De moed om onbelangrijke dingen te doen

Met Sneeuw van Hem (De Arbeiderspers; 39,90), over een schrijver van kleine romans die driehonderd pagina's moet concipiëren, schreef Koos van Zomeren (51), auteur van kleine romans en bescheiden stukjes, zijn omvangrijkste boek sinds hij debuteerde in 1965....

Wat heeft hij, Hem, er een hekel aan zijn nieuwste boek uit te moeten leggen, om te moeten vertellen waar het over gaat, terwijl hij dat juist allemaal ópgeschreven heeft. 'Hem is op televisie geweest. Hij is wezen zeggen dat hij een briljant boek geschreven heeft. Nu wemelt het op de televisie van de sukkels die komen zeggen dat ze een briljant boek geschreven hebben, maar dit is een uitzondering, werkelijk een briljant boek. Het is geestig, het is poëtisch en het gáát ergens over ook. Ja zeg, ik zal me daar de kwaliteiten van mijn eigen boek niet kennen.'

Wat heeft hij, Thomas Hem, er een hekel aan zijn nieuwste boek uit te moeten leggen en wat kan het hem, Koos van Zomeren, schepper en inspirator van Hem, ongemakkelijk maken dat te doen. Het is het eerste wat hij zegt, als de afspraak wordt gemaakt: vervelend, van je eigen boek te moeten zeggen hoe goed het is.

Die afkeer delen ze, Thomas Hem en Koos van Zomeren, zoals ze zoveel delen: voorliefdes en karaktertrekjes, herinneringen en waarnemingen, een oude hond om mee te wandelen en natuurlijk een fascinatie voor kou. Van Zomeren en Hem lijken op elkaar, al vallen ze niet samen.

In Sneeuw van Hem speelt Van Zomeren opnieuw met werkelijkheid en fictie, met de vermenging van autobiografie en verzinsel. En opnieuw schreef hij een 'onaf' boek, een boek dat door de vele citaten en ontleningen wel iets heeft van een mozaïek. 'Het is niet mijn bedoeling kant-en-klare boeken te schrijven, al zal mijn uitgever niet blij zijn dat te horen. Ik ben erg geneigd zo'n boek te presenteren als een bouwpakket, en dat is het ook wel een beetje geworden. Ik zou willen zeggen: hier heb je het dagboek van Hem, hier het verhaal van Hans, hier mijn schrift met citaten over kou, maak er maar een roman van.'

Sneeuw van Hem is veelvormig, zegt Van Zomeren. Het is het verhaal van Thomas Hem, schrijver van kleine romans, die door zijn uitgever gevraagd is om driehonderd pagina's en sindsdien kampt met een writer's block, waarvan de lezer gelukkig weinig hinder heeft. Hem, begin vijftig, heeft een verhouding met de veel jongere Bettie, wier man plotseling zelfmoord pleegt, een gebeurtenis waarmee Hem in Zwitserland in het reine poogt te komen.

Daar wordt gewandeld, veel gewandeld, met de hond, in fragmenten waarvoor Van Zomeren put uit eerder werk, zoals de stukjes (zijn formulering) die hij ruim drie jaar lang iedere dag schreef voor het hoekje op de voorpagina van NRC Handelsblad en waarin de natuur een belangrijke rol speelt. Van Zomeren zou Van Zomeren niet zijn als die wandelingen niet voortdurend een gelegenheid waren om vogels te zien en te benoemen, om te mijmeren over de koeien onderweg of over het wezen van zijn hond.

Het boek bevat een middendeel van honderdvijftig pagina's met het verhaal van Hans, een twintiger die evenveel weg heeft van een veel jongere Hem als Hem lijkt op Van Zomeren, en die al even lustig strooit met citaten over kou. Hans vertelt Hem zijn verhaal, maar wat we lezen is een kleine roman zoals Hem die geschreven zou kunnen hebben.

Sneeuw van Hem gaat óók en misschien wel het meest over kou. 'Ik had materiaal over kou, dat had ik jarenlang verzameld, en dat was het uitgangspunt voor dit boek. Kou klinkt abstract, maar als je haar een naam geeft, de kou mijnheer Jansen noemt, dan is het wel degelijk een verhaal, een verhaal dat gaat van een vriendelijke fascinatie voor sneeuw tot kou in zijn bitterste consequenties: de kou in de gevangenkampen van Siberië, de kou tijdens poolexpedities.'

Het amorfe onderscheidt Sneeuw van Hem van de traditionele roman, vindt Van Zomeren. 'Ik heb me bij het schrijven bewust geconcentreerd op de emotionele, de gevoelsmatige kant en me veel minder verdiept in de intellectuele, de cerebrale relatie tussen scènes. Ik heb me niet afgevraagd: wat wil dit boek, of: wat verwacht de lezer; ik heb gedacht: wat wil ik. Hem is drie keer getrouwd geweest, heeft vier dochters, het ligt voor de hand dat lezers daarover vragen hebben. Maar wil ik er dan ook over schrijven? En dan dacht ik steeds: neu, ik geloof niet dat ik daar iets over te melden heb dat het boek interessanter maakt. En ik wou ook risico's nemen. Ik heb liever dat ik zelf aan zo'n boek het gevoel overhoud: het is niet gelukt, maar ik heb het toch geprobeerd, dan dat ik precies hetzelfde schrijf als ik eerder al heb gedaan. Dit is wat ik wóu maken. Een boek dat je op je af moeten laten komen als een schilderij.'

Het gaat, zegt hij, om de moed onbelangrijke dingen te doen. 'Ik kan ook alleen maar bevestigen dat mijn boek onbelangrijk is.'

'Het punt is, alles wat belangrijk is, is zo massief, zo dodelijk ook vaak, daar zit zoveel geld achter, zoveel politiek. Ik denk dat de wereld snakt, ik doe dat in ieder geval, naar uitingen die niet op die manier beoordeeld moeten worden. Wat is het belang van een schilderij? Wat het belang van een roman?'

Het is zoals die scène met Hem en zijn dochters in het Zwitserse chalet. De meisjes proberen met de flora op schoot een plantje te determineren, Hem ziet het aan. 'Hij verheugde zich over het vermogen van mensen om dingen te doen zonder hoger doel of groot gewicht, het vermogen van mensen om onbelangrijke dingen te doen.' Terug in Nederland praat Hem erover met zijn buurman: 'Daar is moed voor nodig Meef, om onbelangrijk werk te maken. Niet slecht, niet onhandig, maar onbelangrijk, volstrekt onbelangrijk.'

Van Zomeren: 'Ik heb ook altijd volgehouden dat het in de NRC stukjes waren. Wel literatuur, maar als genre-aanduiding. Het was een hoekje met iets volkomen onbelangrijks, dat heb ik ook steeds tegen de hoofdredactie gezegd: Ga nu niet doen of het toch belangrijk is.'

Hij vertelt over een oud vrouwtje in de Keulse Dom, hoe ze een kaars opstak, en hoe hem dat ontroerde. 'Omdat ik toen dacht, ja, waarom ook niet eigenlijk. Waarom niet, als niks helpt. Het feit dat het in mijn ogen niet zal helpen, doet er niet toe.'

'Als er iets is dat mij ontroert, is het de moed om onbelangrijke dingen te doen. Als je dat ziet, kunnen mensen je als lieve, eh', hij zwijgt, op zoek naar de juiste omschrijving, 'als lieve dieren toch aanspreken.'

Onbelangrijk is uitdrukkelijk geen vrijbrief voor maar een beetje aanklooien. 'Ik vind dat het gemakkelijke geschrijf in de literatuur benauwende vormen heeft aangenomen.'

Hij nam, in Sneeuw voor Hem, citaten op van Céline. Juni 1947: 'Ik ben tegenwoordig de enige die nog stijl heeft.' Juni 1957: 'Nu zijn er zoveel mensen met een hogere opleiding, iedereen die zijn diploma heeft, kan een roman schrijven. Het is de brief aan je nichtje in het groot.'

'Het zet je op het spoor van dingen, dit soort citaten', heeft Van Zomeren gemerkt. 'Eigenlijk worden op het ogenblik heel veel boeken in Nederland geschreven die weinig meer zijn dan uitvoerige brieven aan mijn nichtje, romans waarin weinig op het spel staat, en dan bedoel ik niet taboes, maar ook de vorm. Zoals Reve met zijn brievenboeken fantastische literatuur maakte die helemaal niet op romans leek. Openbaringen waren dat: dat het in een andere vorm kon, dat het dan sprekender was, treffender, dat het je meer emotioneerde. Over het geheel genomen zie ik op het ogenblik weinig dingen die mij echt raken, en heel veel dat heel gemakkelijk wegleest, waarvan heel weinig beklijft. Als ik één ding niet wou, is het dat.

'Een absolute gruwel zou zijn dat mensen mijn boek lezen, het wegleggen en een maand, een jaar later niet meer weten waar het over ging. Om dat te vermijden, breng ik ook weerhaakjes aan. Ik heb liever ergernis, dan dat het helemaal niets zegt.

'Ik ben groot geworden met het ideaal van de jaren vijftig en zestig: kunst moet iets doen. Dat hoeft niet per se te betekenen dat het de wereld moet veranderen, hoewel dat best mag, maar het moet wel iets teweegbrengen, ontroeren.'

Is dat waar hij zelf naar streeft? 'Het mooiste zou zijn. . .' Hij zwijgt geruime tijd, vertelt dan over het briefje dat hij Margriet de Moor stuurde om haar te complimenteren met de bundel Ik droom dus. 'Ik schreef dat ik, toen ik het las, voortdurend een brok in mijn keel had. Dat zou een van de mooiste complimenten zijn. Of iemand die zegt: ik schoot er vreselijk van in de lach.'

Hanneke de Klerck

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden