Boeken

De nieuwe koloniale leeslijst wil gelukkig niets weggummen ★★★★☆

In De nieuwe koloniale leeslijst wordt geen schrijver besmet verklaard en geen boek verbannen. Gelukkig maar. De essays houden de klassiekers opnieuw tegen het licht en wijzen op prikkelende, bijna vergeten boeken. Een feest om te lezen.

null Beeld Typex
Beeld Typex

‘Woke’ wil hij zich niet noemen, Rasit Elibol (1984), redacteur van De Groene Amsterdammer en samensteller van de essaybundel De nieuwe koloniale leeslijst. Dat woord ‘wordt te vaak gebruikt om elke discussie plat te slaan’. Liever noemt hij zijn generatie ‘wakker’. Hij is een wakkere lezer, levend in een gemengde omgeving, van een generatie die ‘‘de ander’ niet zo eng vindt’.

Wie met een wakkere blik kijkt naar de Nederlandse ‘koloniale literatuur’, ziet klassiekers die zijn geschreven vanuit het perspectief van de witte Nederlander, vaak met heimwee naar de kolonie, of de verhalen nu spelen in voormalig Nederlands-Indië, Suriname of op Curaçao. Hoog tijd voor een andere leeslijst, daarin hebben Elibol en de andere bedenkers van deze bundel gelijk. Boeken met andere stemmen, die een bredere kijk bieden op een vaak beschamend verleden en iets laten zien van de emotionele doorwerking op latere generaties.

Niets herschrijven

Zo woest als de omslagtekst suggereert, zijn de essays in De nieuwe koloniale leeslijst niet. Daarin wordt de vraag gesteld of ‘die besmette canon nog het lezen waard’ is: ‘Is het geen tijd om Oeroeg en De stille kracht van hun sokkel te trekken?’ In deze essays wordt geen schrijver besmet verklaard of van een sokkel getrokken en geen boek op een denkbeeldige brandstapel gegooid. Goddank. Evenmin stelt iemand voor om schandelijke passages te herschrijven of weg te gummen. Zoals Stephan Sanders schrijft in zijn essay over Cola Debrot: ‘Anders dan bij oude standbeelden, die je kunt voorzien van bijschriften, tegenbeelden en correcties, blijf je van oude boeken af.’ Lees je die boeken, dan zie je hoe de generaties voor ons dachten en voelden, welk moreel oordeel je er nu ook over hebt.

Door Sanders’ essay kreeg ik meteen zin om dat boek te lezen van de wonderlijke, bijna vergeten Cola Debrot, met een titel die nu alleen nog geschreven kan worden als Mijn zuster de n……, een roman uit 1935 met een zowel modern als controversieel thema: een witte man die zich een zwart, tropisch leven wenst en op donkere vrouwen valt. Dat is een feest in dit boek: zo veel goede auteurs bij elkaar – zoals Marja Pruis, Manon Uphoff, Lotfi El Hamidi, Maaike Meijer, Alfred Schaffer, Joost de Vries, Kees ’t Hart en Rasit Elibol – over schitterende of intrigerende schrijvers die in de vergetelheid dreigen weg te zakken: Helga Ruebsamen, Jo Boer, Edgar Caïro, Anil Ramdas en Frans Lopulalan. De boeken van de Indonesische auteurs Suwarsih Djojopuspito en Pramoedya Ananta Toer zijn een prikkelende toevoeging aan de lijst.

Herijking

De Grote Drie van de Nederlandse koloniale literatuur, Multatuli, Louis Couperus en Hella S. Haasse worden aan een herijking onderworpen. Je krijgt in hun werk, stellen literatuurwetenschappers Saskia Pieters en Lisanne Snelders, ‘weinig zicht op de Indonesische kant van de zaak’. Couperus’ blik was die van de verwende koloniaal. Het is ook waar wat Theodor Holman schrijft: dat pubers die het boek in de jaren zeventig van de vorige eeuw lazen, Couperus’ beeld van de Javaan die hurkend bedient, belachelijk en vernederend vonden. Max Havelaar is een smetteloze held; we moeten geloven dat de Javaanse hoofden van Lebak geïmponeerd naar zijn toespraak luisterden.

Dat is anders bij Oeroeg, de lijsttopper voor middelbare scholieren van Hella S. Haasse. Hier geen held, maar weemoed en spijt. Xandra Schutte schreef er een afgewogen stuk over. Ze beschrijft hoe het boek al bij zijn verschijning in 1948 weerstand opriep, vooral bij schrijver Tjalie Robinson, die schreef ‘Dit boek is FOUT’. Een Hollandse mevrouw kon toch niet weten wat een Indonesische jongen dacht? Deze mening nam Rob Nieuwenhuys over in zijn standaardwerk Oost-Indische Spiegel (1972). Dat krenkte Haasse diep; het was ook háár geboorteland, ook zij voelde het raciale ongemak. Daaraan kun je toevoegen dat Haasses zienswijze in 1948, kort na de wrede ‘politionele acties’, controversieel was. Schrijven over de vriendschap tussen een Nederlander en een Javaanse ondergeschikte en daarbij begrip tonen voor de Indonesische rebellie was ronduit gedurfd. Haasse stond achter het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs, wat critici haar niet in dank afnamen. Een halve eeuw later werd haar visie ‘eurocentrisch’ genoemd en haar beeld van de Javaan ‘stereotiep’. Dat laat maar weer eens zien dat je literatuur in een historische context moet lezen.

Literatuur is tegelijk altijd meer dan de beschrijving van een tijd. Couperus’ blik was koloniaal, maar zijn intuïtie was vrij. Hij liet in De stille kracht de ‘inlanders’ zich wreken op de botte, ongevoelige, heerszuchtige Nederlanders. Daar hebben we schrijvers voor: om in welke politieke werkelijkheid ook mensen te tonen met hun complexe verlangens, ongewenste of begeerde relaties en verborgen drijfveren. Of die nu fout zijn of niet.

null Beeld Das Mag
Beeld Das Mag

Rasit Elibol (red.): De nieuwe koloniale leeslijst. Das Mag; 238 pagina’s; € 21,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden