De moederaller echtelijke oorlogen

Ruim veertig jaar nadat Edward Albee het schreef, is Who’s afraid of Virginia Woolf nog zo modern, dat de negende Nederlandse opvoering eraan komt....

Hein Janssen

‘Ik schrijf geen opwekkende stukken, geen pijnstillers. Ik heb geen behoefte aan het soort problemen dat je aan het eind van het derde bedrijf bij elkaar kunt pakken. Uit dat soort voorstellingen loop je weg met als enig overgebleven vraag waar je je auto ook weer had geparkeerd.’

Dat zei de Amerikaanse toneelschrijver Edward Albee in een interview in de Saturday Evening Post van 18 januari 1964. Anderhalf jaar eerder was zijn toneelstuk Who’s afraid of Virginia Woolf op Broadway in première gegaan en de schok die dat teweeg bracht, dreunde nog na. Albee moest voortdurend antwoorden op de vraag waarom hij zo’n keihard stuk had geschreven. Hij gaf zijn publiek geen pijnstillers, integendeel, hij legde een open zenuw bloot. Een schurende pijn na afloop, dat is wat Albee met zijn stuk nastreefde en dat is hem tot op de dag van vandaag gelukt.

Ruim veertig jaar later wordt Who’s afraid of Virginia Woolf nog steeds gespeeld. Het stuk behoort vanaf de première in 1962 tot de klassieken van het moderne theater, sterker nog: het is het ijkpunt geworden voor alle relatiedrama’s en huwelijkstragedies die daarna zijn geschreven.

Martha en George * twee namen uit de toneelliteratuur die zo bekend klinken dat het bijna lijkt of ze familie zijn. Ze zijn 23 jaar getrouwd en vastgelopen in hun huwelijk. Zij is de dochter van een geschiedenisprofessor aan de universiteit, hij wetenschappelijk medewerker. Ooit gold hij als een talentvol wetenschapper en zag schoonpapa in hem zijn opvolger, maar het ontbrak hem aan ambitie en moed. Ingekapseld in het universitaire leven proberen George en Martha zich met de moed der wanhoop staande te houden.

Om hun huwelijk te redden, voeren zij oorlog, een totale oorlog waarin alle wapens geoorloofd zijn, van fysiek geweld tot psychische vernedering. Als stootkussen en bliksemafleider fungeren Nick en Honey, de twee jongelui die ze na een feestavondje bij Martha’s vader thuis mee naar huis nemen; hij veelbelovend docent biologie, met ambities en ook nog eens voorzien van een sportief, goedgebouwd lichaam, een all American boy dus, klaar om de wereld te veroveren; zij ogenschijnlijk een dom gansje dat vooral schijnzwanger is.

Het stuk begint om twee uur in de nacht en eindigt drie uur later als het ochtend wordt. De drank is dan op, de glazen zijn kapot, de gasten gaan uitgeput naar huis en George en Martha hebben tot bloedens toe hun rituele veldslag gevoerd.

George: ‘Jij kan wel de hele avond mij zitten vernederen, mij kapotmaken... De hele godganse avond. Dat kan allemaal, dat mag... Terwijl de drank zowat uit je oren loopt.’

Martha: ‘Je kan het best hebben!’

George: ‘Ik kan het niet hebben!’

Martha: ‘Je kan het wel hebben! Daarvoor ben je toch met me getrouwd!’

Volgende week gaat bij het Onafhankelijk Toneel Wie is bang voor Virginia Woolf in première, in regie van Mirjam Koen, met Ria Eimers en Bert Luppes in de rollen van Martha en George. Het is in Nederland inmiddels de negende opvoering van het stuk. Al anderhalf jaar na de wereldpremière bracht De Nederlandse Comedie, destijds hét toneelgezelschap van het land, een legendarische opvoering met Ank van der Moer en Han Bentz van den Bergh.

Die oerversie uit 1964 werd een doorslaand succes, bleef meer dan drie jaar op het repertoire en beleefde in totaal 272 opvoeringen. Een ongekend aantal, zeker in vergelijking met het aantal opvoeringen dat successtukken tegenwoordig halen: Cloaca van Maria Goos is bijvoorbeeld 83 keer gespeeld.

In De Telegraaf van 22 oktober 1966 ging Henk van der Meyden een dagje mee met de acteurs. ‘Wat is er in die drie jaar gebeurd achter de schermen van dit stuk, hoe zijn de spanningen verwerkt, hoe kregen de acteurs hun karakter onder de knie en hoe reageert hun persoonlijkheid op dit spel dat psychisch heel slopend lijkt te zijn?’, vraagt de verslaggever zich af. Achter de schermen constateert Van der Meyden vooral slapeloze nachten, slaappillen en acteurs die worstelen met opkomende depressies.

Na de voorstelling, om half een ’s nachts, interviewt hij Ank van der Moer over Martha. ‘In het begin was die rol heel moeilijk voor me. Iedereen vindt het nu gewoon, maar ik kon bijvoorbeeld die zin: ‘‘Geef me een natte zoen!” eerst niet zeggen. Ik vond het zoiets vreselijks... maar het past bij die vrouw.’

Niet alleen het gesubsidieerde toneel nam Virginia Woolf op het repertoire, er volgden verschillende vrije producties met onder meer André van den Heuvel en Kitty Janssen, Pleuni Touw en Hugo Metsers en in 2001 speelden Will van Kralingen en Edwin de Vries Martha en George.

Het geeft aan dat Wie is bang voor Virginia Woolf van meet af aan een publieksstuk is geweest * geen elitair kunsttoneel vol Amerikaans relatiegeneuzel.

Een gefnuikte maatschappelijke carrière en de wederzijdse teleurstelling daarover, dat lijkt het hoofdthema van Virginia Woolf. Maar evenzeer gaat het over kinderloosheid en over de pijn van het ouder worden. De reden van die kinderloosheid laat Albee fijntjes in het midden. Is een van beiden onvruchtbaar of is bewust gekozen voor kinderloosheid? Voor dat laatste valt veel te zeggen, omdat zowel George als Martha uit gebroken gezinnen komen. Martha is op jonge leeftijd haar moeder verloren en is te hecht aan haar beroemde vader vastgeklonken geweest. Georges jeugd was zo mogelijk nog traumatischer. Als jongetje schoot hij per ongeluk zijn moeder dood. Later, toen hij van zijn vader rijles kreeg, veroorzaakte hij een ongeluk waarbij die vader om het leven kwam. Althans: die dramatische voorvallen verwerkte George in zijn eerste roman die hij nadrukkelijk autobiografisch noemt. Die roman ligt ook aan de basis van zijn deconfiture als wetenschapper: zijn invloedrijke schoonvader vond het manuscript dermate verwerpelijk dat hij zijn handen van hem aftrok.

Om hun kinderloosheid te pareren, hebben George en Martha een zoon verzonnen. Aan het begin van het stuk wordt hij verwacht om in het ouderlijk huis zijn 21ste verjaardag te vieren, aan het eind is hij dood. Die gefantaseerde zoon is een even virtuoos als tragisch bedenksel, in het leven geroepen om het bestaan van George en Martha enigszins inhoud te geven * een baken in een mistig leven.

Martha: ‘Het enige dat ik heb geprobeerd te behoeden, te beschermen, op te heffen uit het bedorven moeras van dit onzalige, verstikkende huwelijk... het enige lichtpunt in die troosteloze duisternis... onze zoon!’

Maar hij is ook een barrière, een sta-in-de-weg, waardoor het echtpaar de waarheid niet onder ogen hoeft te zien. Daarom moet die zoon dood, opdat George en Martha verder kunnen leven. George laat aan het slot hun zoon verongelukken, omdat Martha met derden over hem heeft gesproken. George: ‘Je hebt je niet aan de spelregels gehouden. Je hebt over hem gepraat... je hebt over hem gepraat, tegen anderen.’

De zoon hangt van begin tot eind als een demon boven het stuk, hij bepaalt de handelingen en stuurt zijn ouders in een roes van alcohol en vergif naar een louterend einde. Het is van een ongekende dramatische kracht, die Virginia Woolf van alle tijden maakt.

Het stuk bestaat uit drie bedrijven: Sport en Spel, Heksensabbat en Geestenbezwering. Wat begint als een macaber spelletje waarin twee verlopen mensen een jong stel proberen te kleineren, mondt via een donker samenzijn uit in het uitbannen van de kwade geest. Van meet af aan zet Albee lijnen uit, laat ze met elkaar kruisen, en ontwart ze uiteindelijk zodat alles helder wordt * helder als het ochtendgloren waarin George en Martha tenslotte troost vinden.

Gerard Reve vertaalde het stuk in 1964 in het Nederlands en die vertaling is ook bij herlezing nog steeds prachtig. Toneelspelers van nu vinden zijn taal vaak wat al te archaïsch, daarom hebben de acteurs van het OT tijdens de repetities zelf een nieuwe vertaling gemaakt. Die door Albee op de valreep is afgekeurd, zodat het OT nu zijn toevlucht moet nemen tot de vertaling van Coot van Doesburgh uit 2001, gemaakt voor Edwin de Vries en Will van Kralingen. Een lekker bekkende tekst, dat wel, maar aanzienlijk minder rijk dan het origineel. ‘Jij godverdomd secreet, met dat geëmmer’ (Reve) werd ‘Kappen met die handel * trut, kut, sufkut’ (Van Doesburgh); ‘krijsen’ werd ‘tetteren’, ‘boezem’ werdt ‘tieten’.

Achteraf bezien is het begrijpelijk dat de publieke opwinding over Virginia Woolf destijds zo groot was. Het was 1962, de roerige jaren zestig, inclusief de seksuele revolutie moesten nog komen, en dan verleidt in dit stuk een vrouw van midden vijftig met grof geschut een jonge viriele kerel, onder de ogen van haar man die doodgemoedereerd een boek leest. Hier wordt met flinke kracht gemorreld aan het nette bestaan van de gegoede burgerij. Hier wordt het instituut huwelijk afgeschilderd als een mensonterende gevangenis.

Albee was niet de eerste toneelschrijver die de knellende banden in het huwelijk voor het voetlicht bracht. August Strindberg (Dodendans), Henrik Ibsen (Nora, een poppenhuis) en Eugene O’Neill schreven stukken waarin de echtelieden elkaar al dan niet met sardonisch genoegen naar het leven staan. Het vernieuwende van Albee is dat hij geen enkele compassie met zijn personages toont, het schokkende dat zij niets meer op te houden hebben. Bij Ibsen en O’ Neill en zelfs bij de meedogenloze Strindberg, is er altijd een soort berusting, een aanvaarden van het lot, een waardig zwijgen op den duur. Bij Albee moeten de man en de vrouw door het slijk, ze moeten hun status en zekerheden loslaten om uiteindelijk de waarheid onder ogen te zien. Dat maakt zijn stuk ook nu nog zo vreselijk modern.

Who’s afraid of Virginia Woolf heeft veel andere toneelschrijvers geïnspireerd. Hoewel zijn werk veel abstracter is, toont Harold Pinter verwantschap. Lars Norén grossiert in bikkelharde portretten van een huwelijk en zijn stuk Zo eenvoudig is de liefde is zelfs een regelrechte variant op Virginia Woolf. In Nederland zijn de afgelopen jaren nieuwe toneelstukken geschreven die overduidelijk schatplichtig zijn aan Albee. Zowel in Geslacht van Rob de Graaf als in Offertorium van Erik-Ward Geerlings is de blauwdruk uit 1962 zichtbaar: een echtpaar neemt twee andere, vaak onschuldige mensen mee naar huis om in een nacht vol drank, seks en bekentenissen orde op zaken te stellen.

Als het goed is, wordt bij iedere nieuwe opvoering van Virginia Woolf een nieuwe laag aangeboord. Iedere regisseur legt een ander accent. Bij Dirk Tanghe (Theater Malpertuis, 1994) was vooral het verglijden van de tijd en het voorbijgaan van de jeugd de motor tot een niets ontziende en adembenemende oorlog tussen Martha en George. In de tegendraadse versie van Sam Bogaerts uit 1986 met Viviane de Muynck en Kees Hulst werden gaandeweg de voorstelling alle meubels weggesleept en werden aan het eind smartlappen gezongen. Soms dient het stuk alleen maar als vehikel voor twee acteurs die eens een lekker potje acteren willen laten zien, zonder dat daaraan een visie ten grondslag ligt. Alleen dan bestaat het gevaar dat Virginia Woolf een relikwie wordt uit een voorbij verleden.

Toen Edward Albee in 1989 zijn eigen stuk regisseerde in het Doolittle Theatre in Hollywood, bijna dertig jaar nadat hij het schreef, merkte hij op dat hij het gevoel had zijn stuk steeds beter te leren kennen. ‘Ik denk dat ik onderhand weet hoe het in elkaar zit, ik ken inmiddels de valkuilen.’ Hoewel een tikkeltje koket geeft Albees eigen zoektocht aan hoe gelaagd het stuk is.

Zolang er huwelijken zijn, of liever zolang er mensen zijn die in volle overtuiging hun lot in elkaars handen leggen, zal Who’s afraid of Virginia Woolf gespeeld worden, en voor een schok zorgen. Niet meer vanwege het vloeken en schelden, niet vanwege het gezuip en gevoos, maar omdat het zo intens treurig is, en tegelijk zo waar. Omdat het gaat over twee mensen die de boot hebben gemist, omdat ze elkaar de overtocht niet gunnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden