De mens onder de pruik

Psychologie en beeldende kunst gaan slecht samen. In statische beelden laat zich moeilijk vangen wat het betekent mens te zijn....

IN DE MEEST revolutionaire psychologische studie van de twintigste eeuw maakte Sigmund Freud korte metten met het vooruitgangsgeloof van zijn tijd. De mens is geen redelijk wezen, stelde Freud in Die Traumdeutung. Integendeel: zijn gedrag wordt beheerst door onvervulde verlangens, lage lusten en instincten. Via de duiding van zijn dromen - volgens Freud de Königsweg om tot zelfkennis te komen - verwierf de mens inzicht in zijn onbewuste én bewuste roerselen.

Om tot die conclusie te geraken, was Freud een lange weg gegaan. In zijn eigen praktijk in Wenen had hij tal van patiënten met psychische stoornissen behandeld en bestudeerd. Hij had een corpus van filosofische en psychologische literatuur doorgenomen. En hij was, niet in de laatste plaats, te rade gegaan bij de klassieken en bij schrijvers als Zolá, Baudelaire, Flaubert, Rimbaud. 'J'est un autre', schreef Rimbaud en Freud geloofde dat vol overtuiging. In de romanpersonages van schrijvers, in hun dichterlijke spinsels ontdekte hij een schat aan kennis over de menselijke psyche en zijn ontwikkeling.

Freud ging níet te rade bij de beeldende kunst. Hij keek niet naar de zelfportretten van Van Gogh - zo hij die al kende. Hij bestudeerde niet de verschillende aanzichten van het barmeisje, dat Manet in 1881 schilderde voor een spiegel in de Folies-Bergères. Hij bezocht zelfs nauwelijks musea. Toen hij later ging verzamelen, waren dat vooral etnografische beelden van fallussen. De beeldende kunst moet Freud koud hebben gelaten.

Geef hem eens ongelijk. Want als het gaat om het ontrafelen van psychische processen is de beeldende kunst een armetierige muze. Geen muze waar een psycholoog wat aan heeft. Dat komt doordat beeldende kunst een statische discipline is - ook al wordt er tegenwoordig van bewegende, nieuwe media gebruik gemaakt. Bij beeldende kunst gaat het in principe nog steeds om één beeld, en niet om de ontwikkeling ín dat beeld.

Zo'n enkel beeld kan meesterlijk zijn, het oog betoveren, de ziel beroeren en de fantasie in werking zetten. Maar nooit kan zo'n beeld een persoonlijke geschiedenis, een ontwikkeling, schetsen. De reden daarvoor is simpel: tijd ontbreekt. Een kunstwerk kan verslijten. In die zin krijgt de tijd greep op een kunstwerk. Maar nooit krijgen seconden, uren, dagen en maanden vat op het beeld an sich. Beeldende kunst staat ver boven de tijd verheven.

Monets waterlelies zijn oneindig mooi juist omdat de tijd niet kán verstrijken in het doek. De lila lelies in Giverney zijn eeuwig dezelfde voluit bloeiende: nooit verwelken en verrotten ze, zoals alle leven doet. Een ander voorbeeld, Vermeers Gezicht op Delft, is al eeuwen mysterieus. Waarom? Onder andere omdat het letterlijk schilderen van tijd - zoals Vermeer deed op de klok van de kerktoren verderop in de stad - juist het vervreemdende gevoel veroorzaakte dat de tijd in Delft voor eeuwig werd stilgezet. De schilder zag de kracht van dat detail feilloos in.

Dat roerloze en geconcentreerde geeft beeldende kunst een speciale plaats in de rij van kunstzinnige disciplines. Het maakt haar machtig, maar ook hulpeloos.

In de Kunstsammlung in Düsseldorf siert het citaat van Rimbaud in een wat bonkige Duitse vertaling een grote tentoonstelling over beeldende kunst en identiteit. Armin Zweite, de in Europees tentoonstellingsverband niet onbekende directeur van de Kunstsammlung, heeft samen met een aantal conservatoren een mer à boire van mógelijke identiteiten, ego-afsplitsingen, existentialistische uitroepen, rollenspelen, en virtuele zelfjes bij elkaar gebracht.

'Ich ist etwas Anderes' is tomeloos in zijn verscheidenheid. Vijftig kunstenaars uit de laatste vijftig jaar van de twintigste eeuw zijn hier verzameld, onder wie de oudere grootheden Warhol, Nauman, Beuys, Bacon, Graham. In een videoruimte worden vijf programmablokken vertoond met werk van performance-kunstenaars vanaf de late jaren zestig tot nu. Al dat werk bij elkaar documenteert wat mógelijk is als beeldend kunstenaars zich gaan afvragen wat het inhoudt iemand te zijn.

Dat levert genoeg voorbeelden op. We kunnen ons verkleden in vrouwenpakjes en ons geslacht verbergen zoals Jürgen Klauke doet. We kunnen ons narcisme beproeven in een spiegelende televisieruimte van Dan Graham. We kunnen krijsen van ellende, ons koesteren in knuffelend zachte tapijtjes of een andere persoon spelen op internet. De uitwerkingen zijn zo divers dat anarchie en wanorde bij een eerste aanblik overheerst. Maar bij nader inzien blijkt een waterscheiding de geesten te verdelen.

Andy Warhol - tentoongesteld in een zaal vol klassieken - beschrijft het beter dan dat hij het schildert, zeefdrukt of filmt. Het lijkt cru om dat te zeggen van de godfather van de Pop Art, maar luister. 'Ik trouwde pas in 1964, toen ik mijn eerste taperecorder kreeg, dat wil zeggen mijn vrouw. Mijn taperecorder en ik zijn nu tien jaar getrouwd. Als ik ''wij'' zeg, dan bedoel ik mijn taperecorder en ik. Veel mensen begrijpen dat niet.'

Het was Warhol om het idee van zelfvervreemding te doen, en daarom vermenigvuldigde hij zijn Marilyn Monroe's, zijn Jacky Kennedy's, zijn Elvis Presley's en uiteindelijk ook zichzelf. Natuurlijk ging het Warhol er niet om authentieke personen weer te geven. Juist door de verdubbeling van het beeld tot in het oneindige, loste de persoonlijkheid op en werd een ding, verwant aan een flesje cola of een pakje papieren zakdoeken. En zelfs het kunstwerk van zo'n 'ding' werd een 'ding'.

Warhols standpunt was in zijn tijd bepaald schokkend. De uitspraken waarmee hij zijn kunst lardeerde, zijn geschriften en autobiografische krabbels, blijven tot op de dag van vandaag de verbeelding prikkelen. Toch is dit bij zijn beeldend werk allang niet meer het geval.

Warhols zelfportret op zeefdruk bijvoorbeeld - in Düsseldorf in zesvoud aanwezig - is een mooie illustratie van de gedachte dat het indvidu alleen bij de gratie van media bestaat. Maar meer dan een illustratie van die gedachte zijn de beelden niet en ze zullen dat ook nooit meer worden. Warhols zelfportretten en filmsterren zijn inmiddels zelf verworden tot het cliché van het cliché dat ze eens verbeeldden. Ze zijn uitgegroeid tot vaste elementen, meubelstukken in een museale ruimte.

Aan Warhols denkbeelden zal het dan ook te danken zijn dat nog steeds veel kunstenaars inspiratie bij hem zoeken. De Amerikaanse Cindy Sherman bijvoorbeeld, staat duidelijk onder invloed. Alleen vermenigvuldigt Sherman niet het beeld van een personage, maar vermenigvuldigt ze de personage.

De vrouw op haar foto's heeft soms haar dag niet. Dan zitten er kringen onder haar ogen en kleven haar haren als een natte dweil om haar hoofd. Maar meestal ziet ze er beeldschoon uit. Ze heeft zeegroene ogen, wangen als sterappeltjes en ze is bovendien recht van lijf en leden. Ze heeft maar één nadeel. Ze verandert nogal vaak - van humeur, smaak en uiterlijk.

De vrouw op die foto's is Sherman zelf. In steeds een andere vermomming toont ze haar kunsten. Als de zelfontspanner afgaat, speelt de operazangeres haar glansrol, zijgt het propere wasvrouwtje ineen op de vloer, schittert de filmdiva, vertedert het onschuldige schoolmeisje of eindigt de del haar leven als een op de stoep platgetrapte zak frites. Iedere foto een ander type.

Sinds het begin van de jaren tachtig trekt Sherman alle registers aan rollen voor de camera open. Jan en alleman haalt ze bij zich in huis. Ze beklemtoont hun stereotypen, en gaat dan weer op zoek naar een nieuw personage. Supernova's, gedoemd om te sterven.

Wereldberoemd is Sherman met haar 'zelfportretten' geworden. Ze wordt geloofd om haar vertolking van het hybride moderne leven, om de treffende wijze waarop zij de van zichzelf vervreemde tijdgeest tot uitdrukking zou brengen. Haar rollenspel zou een direct uitvloeisel zijn van de wetenschap die de moderne mens kwelt: computers reproduceren onze ziel, onze identiteit is in cyberspace te vermenigvuldigen, en onze ratio is allang aan flarden geschoten. Wat te doen? roept de gewone man.

Sherman draait die noodkreet om: wij kunnen alles zijn, zegt ze met haar beelden, wij zijn jij, ik en jullie, iedereen bij elkaar. Je bent vrij om te kiezen wie je wilt zijn. Wie kiest, bestaat.

Hierin toont Sherman de meeste verwantschap met Warhol: in de gedachte dat persoonlijkheid een keuze is, zoals je een jas over je schouders gooit. Iedereen kan een diva zijn, een del, een gentleman - afhankelijk van de kleren die hij aantrekt, de make-up die hij opsmeert, de pruik die hij opzet. Maar zegt dat iets over de mens onder die pruik?

Nee, natuurlijk niet, zegt Armin Zweite triomfantelijk in de catalogus. Je zou wel gek zijn als je de zelfportretten van Sherman zou interpreteren als 'authentieke zelfportretten'. Evenzo gek zou je zijn, als je de virtuele afsplitsingen van Vibeke Tandberg, de verkleedpartijen van Jürgen Klauke en Sophie Calle voor 'echt' zou aannemen. Hun foto's, performances en installaties representeren geen volwaardige identiteiten, maar platte personen, over wie je als kijker slechts details te weten komt. En daarin schuilt hun tekortkoming voor de psycholoog en voor iedereen die wil begrijpen wat het betekent om iemand te zijn.

Kan het ook anders? De Britse schilder Francis Bacon, van wie de Kunstsammlung een grote hoeveelheid mooie werken bezit, is een kunstenaar die in zijn schilderijen de mens in het middelpunt stelt. Niet omdat Bacon nu zo dol is op de menselijke soort, maar omdat hij de mens wil tonen zoals hij denkt dat die is.

Bacon zegt: 'Wij zijn vlees, wij zijn potentiële kadavers. Als ik een slagerij binnenga, verbaas ik me er altijd weer over dat ík niet hier in plaats van de dieren lig.' En zo schildert hij zijn uitgestrekte figuren, poserende prelaten en zakenmannen: als uit de bocht geslingerde lappen biefstuk. Hun gezichten zijn vervormd, hun ledematen verdraaid, hun gelaatsuitdrukkingen tot grimassen vertrokken. Bij Bacon sluit geen schaduw aan op een stoelpoot, geen hoofd op een romp. Bij Bacon is ieder mens een monster.

Ook dit zegt niet zozeer iets over de identiteit van de afgebeelde subjecten, als wel over het mensbeeld van Bacon. Bacon schaart zich in een traditie van twintigste-eeuwse kunstenaars die met het bestaan worstelen: Munch, Schiele, Klimt en Max Beckmann gingen Bacon voor. Maria Lassnig, Arnulf Rainer, Vito Acconci, Bruce Nauman vinden in hem hun zielsverwant. En Tony Oursler, Shirin Neshat en de jonge Danica Dakic doen het principe na. Hoe verschillend ook de uitwerking - in video's, schilderijen, computeranimaties en bekraste foto's: hun mens twijfelt, treurt, kotst zijn ingewanden uit, verminkt zichzelf, gedraagt zich als een beest, is zielsalleen, zichzelf kwijt. En de kunst weerspiegelt dat.

Een beeld is aangrijpend, indrukwekkend, wonderschoon of oerlelijk. Alle kracht van de kunstenaars bundelt zich samen in één enkel beeldend moment. Dat levert prachtige voorstellingen op, verstilde 'beschrijvingen' van gemoedstoestanden. Maar hoe die ontstaan, hoe het verdergaat als de tijd verstrijkt, moet je zelf verzinnen.

Uiteindelijk is dat wat Bacon en Warhol, Sherman en Shirin Neshat bindt. Of ze nu authenticiteit nastreven of niet - allen verhalen van de onmacht die een beeldend kunstenaar voelt als hij probeert het wezen van de mens tot uitdrukking te brengen. Controle uitoefenen over het beeld: dat is wat hem rest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden