De man die Oscars won, maar niet als zichzelf

Hij gold als scenariogenie met een briljant gevoel voor plotwendingen. Tot hij in 1947 ondergronds ging. Dalton Trumbo verdween, maar dook op in tal van aliassen.

Dalton Trumbo schreef dagen achtereen vanuit zijn badkuip.Beeld EVERETT / RBP PRESS

Verwarring tijdens de Oscar-uitreiking van 1957. De Academy Award voor het Beste originele scenario gaat naar ene Robert Rich en diens script voor The Brave One (1956), een ontroerend drama over een Mexicaans jongetje en zijn stier. Geheel terecht, die Oscar, maar wie in hemelsnaam is die Robert Rich, die nog geen enkele andere film op zijn naam heeft staan? En waarom is hij zelf niet aanwezig om zijn prijs in ontvangst te nemen?

Robert Rich was er niet, die avond. En de Oscar voor The Brave One had net zo goed uitgereikt kunnen worden aan Dr. John Abbott, Sam Jackson, C.F. Demaine of Peter Finch. Allemaal aliassen, immers, voor één en dezelfde persoon: Dalton Trumbo, scenario-genie. De man die ooit gold als de best betaalde scenarist van Hollywood, maar die vanwege zijn lidmaatschap van de Communistische Partij was veroordeeld tot een permanent werkverbod. En die zodoende de allereerste persoon werd die onder pseudoniem een Oscar won.

Clandestien

Je vraagt je af waarom er nu pas, met Jay Roach' Trumbo, een speelfilm over Dalton Trumbo (1905-1976) is gemaakt. Als iemand de spelregels van de droomfabriek naar zijn hand zette, dan was hij het wel. Eenmaal illegaal in Hollywood werd Trumbo de koning van de clandestiene klus: de spin in het web van de zwarte scenario-markt. En die ondergrondse carrière orkestreerde hij ook nog eens met een briljant gevoel voor plotwendingen.

Gedurende de jaren dertig en vroege jaren veertig was Trumbo een succesvol man. Zijn vlot geschreven scripts, vol soepel lopende dialogen en krachtige scènes, deden zijn roem snel stijgen, tot hij bij sterrenstudio MGM een vast contract kreeg. Zijn partijlidmaatschap - volgens hemzelf vooral een loyaliteitsverklaring aan zijn vele communistische vrienden - combineerde hij doodgemoedereerd met een luxe leefstijl: hij liet zich rondrijden in een auto met chauffeur en woonde met zijn gezin op een paardenranch, gelegen aan een artificieel meer dat hij zelf had laten aanleggen. Zijn favoriete werkplek was de badkuip, waar hij dagen achtereen zat te soppen achter zijn typemachine.

Bryan Cranston speelt Dalton Trumbo.

Werkverbod

Aan dat bestaan kwam in 1947 een eind. Op basis van verschillende getuigenissen legde het House Un-American Activities Committee (HUAC), het regeringsinstituut dat vermeende communistische complotten moest oprollen, Trumbo een werkverbod op dat dertien jaar zou duren. Daar kwam in 1950 een gevangenisstraf van tien maanden bovenop. Trumbo zag zijn naam uit de bioscopen verdwijnen, zat zijn celstraf uit, verhuisde met zijn familie naar een goedkopere woning en kreeg geen officiële opdracten meer. Zijn straf leek het beoogde effect te sorteren.

Undercover werkte Trumbo als een gek door, dankzij de producenten en regisseurs die hem stiekem bleven steunen. Tientallen scenario's leverde hij af, vaak in twee weken tijd, van misdaaddrama's tot westerns en komedies. Altijd onderbetaald; soms haastklussen, soms scenario's die hoogtepunten zouden blijken in zijn meer dan zestig titels omspannende carrière. Ook het zogenaamd door zijn vriend Ian McLellan Hunter geschreven script voor de Audrey Hepburn-klassieker Roman Holiday (1953) werd bekroond met een Oscar. En ook dat beeldje kon Trumbo niet zelf komen ophalen.

Heldenepos Trumbo wil memoreren, niet splijten (***)

Bryan Cranston speelt een technisch knappe, maar wat bestudeerde rol, waarvoor hij eerder dit jaar werd genomineerd voor een Oscar. Jay Roach brengt de gepolijste dialoog en traditionele filmstijl slim met humor in balans. Lees hier de recensie.

Zwarte markt

Thuis zette hij een sluitend systeem van fictieve administraties en bijbehorende bankrekeningen op, zodat hij namens al zijn aliassen opdrachten en salarissen binnen kon halen. Zodoende ontstond een complete zwarte markt voor scenario's, al helemaal toen Trumbo wegens tijdgebrek klussen ging doorspelen aan andere geblackliste schrijvers. Het hielp ook dat hij een excellent scriptdokter was: al snel mocht hij in het geniep voor half Hollywood afgekeurde scenario's oplappen. Op die manier kon het gebeuren dat hij op het hoogtepunt van zijn geheime roem een afgewezen script kreeg aangeboden dat hij zelf onder pseudoniem had geschreven - voor The Philadelphian (1959). Een aanbod dat hij wijselijk afsloeg.

Het spiegelpaleis moest natuurlijk een keer instorten. Zeker nadat de Oscar voor het scenario van The Brave One een heuse affaire rond de ontraceerbare scenarist Robert Rich had ontketend, dreigden Trumbo's praktijken aan het licht te komen. Wederom zette hij de situatie volledig naar zijn hand: hij veranderde de geruchtenstroom rond Robert Rich in een slimme mediacampagne.

Zonder ledematen

Nadat hij in 1925 van Colorado naar Los Angeles was verhuisd, werkte Dalton Trumbo acht jaar in een bakkerij. Terwijl hij beetje bij beetje als scenarist opklom in de filmindustrie, wilde hij eigenlijk liever een gevierd romancier worden; een droom die hij zijn hele leven zou blijven koesteren. Trumbo schreef een handvol romans die merendeels ongepubliceerd bleven. Zijn enige boek dat de tand des tijds heeft doorstaan, is het bekroonde en door hemzelf verfilmde Johnny Got His Gun (1939), over een jonge WOI-soldaat die in de loopgraven zijn ledematen en gezicht verliest maar voor wetenschappelijk onderzoek in leven wordt gehouden.

Slinks

Journalisten die hem aan de tand kwamen voelen over The Brave One, gaf hij zulke slinkse antwoorden dat ze dondersgoed snapten dat hij voor het scenario verantwoordelijk was. Tegelijkertijd legde hij hun de ene na de andere geblackliste auteur voor als mogelijke schrijver van The Brave One. 'Ik wilde dat de pers begreep hoe groot de zwarte filmmarkt was', vertelde Trumbo in 1976 aan biograaf Bruce Cook. 'En opeens besefte ik dat vrijwel alle journalisten met me sympathiseerden, en dat ze niet konden wachten tot de Blacklist achterhaald zou zijn.'

Ten tijde van de Robert Rich-affaire was de illegale scenariomarkt van Hollywood sowieso al een publiek geheim. De communistenjagers van het HUAC leden de ene vernederende nederlaag na de andere. Het jaar na The Brave One ging de Oscar voor het Beste scenario naar de Franse romanschrijver Pierre Boulle en diens script voor The Bridge on the River Kwai: aangezien Boulle geen woord Engels sprak en geen enkele scenario-ambitie had, wisten insiders meteen dat het opnieuw om een dekmantel voor geblackliste auteurs moest gaan. Ook de volstrekt onbekende Nathan E. Douglas, een van de scenaristen die in 1959 een Oscar wonnen voor The Defiant Ones, was voor de goede verstaander slechts een façade. Door zulke kwesties veranderde de heersende moraal en werd het een kwestie van tijd eer een ondergronds opererend filmmaker openlijk voor zijn identiteit uit durfde te komen.

Aan Trumbo de eer. Vol sardonisch genoegen voerde hij begin 1959 de spanning op met de oprichting van Robert Rich Productions. Het bleek de opmaat naar het historische televisie-interview waarin hij onthulde inderdaad de auteur van The Brave One te zijn - én van tientallen andere films die hij onder pseudoniem schreef. 'Ik heb nog een hele reeks scenario-opdrachten liggen waarbij ik met de producers heb afgesproken dat ik onder pseudoniem zal werken, en dat zal ik ook doen', aldus Trumbo. 'Maar daarna zal ik nooit meer iets voor iemand schrijven zonder mijn eigen naam te gebruiken.'

En zo geschiedde. De Blacklist werd definitief doorbroken op 20 januari 1960, toen regisseur Otto Preminger in The New York Times bekendmaakte dat Trumbo het scenario voor zijn volgende film Exodus had geschreven. En in oktober van datzelfde jaar verscheen Trumbo's naam voor het eerst weer op de aftiteling van een film: die van Stanley Kubricks spektakelfilm Spartacus. Een scenario dat hij als Sam Jackson was begonnen, maar als Dalton Trumbo mocht inleveren.

Interview Dalton Trumbo

Bekijk hier het interview met Bill Stout uit 1959 waarin Trumbo zegt: 'Daarna zal ik nooit meer iets voor iemand schrijven zonder mijn eigen naam te gebruiken'.

Fijne film

Die naamsvermelding had hoofdrolspeler en producent Kirk Douglas naar eigen zeggen zelf afdwongen bij studio Universal, maar waarschijnlijk had hij nooit groen licht gekregen als Preminger en vooral Trumbo zelf niet het voorwerk hadden verricht. Hoezeer de algemene stemming rond de zwarte lijst veranderd was, bleek ook toen de pas verkozen president John F. Kennedy naar zijn mening over Spartacus werd gevraagd: hij negeerde de controverse en noemde het simpelweg een fijne film. De genadeslag voor de Blacklist.

Na de Blacklist-periode nam Trumbo eerst een paar jaar vakantie. Alle mogelijkheden lagen open, en dat kwam grotendeels door de macht van het geld: als gevolg van het grote commerciële succes van zowel Spartacus als Exodus werd Trumbo een veelgevraagd, uitstekend betaald scenarist voor dure sterrenproducties. In 1971 maakte hij zijn regiedebuut, met de lang door hem gewenste verfilming van zijn eigen, bekroonde anti-oorlogsroman Johnny Got His Gun (1939). Verder schreef Trumbi na de Blacklist voor nog tien andere films het script en zijn allerlaatste opdracht was een van zijn meest spectaculaire: op locatie in Spanje en Jamaica moest hij Lorenzo Semple's script voor het gevangenisdrama Papillon (1973) herschrijven. Er zat namelijk nog geen rol voor hoofdrolspeler Dustin Hoffman in.

Trumbo, die diende te zorgen dat hij twintig pagina's voorlag op het chaotische draaischema, hoorde op Jamaica dat hij ernstig ziek was: longkanker. Maar hij werkte driftig door, had zelf een klein optreden (als de officier die 'Forget France!' brult tegen de gevangenen) en creëerde vrijwel uit het niets Hoffmans personage. Vervalser Dega, in het oorspronkelijke boek van Henri Charrière slechts een nevenfiguur, moest in de film allicht veel groter. Op Hoffmans initiatief zocht Trumbo de inspiratie dicht bij huis, en baseerde Dega deels op zichzelf.

Puur pragmatisme, wellicht. 'Ik ben misschien niet de beste schrijver van Hollywood', zei Trumbo ooit, 'maar wel de snelste.'


De heksenjacht op communisten nekte de Hollywood-carrière van velen.

In het door de angst voor het Rode Gevaar geteisterde Amerika van de late jaren veertig, vond een ware heksenjacht plaats op iedereen die ook maar enigszins aan het communisme te koppelen viel. Onder aanvoering van het door de regering ingestelde House Un-American Activities Committee (HUAC) werd ook de bezem door de amusementsindustrie gehaald, met de infame Hollywood Blacklist als resultaat: een lijst met honderden scenaristen, producers, regisseurs, acteurs en journalisten die vanwege hun linkse sympathieën niet meer in Hollywood mochten werken en vaak ook tot een gevangenisstraf werden veroordeeld. De zwarte lijst betekende voor veel mensen in Hollywood het definitieve einde van hun loopbaan.

De eerste tien personen die op de lijst belandden werden al de Hollywood Ten genoemd. Naast Dalton Trumbo waren dat Alvah Bessie, Lester Cole, Edward Dmytryk, Ring Lardner Jr., John Howard Lawson, Albert Maltz, Samuel Ornitz en Adrian Scott. Dmytryk, regisseur van geëngageerde misdaaddrama's als Crossfire (1947) en Christ in Concrete (1949), zou zich na enkele maanden gevangenisstraf openlijk van het communisme afkeren en 26 partijleden verklikken. Lawson, Scott en Maltz, zo getuigde hij tegenover het HUAC, hadden hem gedwongen communistische propaganda in zijn films te verwerken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden