in onze aderen een zoute stroom met de elementen sodium, potassium en calcium in bijna dezelfde samenstelling als zeewater. Dat is de erfenis van de dag dat, miljoenen jaren geleden, een verre voorouder een circulatoir systeem ontwikkelde waarvan de vloeistof alleen uit zeewater bestond.’ In andere woorden: we komen uit de zee, en we dragen de zee nog altijd bij ons. Het zou een – toegegeven, enigszins vergezochte – verklaring zijn waarom zoveel mensen zich zo aangetrokken voelen tot de zee, zich er thuis voelen, van haar houden als een levend wezen. Carson heeft het in haar boek ook over Mother Sea: de zee gaf de mensheid leven, zoals ieder van ons voortkomt uit een baarmoeder. ‘Uiteindelijk’, schrijft Carson, vond de mens ook weer zijn weg terug naar de zee. ‘Hij bouwde boten om er over haar oppervlakten op uit te trekken. En later vond hij manieren om naar de ondiepe bodem af te dalen.’

Ik vond mijn weg terug naar de zee op een surfplank. Ericeira is een surfwalhalla, met binnen enkele kilometers talloze stranden met allerlei verschillende golven die onder verschillende omstandigheden werken. Ik surfte meestal drie, maar soms ook zes keer per week. En hoe meer ik surfte, hoe hechter mijn band met de oceaan werd en hoe vaker ik ernaartoe wilde. ‘God gaf de zee gevaar en diepte’, schrijft de Portugese dichter Fernando Pessoa in het gedicht Portugese zee, ‘maar hij maakte haar ook de spiegel van de hemel.’ Als de golven klein en vriendelijk waren, was de zee een speeltuin waar ik eindeloos ritjes achter elkaar kon plakken en steeds zonder al te veel moeite weer terug peddelde. Maar grote golven en woeste zee vereisten opperste concentratie, het continu in de gaten houden van de horizon. Kwam er een grote set golven aan, dan peddelde ik als een razende richting (relatief) veilig gebied. Niet dat ik het erg vond om ‘gespoeld’ te worden – een oorwassing van de oceaan kan onprettig en beangstigend zijn, maar heeft ook een louterende werking.

Op een dag, toen ik tijdens de zomervakantie een paar weken in Lissabon verbleef, nam ik de bus terug naar Ericeira. Het was prachtig weer in de stad. Al in de vroege ochtend zinderden de straten van Lissabon in de augustuszon, er was geen wolk aan de eindeloos blauwe lucht. Maar halverwege de anderhalf uur durende reis betrok de lucht en reed de bus een dikke, grijze zeemist in. Toen ik bij mijn vaste surfplek aankwam, kon ik de golven op zee niet zien breken. Ik kon de zee überhaupt niet zien; het zicht reikte tot aan het rotsige strand. Toch ging ik het water in. Ik kende deze plek goed en met het beperkte zicht dat ik wél had – zo’n 20 meter – kon ik de golven nog net zien naderen. Het was windstil en het enige geluid kwam van de onzichtbare golven die ergens in de mist braken. Ik waande me in een andere wereld, of een videoclip van Clannad. De golven waren hoog en doemden plotseling op uit de mist, als personages uit een verhaal van Stephen King. Het was absoluut doodeng en claustrofobisch. Maar ook, op een vreemde manier, intiem. De zee, de mist, mijn surfplank en ik. Ik was kwetsbaar, maar in zekere zin ook veilig.

‘De meeste sessies waren weinig opmerkelijk’, schrijft William Finnegan in zijn fenomenale autobiografie Barbarian Days: a surfing life, waar hij in 2016 een Pulitzer-prijs voor ontving. Finnegans gedetailleerde beschrijvingen van het leven als surfer, de zee, golven en surfcultuur zijn jaloersmakend treffend en maken Barbarian Days tot het definitieve boek over surfen, ook voor niet-surfers. ‘Wat wel consistent was’, gaat Finnigan verder, ‘was een zekere sereniteit die volgde na een stevige sessie. Het was een fysieke sensatie, deze post-surf bui, maar het bevatte ook een heldere emotionaliteit. Soms was het milde euforie. Vaak was het plezierige melancholie. Na hele intense ritten of oorwassingen voelde ik een geladen en woeste neiging om te huilen, wat uren kon aanhouden.’

Zo intens als Finnigan heb ik surfen (nog) nooit ervaren. Maar de oceaan werd voor mij wel een plek die elke keer weer alles in het juiste perspectief zette, waar ik even alleen kon zijn, mee moest in een dwingend ritme dat groter, sterker en rustiger was dan ik. Een plek bovendien, waar ik niet in de verleiding kon komen steeds op mijn telefoon te kijken. De zee was een plek waar ik geborgen was, niet beoordeeld werd en niet oordeelde. Een plek waar ik me kon afreageren en ongegeneerd mijn lelijkste zelf kon zijn. Waar ik me kon onderdompelen, het leven van me af kon laten spoelen en me nietig voelde. Een plek zonder nieuws, meningen, ophef, dagelijkse waan. De zee als onverschillige waarheid, als leermeester in nederigheid, overgave en berusting. De oceaan putte me uit en laadde me op. Surfen werd voor mij – en als u even wilt kotsen, is dit misschien een goed moment – meer spirituele ervaring dan sport.

Maar een mens kan maar zoveel tijd in een neopreen pak in het water liggen. Zo spannend en divers als de uren op zee waren, zo eentonig begonnen na een paar maanden de dagen aan land te worden. Het leven in Ericeira draaide om surfen en yoga, maar was verder wars van elke vorm van cultuur. De lokale bevolking kende grofweg drie smaken: oude vissers, surfdudes met capuchontruien en yogameisjes met neusringetjes. De immer aanwezige oceaan en de onvervuilde horizon gaven rust en vrijheid, maar datzelfde gigantische open vlak was af en toe ook intimiderend, als een immense muur die over je heen dreigt te vallen. Er zijn mensen met agorafobie die zich niet prettig voelen bij het open uitzicht aan zee. Een bevriend schrijfster uit Lissabon vertelde me dat ze zich soms veiliger en beschutter voelde in de stad dan aan zee.

De gehoopte piek in mijn creativiteit bleef uit. Nieuwe inspiratie? Mwah. De onrust was wel iets afgenomen, maar de oceaan had van mij niet bepaald een zenboeddhist gemaakt. Sterker nog, het was soms zo rustig dat ik dáár weer onrustig van werd. Wel opvallend: zowel mijn vrouw als onze kinderen als ik waren in acht maanden tijd niet één keer ziek geweest. Het permasnot dat Nederlandse peuters en kleuters tooit, had zich aan de Portugese kust niet laten zien. Maar ik miste ook de stad, zijn onafgebroken stroom aan activiteit, de waaier aan mensen, culturen, eten; de gebouwen, de kroegen, het getoeter van auto’s, het gerinkel van de trams, het niet weten waar je moet kijken omdat er overal iets te zien valt. Ik miste terloopse gesprekken met collega’s, het ergeren aan andere ouders, werken in een druk café.

‘Maar is het genoeg?’, vroeg iemand me, toen ik haar aan de telefoon vertelde over het weldadige leven aan zee. Ik moest er even over nadenken. Nee, dat was het niet. Ik had de vervoering van de stad blijkbaar net zo hard nodig als de vrijheid van de zee. Bovendien zaten er dingen aan dit zeeleven vast waar mijn vrouw en ik niet onverdeeld enthousiast over waren. Het dorpsleven, sommige aspecten van de Portugese cultuur en het onontkoombare isolement van het vreemdeling zijn. De lokale surfgemeenschap bleek bovendien helemaal niet zo gezellig en vriendelijk als gedacht. In het water (en op het land) heerste een grote vijandigheid naar alles wat van buiten kwam. Veel lokale surfers hadden de vreemde neiging om de zee als hun eigendom te zien. Dat fenomeen van lokalisme is overigens niet voorbehouden aan Portugal. In 1992 schreef Finnegan in The New Yorker hoe weinig hij zijn medesurfers mag: ‘De hooghartigheid, zelfingenomenheid en vijandigheid naar buitenstaanders [...] staken schril af tegen de prachtige en dramatische omgeving. Er was een kloof tussen de natuur-esthetische glorie van surfen en het lelijke chauvinisme van veel surfers.’ En alleen maar op afstand werken bleek ook niet zo ideaal. We bleven weliswaar een stuk langer dan de geplande vier maanden in Portugal, maar gingen uiteindelijk terug naar Nederland. Toch had het leven aan zee iets blijvend veranderd.

Eind november moest ik voor een boekpresentatie heen en weer naar Amsterdam. Het was vreemd om toerist in eigen stad te zijn, in een hotel te slapen; thuis te zijn zonder naar huis te kunnen. Vanuit de tram keek ik naar de fietsers, de taxi’s en auto’s die allemaal ergens heen wilden. Snel, snel, snel. Ik herkende het tempo, het ritme van de stad; ik wist hoe het voelde, maar ik voelde het niet. Buiten raasde de stad, maar in me heerste een andere cadans; een trage, sierlijke deining die de wereld om me heen leek te vertragen en tegelijkertijd helder maakte. En hoewel ik ‘thuis’ was, miste ik de Atlantische Oceaan, de furie, het drama van de kliffen, de ongerepte natuur. Hier in Nederland, merkte ik opeens, was alles zo keurig, getemd, gecontroleerd.

Een paar dagen na mijn trip naar Amsterdam lag ik weer in het water. Ditmaal bij Praia do Sul, een deels beschutte baai ten zuiden van Ericeira, ideaal bij grote golven uit het noordwesten. Het is een lastige plek, met veel rotsen en flinke stroming, die bovendien alleen goed werkt halverwege opkomend tij. De golf breekt ter hoogte van een lage klif waar een oud hotel staat en gaat, als je geluk hebt en snel genoeg surft, helemaal door tot diep in de baai. Een paar dagen later zou ik de volgepakte Honda Civic Aerodeck uit 2000 (nu met gat in uitlaat en onverstandig weinig profiel in de banden) terugrijden naar Nederland. Dit was de laatste keer. Donkere regenwolken waaiden over, een mist trok langzaam op en de zon scheen goud licht op de zilvergrijze oceaan. Witte schuimstrepen lagen als littekens op het oppervlak van het onrustige water. De hevige golfslag wierp me een paar keer bijna van mijn surfplank. Met enorm gedonder braken de golven ergens halverwege de baai. Als gewoonlijk werd ik een paar keer bedolven door een paar joekels. Maar ik surfte er ook zeker één helemaal uit. Ik peddelde met de golf mee, sprong op mijn plank, maakte een flinke val naar de onderkant van de golf, bleef staan, maakte een bocht naar rechts, weer de golf op, de golf af, de golf op, de golf af. Schuin voor me richtte het water zich als een muur op, steeds steiler, dwingender. Ik bleef staan, licht gehurkt en gleed over het water. Mijn tijd aan zee zat erop. Het enige wat ik nog over had waren deze paar seconden. Deze paar seconden was ik samen met de zee. Deze paar seconden was ik vrij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden