De man die het elektrisch orgel zijn plaats gaf binnen de jazz

Hij luisterde nooit naar pianisten, alleen naar blazers. Het weerhield hem er niet van het elektrische orgel tot een serieus jazzinstrument te maken....

Hij is vredig in zijn slaap gestorven, dinsdag. Dat lijkt niets voor hem, want jazzorganist Jimmy Smith was een uitbundige, agressieve man met een ruw soort humor, die niet voor niets een van zijn platen Damn! noemde.

James Oscar Smith, geboren in Norristown, Pennsylvania op 8 december 1928 (niet 1925, zoals in sommige handboeken staat), heeft eens en voor al bepaald hoe het elektrische orgel in de jazz moet klinken. Voor hij op het toneel verscheen, werd het instrument vaak gebruikt als grappig curiosum, met een ietwat lullig geluid. Smith, begonnen als pianist, bracht daar verandering in toen hij zich in 1955 een halfjaar lang afzonderde in een pakhuis, om zichzelf te leren omgaan met de net op de markt gebrachte Hammond B-3.

Door te experimenteren met de drawbars, traploze schuifregisters, ontwikkelde hij een volvette klankkleur. Op de pedalen speelde hij stuwende baslijnen, met zijn linkerhand legde hij stevige akkoorden neer, de rechter trok snelle melodische lijnen, geïnspireerd door de bebop en daarbinnen dan vooral door blazers: Smith heeft zelf gezegd dat hij nooit naar pianisten luisterde.

Zijn doorbraak kwam al het jaar daarop, toen het Blue Note-label hem onder contract nam. Hij maakte er tientallen platen voor, waaronder vele klassiekers in het souljazzgenre, meestal in de klassieke bezetting van orgel, gitaar en drums, soms aangevuld met een sax. Deze stijl, doordrenkt met bluesgevoel, gospel en funk, was populair in de clubs van de zwarte getto's. Maar Smith gaf hem een veel grotere verfijning, ook dankzij de bijdragen van gitaristen als Kenny Burrell en blazers als Stanley Turrentine.

In 1962 stapte hij over naar Verve dat hem opnamen liet maken met big bands, gearrangeerd door Oliver Nelson. Het leidde meteen tot de hit Walk on the Wild Side. Ook een ontmoeting met gitarist Wes Montgomery was een hoogtepunt; Smith leverde de thema's voor films als Goldfinger en The Carpetbaggers, maar zijn echte succestijd liep ten einde.

'Hammondjazz' raakte in de jaren zeventig uit de mode, en Smith stopte met toeren. In de jaren tachtig kwam hij terug met een enigszins tot een formule versteende speelstijl, hoewel hij live nog altijd voor veel opwinding kon zorgen. Zijn laatste plaat, Dot Com Blues, met gasten als B.B. King en Dr. John, verscheen in 2001. Maar er liggen nog opnamen op de plank, duetten met zijn nazaat Joey DeFrancesco, die Concord binnenkort gaat uitbrengen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden