De meest opmerkelijke kunsttrends van 2014

2014 was het jaar van de uitzonderingen, de alternatieven, de onaangepasten én de verrassende ontwikkelingen. Vijf kunstrecensenten geven hun visie.

Erwin Olaf, Tsarina Alexandra, 1918, 2000 Beeld particuliere collectie

Hoogtijdagen voor de Nederlandse musea. Nog nooit bezochten zo veel mensen een museum als het afgelopen jaar. Mooi. Vooral in tijden dat iedereen zijn hart vasthield of de bezuinigingen geen al te desastreuze gevolgen zouden hebben.

Die gevolgen zijn er wel, maar de buigzaamheid van de kunstwereld is groot. Optimisme dat zich graag in cijfers en getallen laat uitdrukken. Zo veel bezoekers. Zo veel meer inkomsten. Zo veel nieuwe musea. Wéér een reeks aan veilingrecords. Een drieluik van Francis Bacon voor 106 miljoen euro. Een schilderijtje van Georgia O'Keeffe: 33 miljoen. Veilinghuis Christie's na één avond afhameren: 543 miljoen euro.

Keerzijde is wel dat er een tendens is om daardoor lijstjes op te stellen. Van wie de beste is, de grootste en wie het meest heeft verdiend. Stomvervelend.

Want is het niet ook 'des kunsts' de uitzonderingen te blijven belichten? De alternatieven. Degenen die zich niet aanpassen. De keerzijde van het grote gelijk. Verrassende ontwikkelingen en uitzonderingen die óók voor 2014 bepalend zijn geweest. Ontwikkelingen en uitzonderingen die wellicht zullen doorwerken in het volgende jaar. En daarna.

Over oude kunstenaars die niet zijn uitgerangeerd. Privéverzamelaars die nog echt een privésmaak hebben. Galeriehouders die zich níét gemakshalve toeleggen op internet en beurzen. Hoe de politiek uit het oogpunt van 'goede smaak' in toenemende mate kunst probeert te censureren. Of hoe miraculeus een museum in Twenthe ondanks de bezuinigingen uit de as herrees.

Fraaie en minder fraaie ontwikkelingen die de tijd gevarieerder inkleuren dan het monomane gestaar naar (record)cijfers.

Schaap met vijf poten

Waar alle ogen dit jaar op waren gericht: wie wordt de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam? Na het debacle van de vorige benoeming (wie was het ook al weer, o ja, Ann Goldstein) mocht het niet meer misgaan. En jawel, op de vroege ochtend van 8 april presenteerde bestuursvoorzitter Alexander Ribbink, met de woorden: 'We've got her', de Duitse Beatrix Ruf (1960). Het schaap met de vijf poten stond toen zevende op dé culturele lijst van tijdschrift ArtView, 'The Power 100' van 's werelds beroemdste personen werkzaam in de culturele sector.

Herman de Vries Beeld Robin de Puy

Rijp heeft de toekomst

Oudere kunstenaars zijn hip, historische kunst is in.

Gewaagde keuze om de tachtigplusser Herman de Vries naar de Biënnale van Venetië te sturen. Of is dat juist helemaal van nu? 'Oud&Hip' kopt het tijdschrift Kunstbeeld deze maand en dat waren ware woorden. De oude kunstenaar doet er weer toe. Uit het niets, lijkt het wel, is de jacht op nieuw-nieuwer en jong-jonger tot rust gekomen en marcheren de krasse knarren (weer) het museum en de ranglijsten binnen. Armando (1929), Co Westerik (1924), Jan Dibbets (1941) en de ontslapen Ger van Elk (1941-2014) ze werden opgefrist met overzichtstentoonstellingen en media-aandacht.

Internationaal deden oudere vrouwelijke kunstenaars (in Nederland een blinde vlek) het goed. De Britse Bridget Riley (1931) blijft aan top, Louise Bourgeois (1911-2010) regeert over haar graf heen, de Japanse Yayoi Kusama (1929) vond alsnog een miljoenenpubliek en jonge blom Marina Abramovic (1946) werd na haar verhuizing naar New York een superster. Vergeet de schilderes en videomaakster Maria Lassnig (1919-2014) niet, die de opening van haar overzicht op de Biënnale van Venetië in 2013 nog net meemaakte.

De toenemende vergrijzing, 50-is-het-nieuwe-30, het steeds verder uitgestelde pensioen met wat sociologisch giswerk is zo een verklaring gevonden. Interessanter is dat deze tendens samengaat met een (her)waardering van de late stijl van historische kunstenaars. De late Turner en de late Rembrandt worden geëerd met blockbuster-tentoonstellingen in Engeland (de late Rembrandt reist binnenkort door naar het Rijksmuseum). Voor de knipsels van de hoogbejaarde Matisse stroomde het publiek ook al naar Londen en New York en straks naar het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Werd de carrière van een kunstenaar historisch gezien meestal geduid als een Romeins Rijk in persona (opkomst-bloei-decadentie en verval), nu is het beeld gekanteld naar dat van een gestaag crescendo. 'Does late style mean great style?' vroeg het Engelse kunstblad Apollo zich in het oktobernummer af en dat was zonder ironie. Er zijn verschillende verklaringen: een bekende is dat wij, moderne mensen, juist de minder vaste hand en het minder scherpe oog en dus minder perfectie in beeld kunnen waarderen de 'late' historische kunstenaars worden losser, impressionistischer, durven te mislukken, zijn de borstklopperij voorbij en zien de dood in de ogen.

Wat ook voor de nu levende oudere kunstenaars opgaat, is dat wie volhoudt, doorgaans steeds eigenzinniger wordt. Begon Herman de Vries als Nul-kunstenaar, hij werd pas echt interessant toen hij zijn tijdgenoten links liet liggen. Het opvallendste aan de late en rijpe kunstenaars is misschien wel dat ze, losgezongen van hun tijd en tijdgenoten, op niets anders meer lijken dan zichzelf. Stug blijven doorgaan en daardoor origineel blijken te zijn precies waar in de geglobaliseerde kunstwereld zo wanhopig naar werd gezocht onder academieverlaters en talent onder de dertig. Dat blikveld is nu verruimd; ook de ouderdom heeft de toekomst.
Sacha Bronwasser

Topfit Mauritshuis

Ruim 300 duizend bezoekers trok het Mauritshuis dit jaar. Of beter, de afgelopen zes maanden. Het museum heropende in juni zijn deuren na een grootscheepse verbouwing en uitbreiding. Maar misschien belangrijker is het feit dat de Haagse bonbondoos topfit is gemaakt om mensen beter te laten genieten van Vermeers Meisje met de parel of Het puttertje van Carel Fabritius. In alle rust, want het Mauritshuis heeft het altijd op zijn eigen manier gedaan: in de luwte van schreeuwerige museumwereld. Wat blijkt: met succes.

Beeld Rijksmuseum Twente

Tegendraads Twente

Herwaardering voor 18de-eeuwse kunst door krachtige brutaliteit.

Eigenlijk had het museum nu in de 'Doornroosje-stand' moeten staan. De collectie mocht worden beheerd, maar niet meer getoond. Rijksmuseum Twenthe mocht, als het aan de Raad voor Cultuur lag, vanaf de zomer van 2013 nog slechts sluimeren als het loom oplichtende lampje van een gesloten MacBook. De vorige staatssecretaris was het daarmee eens.

Wás het in 2013 zover gekomen, dan hadden we geen Jan van Eyck kunnen zien, niet de uitgebloeide of schijnbaar gesmolten sculpturen van Anne Wenzel naast oude kunst en niet acht zalen vol Rubens en Van Dyck. Dan was de zojuist geschonken collectie van 140kunstwerken door verzamelaar Adriaan van Ravesteijn even onzichtbaar geweest als in zijn eigen opslag. En hadden wij de 18de-eeuwse Zweedse portrettist Alexander Roslin niet in eigen land kunnen ontdekken. Het kwam niet zover, omdat de nieuwe minister van Cultuur Jet Bussemaker in de winter van 2012 zelf ging kijken en de Kamer overhaalde het museum met 4 ton extra te subsidiëren.

Dat hielp. Rijksmuseum Twenthe toonde dit jaar de resultaten van een heus offensief, een krachtmeting om het ongelijk van de Raad van Cultuur aan te tonen: dat het wél relevant is, focus heeft en in contact staat met de regio. Het is glorieus geslaagd, en dat was zichtbaar tot in de Randstad.

Voor de duidelijkheid: het was nooit een slecht museum. Eerdere tentoonstellingen van Nicolaas Verkolje, de gebroeders Van Strij, Brueghel, Cornelis Troost, van Meissen porselein en 18de-eeuwse mode waren alle de moeite waard. Maar de 18de eeuw (de periode waarin het museum gespecialiseerd is) is niet voor iedereen vanzelfsprekend interessant, gewend als we zijn aan de zelfbewuste kunst van de Gouden Eeuw. En eerlijk is eerlijk, voor veel mensen in het Westen is Enschede verder weg dan Londen of Brussel.

Het museum moest niet beter worden, het moest brutáler worden, zoals directeur Arnoud Odding zei. En dat werd het, in 2014. Zó brutaal in zijn uitingen dat het zich soms leek te vergalopperen: een tentoonstelling met één minuscuul werk van Jan van Eyck een 'Jan van Eyck-tentoonstelling' noemen was niet handig. Het leverde terecht gesputter van bezoekers op. Maar ja, het adagium under-promise, over-achieve werkte klaarblijkelijk niet voor het museum. Dus kregen we Rubens dit jaar groots voorgeschoteld als 'Hollywood-regisseur avant la lettre' en wordt de vaste collectie om de zoveel tijd in een heel nieuw verhaal gegoten, zoals Paden naar het paradijs.

We kunnen het hebben. Een museum dat te lang niet op waarde is geschat, mag zich best wat overschreeuwen. En als we het hier op de kunstredactie niet mis hebben, komt er een gunstige kentering voor de waardering van 18de-eeuwse kunst aan. Wie weet worden we nog eens trots dat er een museum is met een heuse focus op die sierlijke tijd van pruiken, kruldecoraties en kleurig porselein. Hoe dan ook: in 2014 herpakte Enschede zich als museumstad. Dankzij een elegant museum dat een grote bek opzette.
Wieteke van Zeil

Progressief privébezit

Verzamelaar Gerard van Wezel is een liefhebber met lef. Droomkunst heette de tentoonstelling die afgelopen zomermaanden in Museum Singer Laren te zien was. Het bleek een droomtentoonstelling te zijn. In de zalen, tegen de gekleurde muren en op de vloer, waren de schilderijen, beelden, foto's en video's uit de collectie van Gerard van Wezel te zien. Op zich niets nieuws. De aandacht voor privéverzamelingen en privéverzamelaars is groeiende - net als het belang ervan.

Voor galeries, handelaren en veilinghuizen zijn ze steeds interessanter door het minder wordende kooplustige gedrag van bedrijven en musea. Voor de museumwereld zijn ze belangrijk vanwege de bruiklenen en mogelijke schenkingen. Niet zo vreemd dat veel musea zo aardig tegen ze zijn, en ze uitnodigen hun kunstwerken in het museum te laten zien. Want je weet maar nooit. Niet zo vreemd ook dat veel private verzamelingen een museale allure kennen.

Dat ze dezelfde bekende kunstenaarsnamen en werken herbergen als in het Boijmans of het Stedelijk. En dat ze worden ondergebracht in een eigen, onafhankelijk museumgebouw. Privécollectioneurs gedragen zich meer en meer als museumdirecteuren. Vinden het leuk om 'museumpje' te spelen.

Denk aan de plannen van Joop van Caldenborgh, entrepreneur en groot-kunstinkoper, voor zijn Caldic Museum in een Wassenaarse tuin. Denk aan de museaal verantwoorde vlootschouw, Bad Thoughts, van kunstwerken uit de collectie van het echtpaar Martijn en Jeannette Sanders, in het Amsterdamse Stedelijk. Niets daarvan bij Van Wezel, die ooit in dienst was van de monumentendienst.

Hij heeft in de loop der jaren een overdaad aan zweverige natuur- en landschapsschilderijen en abstracte experimenten aangekocht, alles specifiek uit de tijd rond 1900 en 2000. Kenmerkende eigenschappen: de orgie aan decadentie, de kitscherige fin-de-siècle­over­gevoeligheid, de niche van broeierige erotiek. Een verademing. Zaal na zaal, werk na werk; 250 stuks bij elkaar. Eindelijk even niet die altijd maar weer bewierookte canon van Kiefer, Baselitz, Gilbert & George, Zandvliet, Armando en Ruff, om een aantal coryfeeën te noemen.

Prachtig, daar niet van, maar het activeert ook de geeuwspieren.Niet dat alle kunstwerken in Laren van hoge kwaliteit waren. Het was vooral het geheel dat zo'n heerlijke, controversiële eigenzinnigheid uitstraalde. Een verzamelaar die je vreemde veilingen ziet afstruinen, achteraf gelegen handelaren en vergeten galeries, of bij oude adel grafiek opkoopt.Van Wezel liet zich afgelopen zomer in Laren niet zien als een verkapte museumdirecteur, maar als een tegendraadse, eigengereide liefhebber, die de smaakpapillen op de proef stelde en op scherp zette. En die je weer duidelijk maakt waarom een museumcollectie geen privéverzameling is, en andersom. Wat mooi is.
Rutger Pontzen

Daniëlle Kwaaitaal, Airheads Danielle, 1999 Beeld Flatland Gallery, particuliere collectie
Galerie Ron Mandos Beeld Gary Jones

Galerie die wél overleeft

Galeriehouder Ron Mandos gaat met succes tegen de stroom in. 'Een veredelde hobby', kopte NRC Handelsblad afgelopen ­zomer boven een verhaal over de noodlijdende vaderlandse galeriesector - kernwoorden: neergang, vergrijzing - maar dat is slechts het halve verhaal; voor iedere honderd geduldig naar de telefoon starende galeristen is er een handvol ondernemende collega's.

De Amsterdamse Juliette Jongma bijvoorbeeld. Zij stond deze maand nog op Art Basel Miami, begon én een platenlabel (I'm with her records) én organiseert in samenwerking met het naastgelegen Kunstverein happenings, geregeld met op het evenement afgestemde cocktails. Of het Haagse Liefhertje en De Grote Witte Reus (LhGWR), dat niet alleen kunst, maar in haar winkel ook exclusieve jurken en spijkerbroeken verkoopt.

En dan is er nog Ron Mandos, ­galeriehouder aan de Amsterdamse Prinsengracht. Hij liet afgelopen zomer in een maand tijd zijn complete galerie verbouwen. Kosten: 2 ton.Het had voeten in de aarde. Er gingen oriëntatiereisjes naar New York aan vooraf. En inderdaad: loop het pand binnen met de strak gestucte muren, de hoge plafonds en de dakramen en je staat in een klassieke high end gallery. Wat niet zo high end is: de vloer. Die is ouderwets bobbelig. Het moest ook weer niet te chic worden.

Het maakt de verbouwing niet minder ambitieus.Wel tegen de stroom in. Immers, als er het afgelopen jaar iets duidelijk leek, dan was het wel dat de toekomst van de kunsthandel lijkt te liggen bij de vliedende onderneming. Denk aan het succes van onlinekunstwinkels als ­­Mo-Art Gallery en We Like Art, of aan de gezaghebbende Brandt Gallery die zijn filiaal aan deAmsterdamse Prinsengracht deze zomer sloot - het huurgeld kon beter gebruikt worden voor beursstands, aldus de galeriehouder.

Allemaal veranderingen die erop duiden dat het belang van bricks and mortars tanende is. Maar Mandos stak juist geld in zijn gebouw.Het verbaast niet. De galeriehouder, ooit begonnen in de bloemenhandel, liet al eerder zien een groot belang te hechten aan de inrichting van zijn exposities. Presentaties als die van Levi van Veluw en Ryan McGinness, met hun hoogwaardige catalogi en sfeervolle belichting deden niet onder voor die van niet-commerciële instellingen. Superieure exposities lijken voor Mandos een probaat middel om kunstenaars vast te houden, en om nieuwe - soms gevestigde - namen in te lijven.

Ter verduidelijking: gevestigd betekent hier: bekender, gewilder, duurder.Het maakt hem een zeldzaamheid: een van het kleine clubje Nederlandse galeriehouders die met curatoriale middelen aansluiting zoekt bij het internationale kunstcircuit. En die zich dus ook niet aangesproken voelt wanneer een rapport verschijnt over de noodlijdende sector. Waarom zou hij ook? Het gaat toch niet over hem?
Stefan Kuiper

Muurschildering van straatkunstenaar Banksy in Clacton-on-Sea. Beeld AP

Kuisheid in opmars

Wereldwijd neemt de censuur van kunstenaars toe. Bijna was Nederland het jaar censuurvrij doorgekomen. Niet dat er geen momenten waren waarop iemand verontwaardigd met een rode stift (of erger) had kunnen zwaaien. In juni streek de internationale kunstbiënnale Manifesta neer in Sint Petersburg, compleet met een portrettenserie van belangrijke homoseksuele mannen door Marlene Dumas.

Hoe zouden de Russen hierop reageren? Het weigeren van de visumaanvragen van fotograaf Rob Hornstra en journalist Arnold van Bruggen een halfjaar eerder - ze hadden voor hun Sochi ­Project net iets te lang door de noordelijke Kaukasus getrokken - lag nog vers in het geheugen. Maar ­Dumas' portretten mochten gewoon blijven. En in Nederland kon schrijver Heleen van Royen middels een reeks schaamteloze selfies ongestoord haar hele hebben en houwen tonen.

Nee, dan de rest van de wereld (landen als China en Iran buiten beschouwing gelaten; daar valt censuur niet eens meer op). In het Britse Clacton-on-Sea werd een muurschildering van straatkunstenaar Banksy racistisch bevonden en weggehaald. In Rome kuiste men een provocerende sculptuur van de gebroeders Chapman, twee blote meisjes van wie er één een piemel uit haar mond heeft steken.

In Jacksonville zag een briesende voorzitter van de gemeenteraad een foto van een zwangere vrouw aan voor porno. Frankrijk spande de kroon. Hier volgt een lijstje van de slachtoffers.

1. Performancekunstenaar Deborah de Robertis wordt door twee politieagenten uit het Parijse Musée d'Orsay geëscorteerd. Ze had als reactie op het schilderij L'Origine du monde van Gustave Courbet uit 1866 (een naakt vrouwenlijf met een weelderige bos schaamhaar) het museumbezoek een blik gegund op haar eigen akkertje.

2 Het Festival international d'art singulier in Aubagne moet een erotisch schilderij van Marie Morel én een kinetische sculptuur van een bevallende vrouw van kunstenaar Demin verwijderen.


3. Een groene opblaas-'butt plug' van de Amerikaan Paul McCarthy (getiteld: Tree) op de Place Vendôme in Parijs wordt vernield, de kunstenaar aangevallen.

4 Een foto van Diane Ducruet, waarop een moeder haar dochter lijkt op te eten, wordt uit angst voor vandalisme weggehaald door de organisatie van de Mois de la photo in Parijs.

Goh. Wat heeft de Nederlandse kunstenaar het eigenlijk makkelijk, hè - censuurtechnisch gezien dan. Maar wacht even. Bijna het 'bijna' uit de eerste zin vergeten. Op de valreep: tijdens de uitreiking van de Prins Claus Prijs vorige week mocht een danseres in de voorstelling Pindorama van de Braziliaanse Lia Rodrigues niet naakt optreden, omdat er leden van het Koninklijk Huis bij waren. Niemand kon zich er druk om maken. Het is blijkbaar volkomen vanzelfsprekend: je rólt niet met je geslacht in de richting van de koning en de koningin. Punt.
Merel Bem

Tree(2014), Paul McCarthy, Parijs. Beeld reuters
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden