De liefdesdroom van een schlemiel

We kiezen deze zomer het beste korte verhaal. Op nummer 3 is geëindigd: F.B. Hotz. Juryvoorzitter Arjan Peters legt uit en leidt in.

Schrijver F.B. Hotz in 1998.Beeld ANP

Liebestraum

Op een zaterdag in oktober hielden mijn ouders een van hun 'dansavondjes'. Al vroeg in de middag brachten kruidenier en slijter overdadig spijs en drank. Vader stapte rond twee uur uit zijn zakenauto, liep de trap op, nam uit de diepe gangkast een paar flessen wijn van het huis dat hij vertegenwoordigde en zette ze in een hoek van de kamer. Het was een jaar na de krach van Wallstreet maar van crisis was bij ons nog niet veel te merken.

Vader rommelde nog in een keukenla en kwam weer binnen met een schroevedraaier en een oliespuitje. Hij opende het deksel van zijn grammofoon, schroefde onderdelen los en oliede het veerwerk. Zijn gezicht ontspande pas toen de draaitafel geruisloos liep en de slinger niet meer piepte bij het opwinden. Het rook naar olie op nikkel in de kamer.

Het was druk in huis op zo'n zaterdag. Moeder beende heen en weer naar de keuken en verdween rond theetijd naar haar kapster. Vader ging met de auto nog iets halen in de stad.

Er was bleke zon en windstilte, maar er lagen al veel gele bladeren op de stoep. Ik had een herfstgevoel: straks zouden de novemberstormen komen en wat zou ik later moeten worden.

Na de haastige avondboterham verdween moeder naar de slaapkamer, waar ze zich mooi maakte. Vader schoor zich eens extra in de keuken en maalde verse koffie voor het bezoek. Mijn stemming veranderde in goede verwachting.

M'n zus en ik werden naar bed gestuurd met een zout koekje en een likeurbonbon. Er waren gehaaste laatste schikkingen: zus moest in mijn kamertje slapen want er kwam een logé. Er werd een kampeerbed voor haar binnen gedragen. Moeder was nerveus en zag er overdreven uit met haar verse permanent. Ze leek een halve vreemde.

Als illustratie bij het korte verhaal maakt René van der Vooren elke week een boekomslag. Van der Vooren is grafisch ontwerper en verzorgt boeken, tijdschriften en brochures.Beeld René van der Vooren

Liebestraum

Jazztrombonist en schrijver F.B. Hotz (1922-2000) bestond eigenlijk vooral in zijn proza. Daarbuiten vertoonde hij zich nauwelijks - de uitreiking van de P.C. Hooftprijs 1998 vond plaats bij hem thuis in Oegstgeest. Toch wist Aleid Truijens over zijn leven een spannend verhaal te vertellen (Geluk kun je alleen schilderen, 2011); ze moest daarvoor terug naar de tijd vóór hij zich terugtrok en schrijver werd. Terug naar de de vooroorlogse jaren van sluimerende hoop, waarover hij schreef in geestige en precies geschreven verhalen, 'slagen met een klein, venijnig hamertje' (Truijens).

Het bitterzoete 'Liebestraum', over de zaterdagse 'dansavondjes' in het ouderlijk huis, bevat vele Hotz-kenmerken. Het roept een voorbije tijd terug aan de hand van details - de grammofoon, de zondagochtendkrant, het luchtschip - op zo'n manier dat ze niet alleen als decor fungeren. Ze geven het verhaal over de liefdesdroom van een schlemiel én die van een Leids echtpaar een melancholische kleur. Even veelzeggend is de rol van de jonge ik-figuur. Hij is de registrerende buitenstaander die 's avonds in zijn bed overstroomt van een nog ongericht verlangen.

Klassieke, mooi-droge verhalen waren Hotz' fort. Hij publiceerde in een kwart eeuw zes verhalenbundels, een novelle en na lang aandringen ook één roman (De vertekening), die ten overvloede onderstreepte dat deze auteur floreerde als hij zich beperkte.

Mijn kabinet lag aan de voorkant van het bovenhuis, naast de huiskamer en aan de kop van de gang. We hoorden de gasten bovenkomen; vader verwelkomde iedereen met een grap, vooral de vrouwen. Die sprak hij met kindje of meisje aan. Als laatste werd iemand begroet die ik pas eenmaal vluchtig gezien had: een schrikachtige vrouw met een groot gezicht en puilende ogen. 'Geef je koffertje maar hier, Tine', hoorde ik moeder zeggen; blijkbaar bleef deze nieuwe logeren. De huiskamerdeur ging open en weer dicht; Tine was opgenomen in de vriendenkring.

Ik dacht er niet over om te gaan slapen. Ik lag als een pelgrim met mijn gezicht naar de kamermuur en luisterde. Op mijn andere zij zou ik bovendien in de richting van de Leidse binnenstad gestaard hebben, waar grote branden gewoed hadden, het vorige jaar.

Binnen murmelden de stemmen geruststellend. Koffielepeltjes werden op schoteltjes gelegd, jaloersmakend hoorbaar. Vader zette een plaat op; hij begon altijd ernstig, ditmaal met het Lener Stringquartet dat Beethoven speelde. Ik zag de grote Columbiaplaat voor me, met het bleekblauwe etiket.

Steeds als de kamerdeur open ging klonken stemmen en muziek harder. Het ganglicht scheen dan door een glasruit boven mijn deur en verlichtte m'n voeteneind.

Ik herkende moeders snelle voetstap. Ze ging naar de keuken. Toen ze terugliep werd er kort gebeld. Moeder opende de kamerdeur en riep 'Kom je even?' Binnen klonk juist gelach, en vader zei in de deuropening 'Ik zal straks wat vrolijkers draaien hoor meid, ik ben zo terug.' Tegen moeder zei hij 'Wat is er?'

De procedure

Een speciale V-Zomerjury bestaande uit Adriaan van Dis (schrijver), Anna Drijver (actrice en schrijfster van twee romans), Wilma de Rek (chef van de Volkskrant-boekenredactie) en Arjan Peters (Volkskrant-literatuurcriticus) deed een manmoedige en wat ons betreft definitieve poging de zes beste korteverhalenschrijvers van de naoorlogse Nederlandse literatuur te bepalen. Een zomer lang tellen we terug, van 6 naar de onbetwiste nummer 1. Van elk van de schrijvers drukken we een kort literair juweel af. Op 6 eindigde J.M.A. Biesheuvel, op 5 Mensje van Keulen en op 4 Sanneke van Hassel.

Er werd opnieuw bescheiden gebeld.

'Ik doe wel open', zei vader; 'het zal die schlemiel wel zijn natuurlijk.'

Hij liep naar het trapgat en trok aan het touw langs de leuning. De buitendeur sprong los. 'Hé!' zei vader, 'hallo Bert.Wat ben je laat joh.' In dat joh klonk iets meewarigs mee, dat tegelijk ergernis kon zijn.

'Dat is Bert Tuinman', fluisterde m'n zus. Ze giechelde. Op de gang zei moeder nogal effen: 'Dag Bert, kom d'r in.'

Binnen zaten mensen die wij interessanter vonden dan Bert. Daar was bijvoorbeeld Jan Deyl, die vlieger was in Soesterberg, en Joop Defresne, die waterpolo speelde in het eerste van de Leidsche Zwem Club. Bert stak daar wat bij af en hij wist dat. Bovendien droeg hij een bril, een zwakheid in die jaren. Zijn achterover gekamd dun haar deed die bril sterk uitkomen en hij zag altijd bleek. Hij was 'laks', zei moeder en als hij ja of nee moest antwoorden knikte of schudde hij eerst traag, alsof hij niet geloofde in eigen stem of woord. En z'n grijze pakken, daar was ook iets mee.

'Ik dacht nog wel dat je niet kon komen vanavond', zei moeder ergens bij de kapstok. Bert mompelde iets. Ze gingen de kamer binnen en er klonken vage begroetingen. 'Ken je Tine eigenlijk?' zei vader, en dan sloot zich de deur.

De stemmen gonsden gedempt verder. Soms was er gelach: vaders rokersgezaag, moeders gemekker en de hinnik van Joops vriendin. Bert hoorde ik niet.

De klassieke platen werden verwisseld voor lichtere. Fritz Kreisler speelde Schön Rosemarin en nog iets. En dan ging vader over op The Revellers, die Dinah zongen. Niet lang geleden hadden mijn zus en ik die vijf zangers in jacquet gezien op een eerste proeve van 'sprekende film' in Leiden. De met geluid onervaren operateur had de knoppen voluit gedraaid in het kleine theater, zodat onze trommelvliezen kraakten. Bovendien leek het of de gebaren van de zangers niet helemaal klopten met de muziek, en hun ogen staarden hol of ze eigenlijk dood waren. Het gaf iets onwezenlijks om van zich af te schudden, maar hoe dat thuis uit te leggen. Moeder had ons ondankbaar gevonden.

Liever hoorde ik die zangers hier, vanuit mijn bed. Ik was niet te gek op die deftige stemmen, en toch ook weer wel: het was vaders keus en ze hoorden bij ons huis als de uitschuiftafel en de rookfauteuil.

En nu werd die tafel dan eindelijk aan de kant geschoven en klonk de eerste dansplaat. Kurken werden uit flessen getrokken en glazen rinkelden. Het praten werd luider en gewoon lachen werd schateren.

M'n zus, die al geslapen had, stapte uit bed en glipte zonder haar fondsbril de gang op in haar nachthemd. Ik keek toe vanaf m'n voeteneind. Ze opende langzaam de kamerdeur op een kier en staarde in de rokerige lichtkolom. 'Zeg ben jij gek, als de donder terug in je bed', riep vader. Ze rende terug en sprong in haar bed.

'Wat zag je?', vroeg ik.

'Jan Deyl stond op z'n kop in een stoel! In z'n uniform! Z'n benen omhoog!' (Ze was twaalf en vond Deyl aardig.)

Ik grijnsde welwillend in het donker. 'En wat nog meer?'

'Niks. Dansen natuurlijk. Bert Tuinman danste waarachtig ook: met die nieuwe.' Onze toon was toegeeflijk, alsof de groten clementie behoefden.

De muziek ging eindeloos door, evenals het ontkurken, de lachsalvo's en het geschuifel van voeten. Met het vorderen van de avond ging de kamerdeur vaker open omdat men het toilet bezocht. Het suizen van het reservoir overstemde een tijdlang de geluiden van binnen. Juist als er een goede plaat gedraaid werd, vond ik.

Pas heel laat werden de geluiden geheimzinniger. Men praatte zachter. De muziek klonk gedempter: de houten deurtjes van de grammofoon waren dicht of bijna dicht. Paul Whiteman speelde gemoffeld Evening Star.

Ik legde m'n rechterhand met gespreide vingers op de muur alsof ik de muziek zou kunnen voelen. Ik was diep tevreden met de avond en het huis maar ook stroomde ik over van ongedurig verlangen: naar niets nog. O God, dacht ik - misschien om die hang betekenis te geven - laat me iets worden later; niet niets zoals Bert Tuinman.

En laat de wereld niet vergaan.Want die grote Duitse vliegboot, met honderdnegenenzestig mensen aan boord in twee etages, en dat nieuwe Engelse luchtschip de R 101, met honderd passagiers, dat alles was misschien hoogmoed. De ondergang van de wereld was in ons spraakgebruik doorgedrongen. 'Ik eet eerst het lekkerste op', zei mijn zus soms monter aan tafel, 'als de wereld vergaat heb ik dat vast binnen.'

Ik doezelde en gaapte. Maar ik bleef de titels van de platen noemen in m'n eigen Engels; ik wist wat er op de achterkant stond en welk platenmerk het was. Vader zou die kennis misschien gewaardeerd hebben, dacht ik, als hij ervan geweten had.

Een late tram rammelde leeg voorbij, maar de straatlantaarn voor het huis brandde nog. De grammofoonklank achter mijn muur werd een brij en daarna sliep ik steendiep en zonder begrip.

Midden in die gloeiend warme en zware slaap werd ik wakker van een plotselinge vleug muziek die ik eerst niet herkende, en dan dankbaar weer wel. Violen streken hoog en kantig Louise. Altijd die meisjesnamen! Ik werd er misselijk van of ik was misselijk van slaap, en tegelijk vergaf ik de volwassenen hun kinderachtigheid. En sliep verder.

Muziek begon over te gaan in nachtangst. Ik droomde van het smeulende Leidse Stadhuis en schrok wakker. Dan luisterde ik met m'n hoofd van het kussen getild. Gelukkig waren er nog steeds stemmen, maar ze klonken lispelend. Een man op de gang zei 'O, dat zien we straks wel', met een dikke tong.

Mijn zus was opnieuw wakker. Ze gaapte, stond opeens rillerig naast haar bed en verdween. Ik zag dat ze de grote slaapkamer binnen stapte, die tussen voor- en achterkamer lag.Toen ze terug kwam sprong ze in haar bed, trok de dekens over haar hoofd en proestte. 'Wat was dat?' vroeg ik. Ze knorde door haar neus. 'Wat was er nou!?' zei ik.

Ze vertelde fluisterend. Vader had zijn grammofoonplaten uitgespreid op het grote bed in de tussenkamer. Nu en dan liep hij door de half open schuifdeuren die ruimte binnen om een plaat uit te zoeken. In het schemerig slaapkamerlicht was Bert Tuinman daar binnen komen wankelen met een jeneveradem. Hij liet zich op het bed zakken en onder z'n achterwerk klonk een doffe knak. Hij stond op en staarde naar een plaat in twee helften. Hij had een trillende vinger naar zus opgeheven en gezegd. 'Jij hebt niks gezien hoor! En donder nou op naar je kamer en ga slapen.' M'n zus vond het 'weer echt iets voor Tuinman' en als vader het ontdekte zag het er slecht voor hem uit.

Ik voelde een lacherig medelijden met Bert. Eens, op een zondagmiddag, had hij iets van zijn kinderjaren verteld. Hij was altijd onhandig geweest, zei hij. Op een verjaarsfeest in de tuin van een schoolvriendje deden de kinderen een kaartspel in groepjes. Bert begreep niets van dat spel en samen met een jongen die niet kaarten mócht van thuis, trok hij zich terug bij een kolenhok. De ander klom op dat hok en sprong er af, steeds weer, in landerige verveling. Bert vond mee te moeten doen, klom, en in z'n sprong bleef hij met z'n tanden aan een waslijn hangen. De moeder bepleisterde z'n lip. 'Dank u voor de prettige middag', zei Bert bij het naar huis gaan, zoals hem geleerd was. De vrouw had een hoge lach niet kunnen binnenhouden.

Bert Tuinman vertelde die dingen zo maar, waar iedereen bij was. Andere mannen schepten op: Deyl over Soesterberg, Defresne over z'n poloteam, maar Tuinman presenteerde z'n mislukkingen als een soort moppen. Men láchte ook.

De glazen keukendeur lichtte op en er drong een heerlijke geur door tot in mijn kamertje. Moeder maakte het gebruikelijke bord nasi goreng tot slot. Ze bakte kroepoek; ik wist dat die grote bladen uitlekten op kranten als ze uit de kokende olie kwamen. Ik kreeg honger.Wat later klonk binnen het geklik van lepels en vorken. De muziek was opgehouden. Er sprongen beugelflesjes bier open.

Men praatte en lachte nog steeds. Iemand ging wat halen in de keuken en liet de deur aan staan. Eindelijk kon ik iets verstaan uit de kamer. Jan Deyl - die altijd over luchtvaart sprak - zei: 'En met de R 101 beginnen ze nou zelfs een dienst op Brits Indië!Wisten jullie dat?' Moeders stem, wat dwepend door wijn, antwoordde: 'Het zou práchtig zijn als die luchtschepen de mensen eens meer tot elkaar konden brengen. Dan zou er misschien nooit meer oorlog...' De deur sloot weer.

Het gesprek murmelde verder. Ik was moe.

Ik wilde nu niet meer slapen. Straks was alles afgelopen en begon het gewone leven weer. Ik zweefde toch weg maar werd wakker van koffiegeur. 'Nee laat maar', zei moeder op de gang, 'dat achterbrengen doen wij wel straks.' Maar er ontstond toch geloop.

En dan een rinkelende slag van versplinterd glas. Een man vloekte en een ander schaterde. Iemand, beneveld, had de glazen keukendeur niet op tijd gezien. Mijn zus zat rechtop. 'Hoorde je dat?' zei ze hol; 'dat zal Bert wel weer zijn.' Ze ging liggen en sliep door.

Ik hield me wakker tot de laatste gasten op hun tenen het huis verlieten. Eén praatte nog op de gang maar moeder zei: 'Ssst! Denken jullie nou een beetje om de kinderen, die slapen hier achter!' maar haar stem klonk lacherig. Men ging de trap af en de buitendeur werd zacht dichtgetrokken.

Bijna fluisterend zei moeder: 'Ik zal je even voorgaan Tine', en de zoldertrap kraakte nu. Vader zei tegen een ander: 'Alleen nog op de bank in de achterkamer, als je dat voor lief neemt.' Die ander mompelde; moeder kwam van de zolder en zei hem: 'Neem dan tenminste dit plaid nog mee.' Ze rommelde in de gangkast.

Er werd gedempt welterusten gewenst. Het reservoir van het toilet suisde lang.Toen werd het pas goed stil.

De laatste tram was allang in de remise en de straatlantaarn voor het huis was onverbiddelijk uit. De stilte werd totaal. Op een elleboog geleund keek ik nog door een kier van mijn gordijn. De brede weg met zijn stoepen en fietspaden lag onbeweeglijk verlaten in het maanlicht. Ik gaapte vervaarlijk, ging met een zucht liggen - afgewend van de stad - en sliep al gauw.

Ik droomde dat ik door het vissersdorp van onze laatste vakantie liep. Het weerlichtte. De zee brulde. M'n zus was er ook en we gingen de Boulevard op en keken uit over zee. Een menigte vissers stond plechtig op het smalle strand en staarde zonder een woord naar de horizon. Ik scheen te weten waar men op wachtte.

Op het einde! De ondergaande zon leek wel een scheve blaar. De branding was klaar voor een ramp.

Mijn zus en ik, boven op het duin, waren milde heersers. (Een bebrilde infanta met polkahaar en een bleek broertje.) Ons volk stond aangetreden. De golven zouden ons allen overspoelen.

We groetten nu en dan haast onmerkbaar een enkele zwakke onder het volk, die zich omdraaide en smekend naar ons op keek.We knikten bemoedigend naar Bert Tuinman, die straks van al z'n flaters verlost zou zijn. We negen vol schijnbare kalmte naar ouden van dagen. Ergens knetterde al vuur. Een monstervliegboot, ver aan de horizon, verloor hoogte en naderde de gruwelijke zon.

Ik worstelde me wakker met bonkend hart en zat bezweet recht op. Er was een soort onheil gaande in huis, dacht ik. Het was diep in de nacht en ik meende iets gehoord te hebben op de gang. Ik zat verlamd en opnieuw kraakte het daar. Misschien had moeder, vergeetachtig door wijn, een pan op het brandend fornuis laten staan.

Ik sloop m'n bed uit en opende m'n deur. Er gloeide wat op in de zwarte gang; ik schrok maar begreep dan dat het een sigaret moest zijn. Een gedaante glipte stil de zoldertrap op. Een tree piepte; het wezen stond stil en ademde door de neus.

Ik fluisterde bevend: 'Wie is daar', en een man siste terug: 'Ga in je bed, gauw. Vlug dan.'

Het ganglicht sprong op. Ik kneep m'n ogen dicht en opende ze knipperend. 'Wat heeft dat te betekenen, wat doe je uit je bed?' vroeg moeder me. Ze was in pyjama, met een haarnet, en keek me borend aan. 'Ga nou niet in de gang lopen, er kan nog glas liggen', snauwde ze. Ik gebaarde in de richting van de zoldertrap. 'Ik zag een vent', zei ik.

Moeder kwam boos dichterbij. Ze keek omhoog, de afbuigende treden langs. Ze riep: 'Wel allemachtig! Kom onmiddellijk naar beneden!' Haar stem klonk laag en een beetje gemeen, alsof ze een hond tot de orde riep. Bert Tuinman liep langzaam de trap af. Hij had een grote pleister op zijn voorhoofd, van de keukenruit waarschijnlijk.

'En jij naar je kamer en slapen, als de bliksem', zei moeder me nog. Ik ging, sloot de deur, maar bleef er achter staan luisteren. Moeder ging gesmoord verder tegen de zwijgende Tuinman. Ze zei: 'Kleed je aan en verlaat onmiddellijk m'n huis. Ben jíj gek! Je moest je doodschamen! Ik geef je vijf minuten.' Er klonk een mannenhoest en wat heen en weer geloop op kousevoeten.

Verwonderlijk snel was de zondaar aangekleed. Ik hoorde hem z'n jas en hoed van de kapstok pakken. 'Smeer 'em en laat je niet meer zien', zei moeder nog. Voetstappen daalden af, de voordeur ging open en Bert trok die zó zacht achter zich dicht dat het slot nog tweemaal open sprong. 'Schlemiel!' siste moeder. Ze had vaders woord overgenomen.

Ik keek langs het gordijn naar buiten. Daar sloop Bert naar het tuinhekje en sloot het zorgvuldig achter zich. Ik zag z'n wit gezicht en de pleister die gek onder de hoed uit stak. Hij begon door de geluidloze nacht naar het station te lopen. De maan scheen nog.

Ik huiverde en stapte in bed. Het zou nog uren duren voor het station open ging.

Nog eenmaal werd ik wakker die nacht. Regen striemde mijn raam. Het stormde; de wind floot door de zolderkieren. De maan was weg.

De volgende morgen ontbeten we vroeg want moeder wilde naar de kerk. Ze ging niet iedere zondag, maar het leek of ze het wereldse avondje wilde gladstrijken. Tine zat mee aan tafel. Ze staarde met humeurig puilend oog op haar bord. De regen was opgehouden.

Er werd gezwegen. Dan zei moeder maar eens dat het weer opgeknapt was en rustig voor oktober. Vader probeerde een grap, maar Tine bleef zwijgen. Ik keek m'n zus aan die haar wenkbrauwen op trok. Alleen het bestek was hoorbaar.

Opeens zei moeder: 'Hoor 'es Tine, ik kon ook niet weten dat...' Tine legde vork en mes neer en barstte in snikken uit. 'We zouden samen naar het station lopen en samen reizen', piepte ze; 'waarom hebben jullie hem al zo idioot vroeg weg laten gaan! Ik begrijp er niets van.'

'Ja Jezus!' zei vader. Hij grinnikte. Tine keek hem woedend aan, pakte haar bestek en at zwijgend verder. 'Ik leg het straks wel uit, onder vier ogen', zei moeder. Na het ontbijt verdwenen beide vrouwen in de achterkamer.

Ik waste me, vrijwel symbolisch, in de keuken en kleedde me aan. Terug in de huiskamer bleek vader in goed humeur, want hij ging - alweer - platen draaien. Hij zette Liebestraum van Liszt op, gespeeld door pianist Dirk Schäfer. Moeder kwam binnen en zei dat ze die melodie een beetje vond lijken op Waar liefde woont gebiedt de Heer zijn zegen. Vader sloeg z'n ogen naar het plafond.

Toen de plaat afgelopen was zei hij met een lichtzinnig lachje: 'En nou zal ik jou hetzelfde stuk laten horen, maar dan in een arrangementje van Whiteman! Eens kijken of je het toch herkennen kan.' Ik keek hem verbluft aan en lachte dan gretig. Maar eerst kwam Tine afscheid nemen. Ze verontschuldigde zich voor het ontbijt. 'Allright', zei vader. Moeder liet haar uit. Tines bolle ogen stonden ondoorgrondelijk.

Vader hurkte bij het platenkastje onder z'n grammofoon. Hij zocht. Hij keek een paar stapels door, fronste en mompelde. Hij vloekte. Liebestraum vanWhiteman was weg. Nog gehurkt draaide hij zijn hoofd om en snauwde me toe: 'Heb jij aan die platen gezeten?' Het idee was absurd: we mochten niet eens in de buurt van de grammofoon komen. 'Nee', zei ik.

'En jij?' zei vader tegen m'n zus die binnenkwam in een zondagse jurk. Ze kreeg een kleur. Vader ging plechtig staan en nam een sigaret uit zijn zilveren koker. 'Vertel op!' gebood hij. En zus verried met enige verve Bert Tuinman. 'Hij ging er per óngeluk op zitten', zei ze er nog wel bij.

Vader was woedend. 'Wat had die idioot daar te zoeken?' zei hij, en hij vond dat Bert die plaat moest betalen. En de keukenruit eigenlijk ook. Hij kreeg woorden met moeder, die zei: 'Je wéét dat die jongen geen cent heeft. En geen werk.'

'En waarom moest jij hem dan bepaald aan die Tine zitten plakken gisteravond', vroeg vader. 'Dat krijg je nou, met dat verdomde gekoppel.'

Moeder bloosde, wilde iets zeggen maar zweeg.

'Je vindt het zelf een slappeling!' zei vader.

'Ik vind het een stumper en ik dacht: hij is altijd alleen op die avondjes...' Maar vader gebaarde met een vlakke hand en een getuite lip dat het zo wel genoeg was. Hij zag er onuitstaanbaar uit. Hij sloot de grammofoon.

Moeder, rood in het gezicht, trok haar mantel aan om naar de kerk te gaan. Ze groette binnensmonds en liep de trap af. In de vestibule raapte ze iets op en ze kwam er mee boven.

Het was de zondagochtend Telegraaf en moeder staarde, met net zulke ogen als Tine, op de voorpagina. 'God beware me!' zei ze, 'daar heb je het nou al.' Vader stak met afgewend hoofd zijn hand uit om het blad in ontvangst te nemen. Een kop over de volle breedte meldde dat het nieuwe luchtschip de R 101, het grootste ter wereld, op weg naar Karachi in storm en regen was vergaan. In de afgelopen nacht had het, zwaar van slagregens, hoogte verloren boven Het Kanaal en was op een Franse heuvel gestoten en verbrand. We staarden naar de telegrafisch overgebrachte foto van het monsterwrak.

Moeder vertrok. Vader ging zoeken in de tussenkamer. Diep onder het brede bed vond hij Liebestraum in twee stukken. Hij legde die delen aan elkaar op tafel, schroefde z'n oranje Parker-vulpen los en noteerde het bestelnummer van de plaat vastberaden in een zakboekje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden