Recensie Grand Hotel Europa

De nieuwe Pfeijffer is een gezellig boek over Europa, liefde en toerisme (drie sterren)

Naast een beschouwing over een continent in verval is de nieuwe Pfeijffer ook gewoon een gezellig boek met leuke reisjes en fonkelende dialogen.

Beeld Martyn F. Overweel

Ilja Leonard Pfeijffer: Grand Hotel Europa

De Arbeiderspers; 596 pagina’s; € 24,99.

‘Je zou de geschiedenis van Europa kunnen beschrijven als een geschiedenis van terugverlangen naar de geschiedenis.’ Zegt de vriendin van de hoofdpersoon in Grand Hotel Europa, de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer. De hoofdpersoon heet Ilja Leonard Pfeijffer. En zijn vriendin Clio. Vernoemd naar de muze van de geschiedschrijving. Een vrouw die ‘leeft in het verleden’, want ze is kunsthistorica en de jongste telg uit een oud adellijk geslacht.

Wie de achterflap heeft gemist, waarop staat dat Pfeijffer ‘de tijdgeest diagnosticeert in een kolossale roman met Europa als speelveld’, hoeft gelukkig niet lang in verwarring rond te zwemmen. De goedmoedige Pfeijffer legt het allemaal uitgebreid uit. Opdat er geen misverstand over bestaat wat het thema is van deze roman: Europa, een illuster continent dat zijn voorsprong op de wereld verloren heeft en worstelt met zichzelf; Europa dat vastzit aan het verleden en alleen nog maar verleden te bieden heeft. Nostalgie is product geworden.

Het personage Pfeijffer reist naar een klassiek hotel, vermoedelijk in Midden-Europa, na het stuklopen van de relatie met Clio. Hij wil een boek over hun geschiedenis schrijven, overdenken waar het is misgegaan. Het hotel heeft de oude grandeur van de etablissementen in Dood in Venetië en De Toverberg van Thomas Mann, maar is in verval geraakt. De conciërge heet er nog ‘majordomus’ en praat in volzinnen, ‘krullen en arabesken’. Een van de gasten, de woedende Poolse dichteres Albane, doet denken aan Madame Chauchat uit De Toverberg. Een plek die stilstaat in de tijd, en het enige wat er is veranderd, is dat het hotel sinds kort een Chinese eigenaar heeft. En China is niet Europa. Nu staat er op de overloop een grote vaas met plastic bloemen.

Voor de liefde is Pfeijffer van Genua naar Venetië verhuisd. Heel toepasselijk voor het onderwerp van de roman, want ‘hier was de tijd blijven zweven in melancholie en heimwee naar de droom van een schaduw van een rinkelend verleden.’ Terwijl het liefdesverhaal zich ontvouwt, werkt de schrijver aan een roman over toerisme. Europa wordt overspoeld door toeristen die zich komen laven aan het verleden, op zoek naar een authentieke ervaring. De schrijver interviewt experts en beroepsreizigers, en dringt zo steeds dieper door in het wezen en de paradoxen van het fenomeen. In zijn nieuwe woonplaats wordt hij er natuurlijk voortdurend indringend mee geconfronteerd. Ook migratie komt in zijn overpeinzingen aan bod, die andere stroom bezoekers, maar dan ongewenst.

Pfeijffer laat niets aan het toeval over. Iedere ontmoeting, hoe vluchtig ook, past in het schema van ‘Europa en zijn verleden’. Omdat er geen ruimte is voor spontaniteit komt het verhaal niet echt los van de pagina. Of in elk geval lukt het Pfeijffer niet zijn eigen witte-mannen-perspectief te ontstijgen: elke waarneming past precies in zijn eigen denkkader. Daar tieren clichés welig, zoals dat Chinezen geen smaak hebben.

Toch wordt Grand Hotel Europa niet volledig gesmoord in schoolmeestersproza. De allegorische lading krijgt tegenwicht doordat Pfeijffer doet alsof hij nog aan de roman moet beginnen, en alsof de genereuze zeshonderd bladzijden die we in handen hebben slechts de aantekeningen zijn voor het toekomstige boek. Hoewel niemand daarin zal trappen, geeft zo’n grap lucht aan de anders zo dichtgetimmerde vertelling.

Cover Grand Hotel Europa. Beeld RV

Daarbij is Grand Hotel Europa ook gewoon – niet ironisch bedoeld – een gezellig boek, vol leuke dinertjes, reisjes en museumbezoeken, die soms werkelijk interessante ideeën opleveren. Vooral de intellectuele conversaties zijn de moeite waard; zoals wanneer de schrijver met ene Patelski George Steiners vijf onderscheidende kenmerken van Europa bediscussieert, of het migratievraagstuk. Of wanneer hij met Clio op zoek gaat naar het laatste schilderij van Caravaggio. Deze passages fonkelen, omdat ze goed onderbouwd zijn en onderhoudend geschreven – niet doorwrocht of pretentieus. De dialoogvorm is een verfrissende afwisseling van de lange essayistische passages, waarin Pfeijffer soms te opzichtig grappig denkt te zijn. Trouwens, alle Thomas Mann-verwijzingen ten spijt; in wezen probeert Pfeijffer nergens manniaans te schrijven. Noem Grand Hotel Europa gerust een pageturner.

Het meest bewonderenswaardige aan de roman is nog wel Pfeijffers fascinatie voor de materie, zijn betrokkenheid. Nergens laat hij zich verleiden reactionair te worden. Hij bepleit openheid, zoals het openstellen van de grenzen voor immigranten. En als hij wel reactionaire gedachten ventileert, voorziet hij ze van tegenwicht. Hoewel hij het expliciet voor Europa opneemt en zielsveel van zijn oude beschaving houdt, is dit geen elegie van het oude continent. Hij bezingt dichterlijk zijn oude culturen, maar hij is niet louter bitter over de uitverkoop ervan. Het ondergangsdenken is namelijk een wezenlijk onderdeel van de Europese identiteit; het hóórt bij Europeaan zijn, dus wie pessimistisch kan zijn over het verval van onze cultuur bewijst alleen maar dat Europa springlevend is. Grand Hotel Europa is niet alleen een beschouwing over onze identiteit, maar ook een bijdrage aan de voortzetting ervan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden