De lege lijst van het verleden

HET is met wetenschappelijke boeken als met bibliotheken: pas het gebruik toont de werkelijke waarde ervan, want niemand weet wat hij eruit nodig zal hebben....

Laat u geen dag ontgaan, of schrijft iet met de hand,

Zijt naarstig, oefent u, en wilt gestadig leren:

Zo zal de kunst in u de wetenschap vermeren,

Dan zult gij dienstig zijn ook voor het vaderland.

Onlangs verscheen een veel bescheidener boek. Vrouwen en kunst in de Republiek heet het. 'Een overzicht' is de voorzichtige ondertitel ervan. De wetenschap dekt zich vaak in met terughoudende woorden: 'Een proeve van', 'Een aanzet tot'. Het gaat hier om vrouwen die de beeldende kunst beoefenden, in welke vorm dan ook - ook de knipkunst hoort erbij. Het hoofddeel van het boek is een 'Lexicon'. Een lijst van 178 vrouwen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Achter elke naam staan de biografische gegevens en vermeldingen van bewaard gebleven werk. En dat laatste is vaak heel weinig. Soms zelfs niets. Zoals van Agnes Block, die toch een uitgebreide tekst achter haar naam krijgt. Maar niet alleen heeft Vondel, van wie zij een 'onechte' nicht was, haar toegedicht, ook over haar werk en vooral haar verzamelingen is prijzend geschreven. Er ontstaat even een beeld van haar.

De 178 zijn nog meer vergeten dan de 150 uit de literatuur. En ook dat is het gevolg van de schaduwpositie die zij ten opzichte van hun mannelijke collega's innamen. Maar de kwetsbaarheid van het ene werk - van boeken kunnen de meerdere exemplaren toch altijd het voortbestaan van de tekst garanderen - is ook een der oorzaken. Zoals bij de schrijfsters moeten er vrouwen aan te pas komen om de schilderessen uit de schemer van de vergetelheid te halen.

In het 'Lexicon' staat ook Margareta Godewyck. In de aan haar gewijde tekst las ik 'Er zijn verschillende handgeschreven dichtbundels van haar bewaard gebleven. Een Nederlandstalige uitgave bevat 28 emblemen bij evenzoveel gedichten.' Nu moest ik Met en zonder lauwerkrans raadplegen. En daar vond ik wat ik boven vermeldde. De twee bijdragen samen vormen een goed portret. Maar het was toch vooral bijzonder, dat ik twee specimina van haar tekenwerk in een aan de literatuur gewijd boek vond.

Het 'literaire' boek vervolledigde het ander ook nog op een andere plaats. Van 1650 tot 171l leefde in Amsterdam Johanna Koerten. Zij schilderde, graveerde, maar werd het meest bekend om haar kunstknippen. Zij knipte portretten van beroemde tijdgenoten. Voor haar werk kreeg zij hoge prijzen. Zij werd nog hoger geprezen. De beroemde en beruchte schrijver Weyerman vond dat zij 'verscheen tot een kostelyk juweel voor de konstkroon van Amsterdam'. Een geheel in het duister gebleven dichteres uit de zeventiende eeuw, Geertuide van Halmale (zonder enige lauwerkrans dus) schreef een gedicht 'op de nooit gehoorde schaarkunst van juffrouw Joanna Koerten'. De eerste van de acht strofen luidt:

Toen vrouw Natuur kreeg list en zin,

Om aan de vrouwelijke kunne

Een goddelijke gaaf te gunnen,

Blies zij dien geest Joanna in,

Om glorierijk daardoor te prijken,

En deê der mannen luister wijken.

Het laatste is natuurlijk niet uitgekomen. Maar alweer: het literaire boek geeft een heel mooie aanvulling op het andere. Er staat ook een vrij grote afbeelding van een van Koertens knipsels bij. Er zullen zonder twijfel veel meer aanvullingen of verdubbelingen aanwezig zijn. En dat is ook hiervan het gevolg: de kunstminnende vrouwen waren zelden of nooit eenzijdig. Zij beoefenden veelal verschillende kunsten tegelijk (we hoeven alleen maar aan Maria Tesselschade, die overvoorbeeldige, te denken). De mannen zijn veel eenzijdiger; zij zijn maar één kunst toegedaan, zeker bij de schilders: als vak.

EEN HEEL aardig voorbeeld is Constantia van Utrecht. In de 'Inleiding' bij Met en zonder lauwerkrans staan een paar regels over haar: 'Ook de Antwerpse toneeldichter en schilder Willem van Nieuwlandt kan pronken met een dichtende dochter, door de tijdgenoten als een wonderkind bejubeld: de geheimzinnige Constantia, die in 1628 met de schilder Adriaan van Utrecht zal trouwen. Van haar is echter geen letter bewaard gebleven.' Zij staat ook in het 'Lexicon'. 'Zij was bloemschilderes en dichteres', staat er. Er is van haar een Stilleven met fruit, gedateerd 1649, bewaard gebleven. Helemaal spoorloos is zij dus niet.

De twee boeken zijn beide van universitaire oorsprong, waren beide ongeveer gelijktijdig voltooid, kunnen beide tot de categorie vrouwenstudies gerekend worden. Het is jammer dat men kennelijk langs elkaar heen werkt. Met name Vrouwen en kunst in de Republiek had met de kennis van Met en zonder lauwerkrans veel aan kwaliteit kunnen winnen, zeker waar het om de cultuurhistorische context gaat.

De geheimzinnige Constantia was de dochter van een schilder; zij huwde met een schilder. Opvallend in de biografieën in Vrouwen en kunst in de Republiek is, dat veel van de schilderessen afkomstig zijn uit een schildersmilieu, soms ook weer met een schilder trouwen. Het eerste kan verklaren waarom zij de schilderkunst kunnen zijn gaan beoefenen. Ze hadden de leermeester, vader of soms een ander familielid, thuis. Wie het dilettantisme wilde overstijgen, moest bij een erkende schilder in de leer. Dat kostte vrij veel geld, en er wordt verondersteld, dat betaling voor een dochter vaak werd geweigerd: de zoons gingen voor, want die werden voor een vak en dus voor een maatschappelijke positie opgeleid, wat bij de dochter ondenkbaar was. Het gebeurde desalniettemin toch wel. In de archieven van de Lucas-gildes - het gilde van onder meer de schilders - worden, zij het niet frequent, ook de namen van vrouwelijke leden aangetroffen. Typerend kan ook zijn, dat nogal wat vrouwelijke schilders na hun huwelijk nauwelijks meer werk maken. (Constantia kreeg in twintig jaar, dertien kinderen). De schilderessen lijken er eerder te zijn voor de lof door hun mannelijke collega's (dat zie je ook bij de schrijfsters en dichteressen) dan voor de kunst zelf. En die lof had zowel iets beschermends als afschermends. De schilderes mocht officieel geen dilettante zijn, ze werd wel als zodanig beschouwd.

De studies in het boek (die elkaar overigens vaak herhalen) gaan over de situatie van de schilderende vrouw in het algemeen en daarmee ook over de positie van de vrouw in de zeventiende en achttiende eeuw. Drie kunstenaressen krijgen een monografie. Inzicht in de positie van de schilderende vrouw vereist inzicht in de organisatie van het kunstleven in de gegeven periode. In de verschillende zich in de loop der tijd ontwikkelende vormen van opleiding bijvoorbeeld. Opvallend en als zo vaak bij de wetenschap ontmoedigend is, hoe weinig er feitelijk bekend is (of hoe veel onderzoek er nog moet worden gedaan). Dat heeft veel mededelingen ingeleid met 'waarschijnlijk', 'wellicht', 'misschien' als gevolg. In elk geval: pas in de negentiende eeuw wordt de vrouw tot het gehele kunstonderwijs toegelaten, inclusief tot het tekenen naar mannelijk naaktmodel. Dat veel vrouwelijke schilders kozen voor het portret - vaak het miniatuurportret - voor het stilleven, voor bloemenschilderijen, is karakteristiek: 'mannelijke' genres werden hun niet toegedacht. Uit de verschillende opstellen komt men onvermijdelijk tot een scheiding van mannelijke en vrouwelijke kunst, waarbij bij de laatste de verfijning kenmerkend kan zijn.

Natuurlijk zijn er ook ontelbare schilders vergeten en is ook van hen veel werk verloren gegaan. Vergetenen met vergetenen vergelijken is natuurlijk een rare onderneming. Maar enig inzicht in die 'mannelijke' schilderswereld was als achtergrond toch wel gewenst geweest.

De studies zitten, helaas, vol witte plekken. Typerend kan het begin zijn van het overigens aardige opstel 'De schildersopleiding van kunstenaressen':

'Over de wijze waarop men in de zestiende en zeventiende eeuw tot schider werd opgeleid, is weinig met zekerheid te zeggen, aldus de kunsthistoricus Miedema. Dit geldt eens te meer voor de opleiding van vrouwelijke kunstenaars. Kunnen we over de opleiding van mannelijke kunstenaars nog iets - zij het niet veel - te weten komen uit onder andere leerlingencontracten, over de manier waarop vrouwen het schildersvak hebben geleerd zijn nòg minder documenten overgeleverd. Contracten met vrouwelijke leerlingen zijn niet gevonden. Alleen in sommige levensbeschrijvingen van kunstenaressen wordt wel eens een - meestal summiere - opmerking gemaakt over haar opleiding.'

Stukken als deze komt men vaker in historische vrouwenstudies tegen. Men wil weten wat men niet kan weten; de toenmalige positie van de vrouw en de opvattingen over haar hebben dat weten onmogelijk gemaakt. Misschien is die nooit te verwerven kennis, het wit in de geschiedenis, wel de beste beschrijving van de plaats van de vrouw in het verleden. Dat er niets over te zeggen valt, is alleszeggend.

De lege lijst van het verleden is het schilderij.

V AN de drie monografieën is die over Cathanrina Backer (1689-1766) het aardigst. Zij was een - vermogende - dilettante, die overigens, naar documenten uitwijzen, schilderde om aan de melancholie te ontkomen. Er is overgens een alleropgewekst en charmant portret van haar door Arnold Boonen. Na haar huwelijk heeft zij haast niet meer geschilderd. De melancholie moet ook dat laatste geneesmidel ertegen onmogelijk hebben gemaakt. Er is ook een monografie over Christina Chalon (over wie eerder door L. Buijnsters-Smets is geschreven); de bijgevoegde illustraties doen vermoeden dat zij toch niet meer dan een achttiende-eeuwse Rie Cramer is geweest.

Met dat laatste kom ik toch aan de kern van het boek. De problemen van de vrouwen zijn groter dan hun werk belangrijk lijkt. Er is natuurljk Judith Leyster, maar die is dan ook terecht heel bekend. De werken van de Zwolse schilderessen die in het 'Vrouwenhuis' in Zwolle hangen, kunnen een heel boeiende achtergrond hebben, maar ze hadden beter in de lijst van de tijd kunnen blijven. Ik vermoed dat veel vergeten tenslotte te vergeven is. Dat geldt, ten overvloede, natuurlijk ook voor veel mannelijke kunstenaars. Het verleden verbergt maar eens in de eeuw goud.

Over enkele stukken verspreid staan heel veel boeiende mededelingen over de rol van de vrouwen in de schilderijenhandel, zowel die in de winkels en ateliers als op straat. De bekendste kunstverkoopster is natuurlijk Hendrickje Stoffels geweest. Maar toch, ondanks alle onderzoek en het opsporen van zo'n vijftig vrouwelijke kunstverkoopsters, moet toch worden vastgesteld dat hun rol niet meer was dan die van 'frosting on the cake', zoals een auteur het zegt, glazuur op de taart dus. Hoe meer we weten, hoe meer we eigenlijk niet hoeven te weten, tenzij we een een bekend moedeloos beeld maar steeds herhaald willen zien.

Misschien toch meer dan de allegorische tekening Triomf van de schilderkunst over de dood, in 1660 door Gesina ter Borch gemaakt, was het schilderijtje Tekenend meisje van Gabriël Metsu (het hangt in de National Gallery in Londen) voor het omslag van het boek geschikt geweest. Zij zit, in een vrij intieme ruimte, de tekenplank op haar schoot, een klassieke buste te kopiëren. Terzijde van haar staat de schildersezel, zonder doek. Zij is nog aan het leren. Eerst moet men kunnen tekenen en kopiëren. Dan kan met het schilderen worden begonnen. Het meisje is rijk gekleed. Ze zal een dilettante zijn geweest. Maar wel een schitterende denk ik.

Vrouwen en kunst in de Republiek, Een overzicht, redactie Els Kloek, Catharine Peters Sengers, Esther Tobé, Verloren, Hilversum, prijs * 35,--

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden