De week in boeken

De Notre-Dame speelde als eerste gebouw de hoofdrol in een roman. En ook daarin slaat het noodlot toe

Beeld uit de film Hunchback of Notre Dame (1923)

Het moest iets worden in de historiserende trant van Sir Walter Scott (Ivanhoe!), want dat verkocht goed: de middeleeuwen waren weer helemaal in, na een paar eeuwen lang in het verdomhoekje te hebben gezeten. Hij kreeg er goed voor betaald, en het onderwerp dat hij had uitgekozen fascineerde hem al langer. Toch wilde het werk niet vlotten: er moest eerst een literaire revolutie worden uitgevochten (weg met het klassieke toneel, leve de ­romantiek!), en daarna kwam er ook nog eens een echte revolutie voorbij, die van 1830. Maar de forse dwangsom van de uitgever deed wonderen: in krap een halfjaar tijd schreef Victor Hugo Notre-Dame de Paris – 1482, de roman waarmee hij alvast een plaatsje in het Panthéon voor zichzelf reserveerde, en de eerste in de literatuurgeschiedenis waarvan de hoofdpersoon een gebouw was.

Dat gebouw, de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal was er in Hugo’s tijd slecht aan toe. Het was flink toegetakeld tijdens de Franse Revolutie en stond eigenlijk alleen nog overeind omdat Napoléon Bonaparte er zo nodig tot keizer gekroond wilde worden. ‘Als wij in de gelegenheid waren de aan de oude kerk toegebrachte sporen van vernieling samen met de ­lezer een voor een na te gaan’, foetert Hugo in de vertaling van Willem Oorthuizen, ‘zou het aandeel van de tijd kleiner en dat van de mensen, bovenal dat van kunstzinnigen, het ergste blijken te zijn.’

De roman, een woeste aaneenschakeling van onverwachte plotwendingen waarin behalve de kathedraal ook de middeleeuwse stad Parijs een onvergetelijke rol speelt, bijgestaan door Belle en het Beest, bleek zelf de oplossing voor het probleem dat Hugo erin beschreef: het boek bracht een ware volksbeweging tot behoud van het historisch erfgoed op gang, en onder leiding van Viollet-le-Duc werd de kerk smaakvol in een nieuwe, ditmaal neogotische vorm gegoten, inclusief ranke torenspits en monsterlijke chimères.

Toen kwam het vuur. ‘De talloze sculpturen van duivels en draken waren onheilspellender dan ooit; het onrustige schijnsel van de vlam deed ze voor de ogen dansen. Er waren slangen die leken te lachen, roofdierbekken die bijtend leken dicht te klappen, draken die in het vuur bliezen, monsters die niesden in de rook. En tussen die monsters die door het vuur, door al dat kabaal uit hun stenen slaap waren gewekt, was er een menselijke figuur die bewoog, die af en toe voor de vuurgloed langsging als een vleermuis voor een kaars.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden