Reportage Literaire topstukken

De mooiste voorwerpen uit het Literatuurmuseum

Een rondje door het museum en zijn archief met het nieuwe hoofd collecties, Bertram Mourits.

Verhaal van Top Naeff met illustratie van Theo Hoytema. Beeld Simon Lenskens

Loop door de imposante portrettengalerij van het Literatuurmuseum in Den Haag, waar grote schrijvers je vanaf de muur in afwisselende stijl en kwaliteit aankijken, en onvermijdelijk dringt de vraag zich aan je op: wat moet een auteur bereikt hebben om in dit archief te worden opgenomen, om voor bijna eeuwig te worden bijgezet in deze literaire catacomben?

Het antwoord van het nieuwe hoofd collecties, Bertram Mourits (48), is tamelijk ontnuchterend: je moet een paar boeken hebben uitgegeven, liefst niet in eigen beheer. ‘We weigeren in principe niemand de toegang. Het is niet aan ons om nu te bepalen wat de literaire waarde van schrijvers is. Over honderd jaar denken ze er misschien heel anders over.’

Dus, tip voor schrijvers die zich miskend voelen (min of meer alle schrijvers, inderdaad): geef je archief aan het Literatuurmuseum. Wie weet zal een toekomstige neerlandicus nog eens stuiten op een geniale dagboeknotitie of vlammende correspondentie en op basis van de, in retrospect, ontegenzeggelijke kwaliteit voor een herwaardering pleiten.

Het Literatuurmuseum

Het Literatuurmuseum, in 1954 opgericht als het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, en het Kinderboekenmuseum zijn gehuisvest in het gebouw van de Koninklijke Bibliotheek, vlak naast station Den Haag Centraal. De musea verhuizen waarschijnlijk binnen een paar jaar naar het Haagse Museumkwartier. Momenteel is in het Literatuurmuseum een tentoonstelling over J. Slauerhoff te zien, Een scheepskist vol verlangen.

Sinds 2010 is de tentoonstelling Het Pantheon te zien, waarbij het werk van de grootste 100 Vlaamse en Nederlandse schrijvers sinds de Middeleeuwen wordt uitgelicht. Een kaartje kost 8,50 euro voor volwassenen, 7 euro studenten, 7 voor jeugd van 7 t/m 18 jaar en 6 voor de jongste kinderen.

Het archief huisvest het werk van 7.000 schrijvers en illustratoren, met een totaal van 6 kilometer aan objecten, onder meer bestaande uit 1,8 miljoen brieven, 250 duizend manuscripten en 65 duizend foto’s. Het bezoeken van de studiezaal is gratis, maar moet wel minimaal twee werkdagen van tevoren worden aangekondigd. De catalogus is ook online te raadplegen. Zie literatuurmuseum.nl. 

Dood hoef je overigens niet te zijn om de opgespaarde papieren, curiosa en harde schijven over te hevelen naar het museum. Wie in de werkkamer wat ruimte wil maken kan bij leven al doneren aan het geheugen van literair Nederland. Speurend in de kartonnen dozen vind je zilveren gympies van Bart Chabot en een boxershort van Adriaan van Dis.

Ook Joost Zwagerman schonk, een jaar voor zijn zelfgekozen dood, zijn 10 meter strekkende archief aan het museum. Behalve brieven aan bevriende schrijvers als Bril, Buwalda en Giphart liggen er nu ook een witte plastic MacBook en een gigantisch metallic Mac-scherm in de kelder, naast de schrijfmachines van literaire helden van weleer.

Ruimte

Stel dat auteurs nu massaal hun archieven op de trein naar Den Haag zetten, dan zijn de depots van het Literatuurmuseum natuurlijk binnen de kortste keren vol. Wat dan? Mourits: ‘Dan zullen we, net als alle andere archieven ter wereld, ruimte moeten bijkopen. Gelukkig neemt het meeste materiaal, papieren, relatief weinig ruimte in.’

Wat ligt er allemaal voor moois verstopt in het archief? Toen Bertram Mourits hier begin dit jaar kwam werken – na vijftien jaar bij uitgeverij Atlas Contact als redacteur poëzie en non-fictie – vielen hem de veelheid en de rijkdom op, maar ook een zekere willekeur. ‘Ik moet soms twee keer kijken voor ik de literaire waarde zie.’

Een typisch schrijvers-object is de bril, blijkt uit de ruime collectie bestaande uit onder meer de monturen van Achterberg, Beets, Bloem en Coenen. Op het eerste oog irrelevant, maar bij nader inzien literair onontbeerlijk is de trekveer van Kees Ouwens, die hij gebruikte om zijn spieren op peil te houden, als ze zich geleidelijk hadden afgebroken door het stilzitten. Er liggen ook enkele wandelstokken, van Herman Gorter, Henriette Roland Holst en Slauerhoff.

Het willekeurigste voorwerp is mogelijk een steen die rond 1900 is gevonden bij Valkeveen door Willem Kloos, dichter en Tachtiger. We maken een rondje door het Literatuurmuseum op zoek naar elf bijzondere objecten, die we – toegegeven – nogal willekeurig rangschikken in categorieën. Om te beginnen in de galerij, de blikvanger bij binnenkomst, bij het lievelingsportret van Mourits, voor het gemak uitgeroepen tot het mooiste object.

Portret van Jules Deelder. Beeld Simon Lenskens

1. Mooist: Portret van Jules Deelder, door Hans Verhagen (1996)

Een schilderij van een dichter door een dichter. Mourits: ‘De kinderlijke stijl spreekt me erg aan. Hans Verhagen, de maker, was een van de grote dichters die in de jaren zestig rond De Nieuwe Stijl actief waren, het tijdschrift van Armando, Sleutelaar en Vaandrager.’ Bekendste gedicht uit die periode is van Vaandrager over Madurodam: ‘De kroketten in het restaurant / zijn aan de kleine kant’.

‘Deelder was in die tijd, ‘64-’66, net begonnen. Enfin, de schilder dus, Verhagen, was eerst dichter, en in een periode waarin hij veel minder dichtte – door een combinatie van liefdesverdriet, gebrek aan inspiratie maar ook drugsgebruik – werd hij als schilder ook behoorlijk succesvol. Dit is uit 1996. Hij zou een literaire comeback maken en zelfs nog de P.C. Hooft-prijs krijgen.’

Barbarber, fles wijn uitgegeven als literair tijdschrift. Beeld Simon Lenskens

2. Meest dadaïstisch: Barbarber #89 (1990)

Barbarber was sinds eind jaren vijftig een literair tijdschrift van J. Bernlef, K. Schippers en G. Brands. Mourits: ‘Er heerste onder hen een anti-pretentieuze sfeer. Ze vonden literatuur vaak te poëtisch, te groots, te expressionistisch. Dat mocht best gewoner, vonden ze, want, naar de beroemde regel van K. Schippers, ‘als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is’. Ze hadden er een handje van om – vergelijkbaar met Marcel Duchamp en zijn fietswiel – alledaagse objecten tot kunst te bombarderen. Nummer 68 van Barbarber was tamelijk legendarisch: enkele behangstalen met daaromheen het bekende tijdschriftomslag. Nummer 89 was een vrij ordinaire fles wijn, een Cotes du Ventoux uit ’88. Het nummer, oftewel de fles wijn, verscheen in een oplage van 144 stuks, elk gesigneerd door Bernlef, Schippers en Brands. Het past mooi in de traditie van dada en popart. De wijn zal nu niet meer te drinken zijn. Ik zie trouwens dat op Boekwinkeltjes.nl nog een lege fles voor 135 euro te koop is, nummer 86 van 144.’

Carnavalskostuum Louis Couperus. Beeld Simon Lenskens

3. Feestelijks: Carnavalskostuum Louis Couperus (1910)

Een driedelige roze satijnen smoking, gedragen op het slotbal van het carnaval in Nice. Mourits: ‘We weten dat Couperus hield van flaneren in de zon. In zijn boeken hebben de personages in het zuiden het steevast beter voor elkaar dan de figuren die in het sombere Den Haag blijven.’

In 1899 raakten Couperus en zijn vrouw, beiden opgegroeid in Indië, betoverd door Nice en de mediterrane decadentie. In de winter van 1902 was Couperus voor het eerst op het Carnaval Niçois, dat een maand duurt. La Grande Redoute, het slotbal, vond hij het mooist. Genodigden dienden de door het Comité des Fêtes voorgeschreven kleuren te dragen. In 1910 roze en zwart. ‘Het Carnaval is uniek van dwaasheid en dolheid en pracht en vroolijkheid’, schreef Couperus, ‘maar… ieder jaar verliest het al iets van zijn kwaliteiten: de menschheid is zoo heel ernstig en de tijden zijn zoo moeilijk… Viert Carnaval, voor het te laat is.’

Pr-campagne Ik Jan Cremer. Beeld Simon Lenskens

4. Commercieelst: Pr-campagne Ik Jan Cremer (1963-64)

Het museum heeft een flink pakket in bezit van Ik Jan Cremer: het oorspronkelijk manuscript, tot de rand toe vol getypt, notities voor de redacteur, geschreven op het briefpapier van ‘Jan Cremer Incorporated’, voorstudies van het omslag én een nauwkeurig uitgedacht marketingplan. ‘Mijn liefde voor dit museum is flink aangewakkerd toen ik dit pakket jaren geleden voor het eerst zag’, zegt Mourits. ‘Prachtig om te zien hoe uitgekiend het is. Cremer schreef onder meer dat het goed zou zijn om een schandaal te hebben. Het liefst dat het boek verboden zou worden.’

Dat werd het boek ook, door de IDIL-index (Informatie Dienst Inzake Lectuur), die katholieken voorschreef wat zij wel en niet mochten lezen. Cremer wilde ook een ‘stunt voor de Boekenweek’ bedenken, een optie was: ‘5 naakte meiden’. ‘Mooi is ook het lijstje met adressen van BN’ers die het boek moesten ontvangen. Een methode die nog steeds door uitgevers wordt gebruikt, in de hoop op wat reuring op sociale media. Het pakket van Ik Jan Cremer is een fascinerende documentatie over het moment dat literatuur en marketing, voor die tijd ongeëvenaard, in elkaar overliepen.’

Onaniedagboeken Lodewijk van Deyssel. Beeld Simon Lenskens

5. Meest scabreus: Onaniedagboeken Lodewijk van Deyssel (vanaf ca. 1875)

‘Van Deyssel was een maniakaal figuur die alles bijhield op papier’, zegt Mourits. ‘Er is zelfs een boekje van zijn telefoonbriefjes uitgegeven, de notities die hij voor een bediende maakte die in zijn plaats belde, want dat deed Van Deyssel niet zelf. In de onaniedagboeken, die nog niet zijn uitgegeven, heeft hij gedetailleerd beschreven hoe hij probeert zich niet af te trekken en hoe dat telkens niet lukt. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn handen vastbond om zich in te houden. 

‘Hij hield de dagboeken niet bij om het taboe rond masturbatie te slechten, want hij hield ze strikt geheim en schaamde zich wel degelijk, blijkt uit de tekst. Op de website Vele Handen is een project gaande waarbij vrijwilligers al die dagboeken aan het uittypen zijn. Wat hem dreef in zijn hang naar volledigheid is moeilijk te zeggen, zijn biograaf heeft er 1.300 pagina’s voor nodig om dat uit te leggen. Van Deyssel was overigens wel een van de eersten die in een roman beschreven hoe een vrouwelijke hoofdpersoon de liefde met zichzelf bedreef. Dat was zo schokkend voor tijdgenoten dat hij de aanstootgevendste passages in de tweede druk verwijderde.’

Versnipperd manuscript Gerard Fieret. Beeld Simon Lenskens

6. Brutaalst: versnipperd manuscript, Gerard Fieret (1987)

Gerard Fieret, fotograaf, kunstenaar en dichter, staat bekend als excentrieke eenling, een eufemisme voor verwarde man. Mourits: ‘Hij was boos op een vorige directeur en schonk een manuscript versnipperd aan het museum. Waarom hij boos was, weet niemand meer precies, maar de snippers bewaren we nog altijd netjes.’

Verhaal van Top Naeff met illustratie van Theo Hoytema. Beeld Simon Lenskens

7. Sierlijkst: Verhaal ‘Romance’ van Top Naeff (1920)

Het manuscript voor het korte verhaal ‘Romance’ is een keurig boekje, bijeengehouden door een groen touwtje en gestopt tussen twee kartonnetjes die met een goudkleurig lint aan elkaar bevestigd zijn. Daarop geschreven de titel ‘Romance’, in de vorm van een jugendstilachtig ornament. En daarop weer is een kleurrijke pauw afgebeeld, zo te zien opgeplakt, en daarna netjes bijgewerkt aan de randjes.

‘Het ziet er prachtig uit’, zegt Mourits. ‘Ook de tekst is keurig netjes, in een perfect sierlijk handschrift, geen doorhaling te bekennen. Er staat niet bij van wie de illustratie is, maar volgens biograaf Gé Vaartjes moet het Theo van Hoytema zijn. In de NRC van 22 januari 1916 schreef Naeff over zijn prachtige muurschilderingen van pauwen die zij in De Groote Sociëteit, waar vrouwen eigenlijk niet welkom waren, had gezien. Van Hoytema stuurde haar een briefje terug en schonk haar reproducties van de pauwen.’

Het is helaas niet duidelijk waarom Naeff juist deze editie van dit verhaal, te vinden in haar persoonlijk archief, zo mooi heeft opgeschreven en geïllustreerd. ‘Top Naeff werd in haar tijd vaak weggezet als sentimentele meisjeslectuur, maar ik vind dat ze een onderschat figuur is. Dit verhaal, over een gravin die valt voor een markies, is schitterend en subtiel melancholisch.’

Kijkdozen van C. Buddingh. Beeld Simon Lenskens

8. Meest procrastinatief: Kijkdozen van C. Buddingh’ (1971)

‘C. Buddingh’ was een figuur die nergens helemaal bij hoorde’, zegt Mourits. ‘Hij zag ooit een affiche van een evenement waar hij ook zou optreden, waarop alle namen alfabetisch stonden, behalve die van hem, zijn naam was erachteraan geplakt. Dat beschreef hij in het gedicht ‘Curieus blijft het wel’: ‘ik ben het neefje dat ook mee mag uit logeren / het is niet zo erg / daaruit put ik mijn kracht’. Hij was een veelschrijver, die volgens W.F. Hermans oeverloos kletste in zijn dagboeken, maar hij was tegelijkertijd een uitsteller. Als hij niet tot schrijven kwam, pakte hij een sigarenkistje en begon te knutselen. Wel honderd kijkdozen maakte hij. Zeer aandoenlijke tafereeltjes.’ Over het beginnen met schrijven schreef Buddingh’ het gedicht ‘Wie maakt mij wat’: ‘dit is (voor vandaag) de methode / achter de schrijfmachine gaan zitten / de kap opslaan, het papier insteken / en dan de vingers maar over de toetsen laten dansen / als een indiaans opperhoofd over de lijken van zijn verslagen vijanden.’

Stofzuiger van Vestdijk. Beeld Simon Lenskens

9. Bekendst: Stofzuiger van Vestdijk (1936)

Een aantal objecten van het museum schurkt tegen het clichématige aan, waaronder ‘de helm van Hanlo’, waarschijnlijk niet dezelfde helm die door de dichter werd gedragen tijdens zijn fatale motorongeluk, en het knuffelkonijn van Reve, bekend uit De Avonden. Mourits: ‘Waarschijnlijk het bekendste voorwerp, vooral vanwege de tot de verbeelding sprekende anekdote, is de stofzuiger van Vestdijk. Om achtergrondgeluiden te maskeren, zette Vestdijk tijdens het schrijven de stofzuiger aan en deed oordoppen in. Het monotone geloei van de Nilfisk zou een verklaring zijn voor zijn hoge productie. Of zoals Roland Holst zei over Vestdijk: ‘De man die sneller schrijft dan God kan lezen.’’

Stukje metaal van de inmiddels gesloopte brug bij Zaltbommel, bekend van het gedicht 'De moeder de vrouw' van Martinus Nijhoff. Beeld Simon Lenskens

10. Actueelst: Stukje metaal van de gesloopte brug bij Zaltbommel (1996)

Toen de brug bij Zaltbommel in 1996 werd gesloopt en vervangen door een nieuwe, was er een alerte werker die dacht: hé, het zou zonde zijn als er niets bewaard wordt van de brug uit het beroemde gedicht ‘De moeder de vrouw’ van Martinus Nijhoff. ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’, begint het gedicht. Liggend in het gras hoort de dichter een stem. ‘Het was een vrouw / Het schip dat zij bevoer / kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren / Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer / en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren / O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.’

In 2018 staat dit gedicht opeens weer in het middelpunt van een felle rel, omdat de CPNB het thema van de Boekenweek ‘De moeder, de vrouw’ heeft gemaakt en een mannelijke schrijver vroeg voor zowel het Boekenweekgeschenk als het -essay. ‘Het grappige van dat hele gedoe’, zegt Mourits, ‘is dat de CPNB zich niet gerealiseerd heeft dat niet iedereen dat gedicht van Nijhoff paraat heeft. Aandoenlijk eigenlijk. Nijhoff geeft in zijn gedicht een draai aan de staande uitdrukking ‘moeder de vrouw’ en schrijft over het heimwee van een zoon naar zijn moeder. Moederschap is natuurlijk helemaal geen slecht thema. Al is het wel buitengewoon knullig om dan geen vrouw aan het woord te laten.’

Briefje Vasalis aan Menno ter Braak. Beeld Simon Lenskens

11. Meest alledaags: Briefje Vasalis aan Menno ter Braak (1940)

In februari 1940 schreef Margareta Droogleever-Fortuyn-Leenmans, oftewel dichter M. Vasalis, een kort briefje aan haar collega en vriend Menno ter Braak: ‘In Mei gaan we – Hitler volente – toch voor een jaar naar America, zoals het oorspronkelijke plan was. (…) Met het manuscript heb ik geen haast. Het lucht me op als het uit huis is, bovendien is de Boekenweek er al haast.’

Mourits: ‘Het is eigenlijk een briefje van niks, maar ik vind het zo mooi hoe het grootse, de sluimerende dreiging van de oorlog, en de alledaagse schrijversbeslommeringen in een vanzelfsprekend verband staan hier. Ter Braak was overigens veel ouder dan Vasalis en bijna dood toen. Hij had een hekel aan Amerika, het consumentisme en kapitalisme. Wellicht excuseerde Vasalis zich een beetje met dit briefje. Dit is waar het eigenlijk om gaat in ons archief: de verhalen achter het papier.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.