De mummie van Mao knipoogt

De heksen van Eastwick zijn terug, maar nu in de gedaante van drie weduwen. John Updike’s elegie van de ouderdom is de muzak van het wegvallen, niet de symfonie van het verval: poken in de as....

Er zit iets stuurloos in The Widows of Eastwick, de zojuist verschenen nieuwe roman van John Updike, iets zoekends, alsof het de schrijver moeite heeft gekost te bepalen waar het heen moest met zijn verhaal. Die weduwen uit de titel rijmen bijna met de ‘witches’ uit zijn roman van 1984 – en, inderdaad, de heksen van toen zijn de weduwen van nu en van hun sportieve wellust en tovenaarspraktijken van toen rest inmiddels niet veel meer dan de herinnering.

De fut is er wat uit, nu zij zo rond de zeventig zijn en de dood hun laatste mannen is komen halen. Zij zijn bovendien uit elkaar gehaald, en wonen verspreid over de Verenigde Staten, tussen Rhode Island en New Mexico.

Maar een stuurloze Updike over vrouwen waar de fut uit is, dat kan nooit lang duren. En dus is de achterdocht gerechtvaardigd dat hun huidige wederwaardigheden evenzeer onderwerp van satire zijn als hun kruidige en energieke optreden uit die roman van een kwarteeuw terug: ouderdom komt met gebreken, maar daar heeft de 76-jarige schrijver niet veel last van.

Men ziet het aan zijn sprankelende zinnen, aan de grappen die met gulle hand door het verhaal heen zijn gestrooid.

Het getob en geaarzel van de drie weduwen en het soms ongeremde gekakel, zij maken deel uit van het arsenaal stijlmiddelen dat John Updike inzet om hen in hun ouden-van-dagen-naturel te vangen.

Maar het contrast is krachtig, en die kracht bewerkstelligt des te markanter verschillen doordat er tussen de ‘witches’ van een half mensenleven geleden en de ‘widows’ van nu geen verhaal is verteld. In zijn ‘Rabbit’-tetralogie, de vier delen over het leed van een generatie die experimenteerde met alles wat hun middenklasse voor heilig had gehouden, en ook in zijn ‘Bech’-boeken, de zelfbespiegelende autobiografische verhalen, was Updike trouwer aan zijn personages, waardoor wij meer van hen wisten en met minder onderbrekingen met hen optrokken. Bij de drie vrouwen – Jane, Lexa en Sukie – gaat het, na zoveel jaar, onontkoombaar over verlies.

Van hun mannen in de eerste plaats en zodoende is het hun onwennige staat van weduwschap die ze weer bij elkaar brengt. Alexandra is haar Jim kwijt en sluit zich aan bij een groepsreis naar de Canadese Rockies om met de overweldigende natuur tot een vergelijk te komen. Maar de tocht kan haar niet werkelijk bekoren en de deelnemende mannen wekken bij haar hooguit herinneringen op aan haar eigen man, de natuur is groots maar ook doods.

Dat was in haar heksentijd wel anders. ‘Ik denk dat onderdrukking de sleutel was tot het soort energie dat mensen hadden’, zal een van haar vriendinnen haar later schrijven, ‘we waren niet uitgeblust op de manier waarop mensen die nu in hun twintiger jaren zijn dat zijn.’

Uitstapjes maken wordt na die Canadese bedevaart de procedure tegen verveling en eenzaamheid, maar niet tegen het terugblikken en vergelijken. Nog is Alexandra niet thuis of Jane meldt zich, ook al verlost van haar man en achtergebleven met haar schoonmoeder en een veel te groot huis. Samen gaan ze naar Egypte – en dat levert het heilloze reisgidsenproza op waaruit kennelijk moet blijken dat de dames zich proberen te spiegelen aan de doodscultus van de farao’s.

Nee, dat werkt niet, en dat het niet werkt is niet louter geslaagd effectbejag van een schrijver die zijn personages met hun neuzen op de feiten wil drukken. Hooguit hangt er een lichte glimlach van satire in die pagina’s.

Zij zijn iets kwijt, die heksen. Pas wanneer nummer drie zich meldt en zij gedrieën bij wijze van reünie opnieuw op stap gaan, naar China, de Verboden Stad en de Grote Chinese Muur, dit keer, komt er iets van toverkollenlol terug in het verhaal. In het Mausoleum van Mao bewegen twee van hen de mummie van Mao naar nummer drie te knipogen. Kijk, ze kunnen het nog, toveren, maar het blijft flirten met een kadaver.

Zij moeten terug naar de plaats waar zij indertijd hun onheil hebben kunnen stichten, een reünie is niets zonder de genius loci van de gedeelde herinneringen. Maar er is iets mis met die plek, met het slepende leven in de buitenwijken van New England waar de sleur een deken over de geheimen was. ‘Op een vreemde manier zijn er geen kleine steden meer’, mijmert één van de heksen over de ontstentenis van de kleinsteedsheid ter plekke, ‘alleen maar winkelcentra en bedrijventerreinen met beschermde woonoorden er tussenin, en er is zelfs geen geroddel meer.’ Zou het komen doordat er voor de drie oude vrouwen niets meer te roddelen valt, domweg omdat zij niets roddelwaardigs meer meemaken?

Updike’s elegie van de ouderdom is, anders dan die waar Philip Roth, zijn generatiegenoot, zich nu al boekenlang in bekwaamt, de muzak van het wegvallen, niet de somber dreunende symfonie van het verval.

Het vuur is gedoofd, as is er om vruchteloos in te poken. In de laatste scènes van het boek wordt er gepookt dat het een aard heeft, maar wroeging en nostalgie en de behoefte om met het oog op de naderende dood in het reine te komen met de herinneringen zijn geen van alle vurige emoties. Het komt doordat hun libido is weggesijpeld, de herinneringen van de drie aan het seksleven van hun laatste huwelijken zijn zo onbeduidend dat zij zelfs geen verwijt meer vormen.

Daar kan Updike, de Amerikaanse puritein die het zowel van de verleiding als de schaamte moet hebben, niet zoveel mee. Geen verleidingen meer, dan ook geen schaamte – en probeer daar maar eens satirisch over te worden.

Mooie zinnen, sprankelende beelden, vooral in de tweede helft van het boek, als al dat lamlendige gereis erop zit. Maar te fit voor doodsangst.

En dat ligt ook aan de tevredenheid van de auteur met zichzelf, ‘the Great Male Narcissist’, zoals de onlangs gestorven David Foster Wallace hem raak wegzette. Hij lijkt te uitgestreken om bevattelijk te zijn voor de dreiging van verval en dood, zelfs de lauwheid van de lust lijkt hem koud te laten. Het is alsof hij zijn thematiek overleefd heeft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden