De lessen van Don B. ; DONALD BARTHELME GING NOOIT ONVERANTWOORD TE WERK

WAT DOEN Piet Schrijvers en Jan Jongbloed ('the brave Jan Jongbloed') in een verhaal van de Amerikaanse schrijver Donald Barthelme?...

Had hij, als hij dan per se om een paar vermaarde keepers verlegen zat, niet beter een paar Italianen, Spanjaarden of Engelsen kunnen nemen, omdat hun namen bij zijn Amerikaanse lezers wellicht wat makkelijker in het gehoor liggen?

Zou hij door het gebruik van zulke namen een snufje exotica aan zijn vertelling - is het wel een 'vertelling'? - hebben willen toevoegen?

Of zou hij geweten hebben dat 'schrijvers' en 'jongbloed' (young blood zeiden de Engelse verslaggevers tijdens het wereldkampioenschap van 1974) niet alleen eigennamen zijn, maar ook woorden die zowel voor zijn vak als voor de 'inhoud' van zijn verhaal - een verhaal over 'bodyguards' - een extra betekenis hebben?

Bij Donald Barthelme moet je rekening houden met alle mogelijkheden die de bouw van zijn verhalen en het gebruik van de taal, zowel in morfologisch, fonetisch als semantisch opzicht, te bieden hebben. Het plezier van het lezen is voor hem verbonden met het besef dat er door toedoen van een schrijver iets gecreëerd is dat volledig nieuw is - en daardoor de auteur, maar ook de lezer verrast. Hij is er niet op uit om zijn lezers op te schepen met een 'postmoderne' impressie van de wereld, zoals geleerde beschouwers met graagte hebben geconstateerd, maar om die lezers duidelijk te maken dat de werkelijkheid niet in woorden te vangen is, althans niet op een 'realistische' manier.

Voor Barthelme, zou je kunnen zeggen, verschillen 'realiteit' en 'realisme' even veel van elkaar als het kijken naar een voetbalwedstrijd op de tv en het voetballen zelf. De vraag is, zou je in navolging van Barthelme kunnen opwerpen, of het kijken naar een voetbalwedstrijd wel wezenlijk met voetbal te maken heeft; of het niet een zodanig opslorpende (en verslavende) activiteit is dat het object (het edele voetbalspel) onder de blik van de kijker verandert, tenzij je er door de vorm van de verslaggeving in slaagt aan beide recht te doen, zowel aan het kijken als aan het spel.

Wie nog wel eens naar een voetbalwedstrijd op de televisie kijkt, weet dat elke, thans gebruikelijke registratie ver van dit ideaal verwijderd is. Misschien kun je, met dit inzicht gewapend, opperen dat televisievoetbal op den duur net zo vervelend wordt als porno, zelfs voor degenen die ooit in de ban van het voetbalspel zijn geweest of nog dagelijks genieten van de liefde.

Van hier is het een kleine stap naar Barthelme's hoogst filosofische intenties met zijn schrijverij: hij schrijft, in het voetspoor van zijn geliefde voorbeeld Samuel Beckett, en gepreoccupeerd door het modernisme dat zijn vader als architect in Texas beleed, zodanig dat de manier waarop een vertelling is gemaakt, zichtbaar blijft. Hij verdoezelt de constructie niet; die maakt deel uit van het geheel. Het dwingt hem steeds opnieuw, in Come back, Dr. Caligari, in Snow White, in Unspeakable Practices, Unnatural Acts, in The Dead Father, in City Life, in Great Days en al zijn andere boeken met meestentijds zeer korte stukken, tot een vorm die niet gegeven is, en ook niet herhaalbaar, om zo te laten zien wat voor een oppervlakkige blik verborgen blijft.

Alleen zo kunnen de ogen van de lezer (en van hemzelf) geopend worden voor een esthetische samenhang die betekenis geeft aan de dingen die worden 'beschreven', een woord dat in de literatuur zelden toepasbaar is, maar in het geval van Barthelme al helemaal niet.

Barthelme toont ons door zijn vormgeving, zou je kunnen zeggen, de kunst in de dubbele betekenis van het woord, en al is dat voor degenen die de twintigste-eeuwse avant-garde enigszins kennen, niet werkelijk verrassend, het is - zeker door de spirituele verteltrant van Barthelme - nog steeds een genot er kennis van te nemen. Vooral ook doordat je dankzij zijn boeken dieper doordringt in wat dat eigenlijk is, kunst of literatuur. In elk geval draagt hij, net als zijn geestverwanten dat doen, ertoe bij dat je ideeën over literatuur en daarmee over een eventuele canon veranderen. Een bekende uitspraak van Barthelme is dat de enige werkelijk kunstkritiek die er toedoet, een nieuw kunstwerk is.

Zoals een platte registratie van een voetbalwedstrijd geen recht doet aan de essentie van het spel, gelijk de echt talentvolle spelers die ervaren, kan een platte weergave in woorden de verborgen sensaties van het leven niet op lezers overdragen. En omdat alle pogingen die Barthelme tijdens zijn betrekkelijk korte leven ondernam om die werkwijze te vermijden - hij overleed in 1989, 58 jaar oud - een hoogst merkwaardige lappendeken van 'teksten' hebben opgeleverd, heeft hij met verwante zielen als Thomas Pynchon, John Barth, William Gass en Robert Coover de naam gekregen een 'postmodernist' te zijn.

Met zulke etiketten moet je oppassen, net als met academische beschouwingen die proberen de vlinders van de eigentijdse literatuur niet met een net, maar met een voorhamer te vangen. Voordat je het weet, liggen zulke wonderen van creativiteit verpletterd in een doosje en gaat het alleen nog om de vraag welk label men erop zal plakken. Juist in Amerika, waar de literatuurwetenschap door duizenden nijvere bijen wordt beoefend alsof het om een vorm van massaproductie gaat, dreigt de kunstzinnige inspanning van een handvol enkelingen de status van een voetnoot in computeruitdraai te krijgen.

De literatuur dient er niet toe om vermalen te worden tot uittreksels, scripties en dissertaties, maar om gelezen te worden door bevlogenen, die bijvoorbeeld, als ze het werk van Barthelme ter hand nemen, ontdekken dat ze er met een 'postmoderne' bril op hun neus niet zoveel meer in zullen ontdekken dan wanneer ze zich voor deze 'teksten' openstellen en zo de sensatie deelachtig worden dat er geen ondoordringbare 'metaliteratuur' wordt geboden, maar integendeel een hoogst interessant, durend pleidooi voor de waarde van het esthetische.

Het werk van Barthelme is geen 'l'art pour l'art' - om eens een veelgebruikte, maar slecht begrepen uitdrukking te hanteren -, maar een soms hilarische en altijd humoristische, spottende, relativerende benadering van de dingen om ons heen. Barthelme sluit de 'werkelijkheid' niet buiten, zoals wel is gezegd, maar probeert wat hem daarin opvalt te esthetiseren.

Dat is ook zijn ethiek. Hij moraliseert niet, althans niet in zijn 'verhalend proza', maar schudt net zo lang aan de boom van onze beperkte kennis totdat er een paar mooie vruchten in de drassige bodem voor ons vallen en ons een licht opgaat: bij Barthelme verliezen de dingen hun vanzelfsprekende betekenis, veranderen van kleur en vorm en schenken ons tongue-in-cheek een speelruimte die aanzienlijk groter is dan de dagelijkse plichten ons toestaan.

Die uiterst serieuze houding, die gestalte krijgt in een hoogst zorgvuldige manier van schrijven, toont hoe ernstig hij de wereld neemt. Zoals alle kunst dat doet, die de valkuil van het engagement weet te vermijden.

Niemand kan dit beter uitleggen dan Donald Barthelme zelf. Met zijn verhalen, maar ook in zijn essays. Daarom is het goed dat zijn bewonderaars na zijn dood in 1992 een bundel met nog onbekende verhalen uitbrachten onder de titel The Teachings of Don B. en nu een tweede: Not-Knowing.

In dit laatste boek, dat werd geredigeerd door Kim Herzinger en ingeleid door John Barth, is een aantal 'essays' en (zeer lange) interviews opgenomen, waarin we Barthelme genuanceerd zijn kunstopvatting horen verdedigen, want verdedigen móet, zeker in Amerika, als je het waagt in de tijd van Vietnam, Watergate, de tirannieke massacultuur en zo nog het een ander, ogenschijnlijk bloedserieuze onderwerpen te negeren en je - vooral in The New Yorker - overgeeft aan onverantwoorde en vaak ondoorgrondelijke spielereien.

Uit Not-Knowing leert de lezer dat Barthelme niet onverantwoord te werk ging. Per slot van rekening was hij in tal van opzichten een geëngageerd mens, lang voorzitter van de Amerikaanse PEN, maar bovendien maakt hij duidelijk hoe juist zijn 'engagement', zijn verbazing en woede over een door 'krankzinnigen', zoals Nixon en Reagan, geleide maatschappij hem ertoe prikkelen daar iets zinnigs tegenover te stellen, ook 'onzin', iets wat je raakt, en door zijn gebruik van het Engels betekenissen loswrikt, die eenmaal begrepen (hopelijk) zijn lezers het inzicht verschaffen dat alles wat een normaal mens in het leven belangrijk acht, ook de door Barthelme zo gehate politiek, pas getranscendeerd door het esthetische ontsnapt aan trivialisering, uitholling, sleur, vervlakking. Dat dankzij de Esthetica met haar paranymfen Humor en Elegantie de Utopie niet verstikt raakt in een door en door gematerialiseerde samenleving.

Don B. heeft zulke grote woorden niet nodig. Hij geeft toe het ook allemaal niet te weten. Door (vaak) te beginnen met een simpele vraag, dwingt hij zich zijn eigen gebrek aan kennis onder ogen te zien en dan ontstaat, steeds in klein bestek, een overzichtelijk universumpje, waarin ook onze grote doelwachters Piet Schrijvers en Jan Jongbloed terloops hun plaats kunnen krijgen. De tragiek van de kunst zal ten eeuwigen dage zijn, vrees ik, dat het omgekeerde nooit zal plaatsvinden (dat Barthelme een plaats krijgt in de wereld van Schrijvers en Jongbloed).

Zulke beperkingen is Don B. zich, meer dan zijn vele zeer goed verkopende Amerikaanse collega's, altijd bewust geweest. Het heeft hem er niet van weerhouden tot het laatst toe te blijven doceren. Als een Don Quichotte, maar dan een die heel goed wist dat windmolens in het hedendaagse Amerika gewoon windmolens zijn.

Willem Kuipers

Donald Barthelme: Not-Knowing.

Edited by Kim Herzinger, introduction John Barth.

Random House, import Nilsson & Lamm; 332 pagina's; ¿ 65,55.

ISBN 0 679 40983 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden