DE MEESTE THEATERS TER WERELD

Waar elders in Europa vorsten en koningen theaters neerzetten, deden in Nederland welgestelde burgers dat. Het is na te lezen in een mooi boek, deel van een Europese historische inventarisatie....

Voorbijgangers aan het gat in de Amsterdamse Marnixstraat, waar Joop van den Ende een nieuw theater bouwt in de plaats van het gesloopte Nieuwe de la Mar, passeren zonder het te weten een moordkuil vol toneelhistorie, die doorloopt tot ver op het Leidseplein aan de overkant. Het kostte Van den Ende, de self-made koning van het volksvermaak tien jaar strijd tegen het hoofdstedelijke cultuursnobisme voordat hij in Amsterdam zijn felbegeerde eigen speelzalen mocht bouwen.

Hij kreeg pas vrij baan toen een andere buitenstaander, de gewezen ‘koningin van Zuidoost’ Hannah Belliot, wethouder van Cultuur werd, niet gehinderd door enige affiniteit met de kunsten. Belliot vond een lijk in de kast: het Nieuwe de la Mar Theater was door zijn huisbaas, de gemeente, ernstig verwaarloosd. Geld voor herstel was er niet. Belliot besloot het te verkopen aan Van den Ende. Alleen iemand als zij kon zo’n oplossing bedenken voor het legendarische podium waar Wim Kan en Wim Sonneveld ooit furore vierden.

Zo’n anderhalve eeuw eerder speelde zich op bijna dezelfde plek een drama af met precies dezelfde ingrediënten. Toen werd Jan Eduard de Vries (1808-1875) in etappes alleenheerser over de Amsterdamse Stadsschouwburg, ook toen al aan het Leidseplein gelegen, zij het in een houten gebouw dat in 1890 zou afbranden. Ook hij dankte die positie aan wanbestuur. Oplopende tekorten noopten de gemeente de schouwburg in 1841 over te doen aan particuliere ondernemers, die een ‘concessie’ kregen om hem voor eigen rekening en risico te exploiteren. Van die groep resteerde in 1852 alleen nog De Vries. Ook hij, van huis uit schilder van toneeldecors, gold destijds als parvenu, die om zijn populistische programmering door deftige critici werd verketterd.

De Vries, een kundig en veelzijdig theaterondernemer die ook in Rotterdam en Utrecht actief was, krijgt ruime aandacht in Theaters in Nederland sinds de zeventiende eeuw. Dit mooi uitgegeven boek is gemaakt door de Nederlandse afdeling van de Oistat, een internationale club van theatervormgevers, -technici en -architecten, in het kader van een inventarisatie van historische theaters in Europa. Een begeleidende tentoonstelling reist tot en met mei 2009 langs diverse Nederlandse theaterfoyers.

Het boek maakt duidelijk dat De Vries en Van den Ende, koopmannen in entertainment, passen in een geheel eigen Nederlandse theatercultuur. Elders in Europa werden de schouwburgen neergezet door vorsten en koningen, veelal op aanwijzing van hun favoriete theatermakers. In hun stukken hielden zij de machthebbers een, vaak satirische, spiegel voor – een subtiel en gevaarlijk steekspel. Het hofpubliek verwachtte van hen niet anders. Maar als de artiesten te ver gingen, volgden koninklijke toorn en verbanning.

In Nederland waren het welgestelde burgers, die vooral vanaf 1848, een periode van grote economische bloei, van Groningen tot Maastricht en van Hoorn tot Hengelo theaters neerzetten, als een ode aan hun groeiende welstand en maatschappelijk aanzien. Zelfs de Koninklijke Schouwburg in de hofstad Den Haag, in 1804 geopend in een half afgebouwd paleisje, was een burgerinitiatief. Wat op die podia werd gespeeld, diende hoofdzakelijk tot vermaak, niet om een vorst te vleien of te plagen. Eeuwenlang beperkte de overheidsbemoeienis zich tot de kerkelijke autoriteiten. Van hun afkeer van het ‘goddeloze’ toneel maakten zij, heel Hollands-pragmatisch, een deugd: de inkomsten uit de vertoningen kwamen meestal ten goede aan de armen- en wezenzorg onder kerkelijk bestuur, een soort aflaat voor de zonden die pas in 1795 werd afgeschaft.

Het Nederlandse toneel bleef dan ook lang iets boertigs houden. Tot ver in de 19de eeuw werd er hoofdzakelijk gespeeld op het ‘schavot’, een verhoogd plankier op kermis of jaarmarkt, in demontabele tenten van hout of doek, of in kaatsbanen, paardenstallen en aanbouwsels aan herbergen. De meeste gezelschappen reisden rond en kenden een beperkt standaard-repertoire met vaste decors: een paleiszaal of legertent voor een treurspel, een tuin of een kamer voor een blijspel. Zo beschikte de Hoogduitsche Schouwburg, een houten tent die tussen 1774 en 1777 in de Watergraafsmeer stond nabij Amsterdam, over een tuin, een grot en een hel. Aan requisieten waren onder meer zes bomen, twee bergen, een klein en een groot schip en ‘twee stuks Kerkhof Muuren’ voorradig. Voor die tijd was dat al heel wat: de meeste groepen bedelden hun requisieten na aankomst bij elkaar in de stad waar ze speelden, en gaven die bij vertrek weer terug.

Maar toen de rijk geworden Nederlandse notabelen eind 19de eeuw eenmaal permanente schouwburgen begonnen te bouwen, ging het ook hard. Gemeten naar de omvang van de bevolking werd Nederland het meest theaterrijke land ter wereld. Het gros van Theaters in Nederland gaat op aan een lijst van al die theaters – inclusief liefst 124 in de open lucht. Theaters die nog bestaan, zoals de Leidse Schouwburg uit 1705, de oudste van Nederland. De Amsterdamse Stadsschouwburg ging weliswaar al in 1664 open, maar brandde twee keer tot de grond toe af (in 1772 en in 1890) en verhuisde bovendien van Keizersgracht naar Leidseplein. En theaters die allang zijn verdwenen, zoals de Parkschouwburg, eveneens in Amsterdam, een curieuze achthoekige speelzaal uit 1883 met liefst tweeduizend zit- en staanplaatsen die al in 1903 op last van de brandweer moest sluiten. Het voormalige Minerva Theater in Apeldoorn, een monument in Jugendstil dat in 1918 begon als bioscoop, staat er nog wel, maar dient nu als kerkruimte. De Maagd in Bergen op Zoom bewandelde juist de omgekeerde weg: deze katholieke kerk uit 1829 werd in 1990 omgebouwd tot een prachtig theater.

Op al die fraaie podia hield het oude speelstramien met zijn doeken en schermen nog heel lang stand. De vernieuwing daarvan begon pas na de Eerste Wereldoorlog, geïnspireerd door de Duitse regisseur Max Reinhardt die voor elke voorstelling een andere vormgeving eiste. Reinhardt liet in 1918 een theater bouwen in Berlijn dat vier verschillende opstellingen toeliet: het klassieke lijsttoneel met zijn duidelijke scheiding tussen acteurs en publiek, en drie varianten met een vlakke speelvloer waar het publiek omheen zat. Naar dat voorbeeld ontwierp de architect H.Th. Wijdeveld in 1920 het Grote Volkstheater voor het Amsterdamse Vondelpark, bijgenaamd ‘de vulva van Wijdeveld’ vanwege zijn freudiaanse vorm. Aan de buitenkant streefde Wijdeveld naar eenheid tussen gebouw en omgeving, terwijl het interieur ‘een theatrale ervaring’ moest bieden, ‘waarin grenzen tussen acteurs en publiek verdwijnen’.

Het Volkstheater is nooit gebouwd, en het zou nog bijna vijftig jaar duren voordat het op grote schaal werd gekopieerd: als het vlakke-vloertheater, de ideale vorm voor theatermakers die vanaf de Aktie Tomaat in 1969 uit het lijsttoneel stapten, midden in het leven van de toeschouwers en hun problemen. Voor het eerst brak daarmee ook het politiek en maatschappelijk geëngageerde toneel op grote schaal in Nederland door. Meer nog dan de koning kreeg daarin de notabele burger de spiegel voor de neus gehouden. De ondernemer die zijn arbeiders ‘uitbuitte’, de wethouder die zijn kritische burgers ‘de mond snoerde’. Zulk theater past in de burgerlijke Nederlandse cultuur. Net zo goed, kennelijk, als het snobistische wantrouwen tegen ‘volkse’ vernieuwers als De Vries en Van den Ende.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden