AnalyseBoeken over de Tweede Wereldoorlog

De laatste oorlogsgetuigen doen hun verhaal, maar is hun geheugen nog wel zo betrouwbaar?

75 jaar na de bevrijding doen de laatste ooggetuigen nog één keer hun verhaal. Met een indrukwekkende hoeveelheid boeken als resultaat. Maar hoe betrouwbaar zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog inmiddels nog? 

Beeld Tzenko

De laatste ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog hebben – voordat met de coronacrisis alles anders werd – nog een ontzagwekkende hoeveelheid krantenartikelen, televisiedocumentaires en boeken gegenereerd. Elke subcategorie is onderhand wel aan bod geweest: de laatste verzetsstrijders, de laatste veteranen, de laatste Holocaustoverlevenden, de laatste deelnemers aan een hongertocht en, aan de andere kant van het spectrum, de laatste foute Nederlanders (waarbij het beladen adjectief soms wel en soms niet door aanhalingstekens wordt geflankeerd).

Mogelijk zal over vijf jaar, rond de 80ste verjaardag van de bevrijding, nog een enkele verborgen geschiedenis worden opgediept en zal er nog één keer eerbiedig naar de allerlaatste ooggetuigen worden geluisterd. En mogelijk worden dan de allerlaatste veteranen nog één keer overgevlogen voor een parade in oude legervoertuigen. Maar daarna kunnen er geen vragen meer worden gesteld aan de mensen die de oorlog hebben meegemaakt.

Beeld Tzenko

Herinneringscultuur

Daarmee komt een eind aan een ontwikkeling in de Nederlandse herinneringscultuur die ongeveer in 1980 begon. In dat jaar trokken overzeese veteranen op 5 mei, vijf dagen na de verwoestende rellen rond de inhuldiging van koningin Beatrix, Amsterdam binnen via dezelfde route die ze 35 jaar eerder hadden afgelegd. Ze waren betrekkelijk jong. De meesten zullen nog geen 60 zijn geweest. En de wegen werden omzoomd door Amsterdammers die er in 1945 ook bij waren geweest. Onderling haalden ze herinneringen op. Of ze verschilden op z’n Amsterdams van mening over de precieze loop der gebeurtenissen in de meidagen van 1945.

MIJN BEVRIJDING

75 jaar geleden werd ons land bevrijd en daar staat de Volkskrant uitgebreid bij stil. Bekijk hier hoe Nederland er precies 75 jaar geleden uitzag en ontdek telkens nieuwe persoonlijke bevrijdingsverhalen uit nieuw bevrijd gebied.

Dat gebeurde ook vijf jaar later, in 1985, toen Amsterdamse bakkers het originele Zweedse wittebrood in hun assortiment opnamen als herinnering aan de voedseldroppings waarmee de bevrijding werd aangekondigd. Daarmee droegen de bakkers bij aan de instandhouding van de mythe dat het brood destijds boven hongerend Nederland ‘als manna’ uit de hemel viel. In werkelijkheid werd het, net als in 1985, gebakken in Nederlandse bakkerijen. Met meel dat eerder vanuit Zweden naar Delfzijl was overgevaren. Maar veel ooggetuigen konden deze profane werkelijkheid veertig jaar na dato maar moeilijk aanvaarden. En het Zweedse wittebrood smaakte in werkelijkheid ook nog eens minder goddelijk dan in hun herinnering. Zo eindigde een goedbedoelde ode aan die lekkernij uit bange dagen voor velen in een deceptie.

Beeld Tzenko

In datzelfde jaar, 1985 dus, onderwierp de historicus Gerard Trienekens een andere oorlogsmythe aan een wetenschappelijke toets: de honger waaraan veel Nederlanders tijdens de Duitse bezetting meenden te hebben geleden. Zeker, er heerste schaarste in bezet Nederland, stelde Trienekens op basis van statistisch onderzoek vast in zijn proefschrift Tussen ons volk en de honger. En die schaarste nam vanaf september 1944 in de Randstad rampzalige proporties aan, met massale sterfte als gevolg. Maar tot die tijd kregen de Nederlanders voldoende te eten en aten zij gezonder dan vóór de oorlog. Het aandeel van dierlijk voedsel in hun dieet nam af en dat van groenten, (peul)vruchten en granen nam navenant toe. Met deze kanttekening oogstte Trienekens woede bij de Nederlanders voor wie honger een belangrijk bestanddeel was van hun oorlogsherinneringen. ‘Waar bemoeide hij zich mee?’, was de teneur van hun reacties. ‘Hoe kan een wetenschapper beweren dat wij geen honger hebben gehad?’

Beeld Tzenko

Oral history is dus een problematisch genre. Niettemin is haar aandeel in de historiografie over de Tweede Wereldoorlog de laatste decennia alleen maar toegenomen. Hierin manifesteerde zich de wet van vraag en aanbod: naarmate het aantal ooggetuigen slonk, nam de waarde van hun getuigenissen toe. En in de aanloop naar het huidige herdenkingsjaar namen historici nog één keer massaal de gelegenheid te baat om de vragen te stellen die binnenkort niet meer kunnen worden beantwoord.

Beeld Thomas Rap

Betrouwbare verteller?

Een indrukwekkende hoeveelheid boeken is daarvan het resultaat. Hun auteurs boden op uiteenlopende manieren het hoofd aan het probleem dat de herinneringen van 90-plussers in de loop der jaren mogelijk iets aan betrouwbaarheid hebben ingeboet. Van de bestseller Mijn naam is Selma is de hoofdfiguur, Holocaustoverlevende Selma van de Perre, zelf de auteur. En die werd bij het schrijven niet bijgestaan door een eindredacteur die haar voor kleine fouten heeft kunnen behoeden. Zo suggereert ze ten onrechte dat de Joden-razzia in februari 1941 een reactie was op het neerschieten van een Duitser en noemt ze de loyaliteitsverklaring die studenten in 1943 werden geacht te ondertekenen bij herhaling een ‘eed van trouw’. Ook wordt niet helemaal duidelijk hoe ze met de ontvreemding van papieren uit de jas van een Wehrmachtofficier heeft kunnen bijdragen aan de vrijlating van twee bevriende verzetslieden – die niet aan de grillen van de Wehrmacht waren overgeleverd, maar aan die van de SD. Aan het verhaal over haar verzetsactiviteiten en haar verblijf in het vrouwenkamp Ravensbrück doet dit allemaal geen ernstige afbreuk, maar bij de ingevoerde lezer is toch enige twijfel gezaaid over de historische accuratesse van het geheel.

Beeld Prometheus

Sytze van der Zee was zich van de risico’s van oral history bewust toen hij voor zijn boek Wij overleefden zo’n tachtig ooggetuigen van de Duitse bezetting sprak. Als hij twijfelde aan de nauwkeurigheid van een herinnering, ging hij met de betreffende ooggetuige in discussie, hoe pijnlijk dat soms ook was. ‘Oral history betekent niet dat je alleen maar een aanhalingsteken zet aan het begin en aan het eind van een ooggetuigenverslag’, zei hij eerder in de Volkskrant. ‘Soms stelde ik die mensen aanvullende vragen: hebben uw ouders echt al in het vroege voorjaar van 1942, dus maanden voordat de grote deportaties begonnen, onderdak geboden aan Joodse onderduikers? Werden de gedeporteerde Joden in Auschwitz echt opgewacht door SS’ers met de bajonet op het geweer? En is het wel aannemelijk dat een man die als kind uit Roermond naar de noordelijke provincies werd geëvacueerd, op doorreis in het Duitse Brüggen meerdere kinderwagens met dode baby’s heeft zien staan? Met doorvragen kom je vaak een heel eind.’

Beeld Prometheus

Bewust van de lacunes

Schrijver Pieter van Os heeft niet geprobeerd de lacunes in het geheugen van Mala Rivka Kizel, de hoofdfiguur in zijn fascinerende ‘overlevingsverhaal’ Liever dier dan mens, te maskeren. Integendeel: hij maakt de lezer deelgenoot van de dingen die zij decennia na dato niet meer weet en van de verwarring waaraan zij ten prooi valt, als zij in haar Amstelveense woning terugblikt op een leven dat elk voorstellingsvermogen van verwende generaties te boven gaat. Zij ontkwam aan het getto van Warschau, dat voor het gros van haar Joodse familieleden de laatste halteplaats was vóór het vernietigingskamp. Zij nam identiteiten aan waarmee zij haar overlevingskansen vergrootte: Pools onder de Polen, Volksduits onder de Duitsers. Ze vond protectie op het Poolse platteland en stond daar bloot aan grote gevaren. Zij werd – niet eens uit berekening – verliefd op een Duitse ingenieur, die het speldje van de NSDAP in zijn revers droeg. En zij werd liefdevol opgenomen in een Duits gezin dat tot het eind van de oorlog een onwankelbaar geloof behield in de Führer. Eenvoudige, goede mensen die haar nochtans zouden hebben aangegeven als ze hadden geweten dat hun ‘Volksduitse’ Anni eigenlijk Mala Rivka heette. Zelfs met de kennis van nu oordeelt Mala mild over de mensen die onderdeel waren van het systeem dat haar familie heeft vernietigd.

Uiteraard zijn de (fragmentarische) herinneringen van Mala de leidraad van het verhaal dat Pieter van Os vertelt. Gedreven door een onuitputtelijke nieuwsgierigheid reist hij naar de plaatsen van handeling – voor zover die nog traceerbaar zijn. Daar probeert hij uit te vinden of de dingen echt zo gebeurd kunnen zijn als Mala zich herinnert. En hij tast het collectieve geheugen van bewoners af (wat in Polen tot onthutsende uitingen van antisemitisme kan leiden). De lotgevallen van Mala zijn onderdeel van een megavertelling over een deel van Europa waar de geschiedenis van de 20ste eeuw op de onbarmhartigste wijze heeft huisgehouden. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog vielen in Polen nog Holocaustoverlevenden aan roofmoord ten prooi, omdat Joden nu eenmaal werden geacht goud te bezitten. In bijna elke zin wekt Van Os bewondering met zijn sierlijke penvoering, die nooit afbreuk doet aan de zwaarte van het onderwerp, en met zijn eruditie, die nooit koket wordt. Mogelijk is Liever dier dan mens, dat vorig najaar al verscheen, enigszins aan het oog onttrokken door boeken over andere ooggetuigen. Dat is spijtig, want het is beduidend meer dan een overlevingsverhaal. Het is een Oost-Europese mentaliteitsgeschiedenis.

Beeld Prometheus

Verfrissende statistieken

De ooggetuige ontbreekt goeddeels in een boek over de episode waaraan in Nederland de pregnantste oorlogsherinneringen zijn verknoopt: de Hongerwinter van 1944-1945. Desondanks (of misschien juist wel daardoor) is het gelijknamige boek van Ingrid de Zwarte zo fascinerend. Niet de verhalen van gewone mensen over hongertochten, de zwarte handel en de bereiding van tulpenbollensoep op noodkacheltjes vormen hierin de leidraad, maar – bijna verfrissend – de statistieken: de calorische waarde van de rantsoenen per oorlogsjaar en per leeftijdscategorie, de voedselvoorziening in (West-)Nederland in vergelijking met die in andere Europese landen, de sterftecijfers per maand, per regio en per geslacht. De Zwarte benadert, net als Gerard Trienekens destijds, een met emoties beladen thema op een nuchtere, rationele (ooggetuigen zouden misschien zeggen: kille) manier. Al doende heeft De Zwarte – al was dat niet haar vooropgezette doel – een paar mythen over de Hongerwinter kunnen demonteren.

Zo maakt ze aannemelijk dat de hongersnood in het bezette deel van Nederland niet het resultaat was van ‘de wrede hongerpolitiek’ van de Duitse bezetter, maar van een ongelukkig samenspel van factoren: de onderbreking van de aanvoer van voedsel en brandstoffen uit de bevrijde delen van het land, de Spoorwegstaking (waartoe de Nederlandse regering op instigatie van de geallieerden had opgeroepen) en, inderdaad, het door de Duitsers afgekondigde verbod op voedseltransporten over water. Na drie weken werd de strafmaatregel echter verzacht, en na zes weken helemaal opgeheven. Daarmee was hongersnood niet te voorkomen, omdat strenge vorst voedseltransporten over water tussen december 1944 en februari 1945 vrijwel onmogelijk maakte.

De noodsituatie die toen ontstond, leidde niet tot de algehele ontbinding van het maatschappelijk leven, zoals een andere mythe wil. Toen de overheid, die de voedselvoorziening tot dan toe goed had weten te organiseren, niet langer in staat was in de noden van de bevolking te voorzien, kwam ‘het maatschappelijk middenveld’ in het geweer. Dat heeft in elk geval het principe van de verdelende rechtvaardigheid in moeilijke tijden overeind kunnen houden – getuige alleen al het feit dat tijdens de Hongerwinter vrijwel geen kinderen aan ondervoeding zijn bezweken. Dat de legendarische voedseldroppings tot het voorjaar van 1945 op zich lieten wachten, hing samen met de vrees van de geallieerden (Winston Churchill in het bijzonder) dat daarmee niet de hongerende bevolking van West-Nederland zou zijn geholpen, maar de Duitse Wehrmacht. Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart was ervan overtuigd dat hem in dezen geen blaam trof. Tijdens de processen van Neurenberg voerde hij zijn ‘inspanningen om de Nederlanders te behoeden voor een ramp’ aan als grond voor clementie – die de rechters hem niet hebben verleend.

Beeld Uitgeverij Van Praag

Afrekening van een gewond man

Pijnlijk, in vele opzichten, is de oorlogsgeschiedenis van Sally de Jong – opgetekend door zijn zoon Abel. Sally was de tweelingbroer van historicus Loe de Jong, auteur van het 26 banden tellende standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Hij was arts, en voorbestemd voor hogere roepingen dan Loe. Maar de geschiedenis beschikte anders: Loe wist in de meidagen van 1940 naar Londen te ontkomen, waar hij emplooi vond bij Radio Oranje, ‘de stem van strijdend Nederland’. Sally, zijn vrouw Liesje en hun twee zoontjes moesten in Nederland de Duitse bezetting ondergaan. Een poging om daaraan te ontkomen door naar Zwitserland te vluchten, mislukte jammerlijk. Liesje werd in 1944 in Auschwitz-Birkenau om het leven gebracht. Sally stierf in het voorjaar van 1945 in Ellrich, waar een klein concentratiekamp was gevestigd, na een verblijf in Auschwitz, waar hij als arts was tewerkgesteld. Hun twee zoontjes overleefden de oorlog bij onderduikouders – ‘goede, nee: voortreffelijke mensen’, aldus Abel.

Sally de Jong was zich er, anders dan de meeste lotgenoten, terdege van bewust wat het lot van de Joden zou zijn. In 1943 stelde hij een rapport op van de noodsituatie waarin de Joden in Nederland verkeerden – in de hoop dat het in Londen bij de regering in ballingschap zou worden bezorgd. ‘De ondergang van het Nederlandse Jodendom’, luidde de titel van het stuk. Hierin beschreef hij, met een uitzonderlijk begrip voor de actualiteit van dat moment, met welk oogmerk de Joden van de niet-Joodse Nederlanders werden afgezonderd. Het document bereikte de beoogde bestemming, waar het werd uitgetypt en vermenigvuldigd – met weglating van de auteursnaam. Ook Loe kreeg een exemplaar onder ogen en citeerde eruit in een artikel dat verscheen in het blad Je Maintiendrai. ‘Ik wist niet wie ik citeerde’, schreef Loe in 1952.

Het feit dat Loe de Jong in het veilige Londen kennisnam van de nood waarin zijn broer en andere Joden op dat moment verkeerden, treft de lezer als een stomp in de maag. In die terloopse notitie van Loe, de bekendste van de twee broers, wordt de wreedheid van hun familiegeschiedenis bondig samengevat. Sally’s zoon Abel – inmiddels hoogbejaard – heeft zich daarmee nooit kunnen verzoenen. Zijn boek, met als titel de retorische vraag Had het anders gekund?, gaat dus niet alleen over de lotgevallen van Sally en zijn vrouw, maar ook over een zoon die het decennia na dato niet kan verdragen dat de aardigste en capabelste helft van een eeneiige tweeling werd vermalen door de geschiedenis, ‘terwijl Loe in een gerieflijke villa in een buitenwijk van Londen woonde’.

Dat Loe zijn broer verloor en Abel zijn vader, brengt de twee niet dichter bij elkaar. Integendeel. Abel neemt het zijn oom kwalijk dat hij Sally in zijn lijvige autobiografie ‘slechts enkele tientallen keren noemt’, dat Loe ‘bij voorkeur in een niet-Joods milieu verkeerde’ en dat hij zich nooit werkelijk begaan heeft getoond met het lot van de Joden tijdens het nazibewind – laat staan met dat van zijn eigen familie. Had het ook anders gekund? is de afrekening van een gewond mens met Loe de Jong, de man die geen Jood wilde zijn.

Selma van de PerreMijn naam is Selma – Het uitzonderlijke verhaal van een Joodse verzetsvrouw ★★★☆☆ 

Thomas Rap; 237 pagina’s; € 19,99.

Sytze van der Zee: Wij overleefden – De laatste ooggetuigen van de Duitse bezetting ★★★★☆ 

Prometheus; 462 pagina’s; € 22,50.

Pieter van Os: Liever dier dan mens – Een overlevingsverhaal ★★★★★ 

Prometheus; 365 pagina’s; € 19,99.

Ingrid de Zwarte: De Hongerwinter ★★★★★ 

Prometheus; 441 pagina’s; € 24,99.

Abel de Jong: Had het ook anders gekund? – De dramatische ondergang van dokter Sally, de tweelingbroer van Loe de Jong ★★★★☆ 

Uitgeverij Van Praag; 276 pagina’s; € 20.

Keuze uit onlangs verschenen boeken over de oorlog

Bedrieglijke normaliteit op het Merwedeplein

Beeld Prometheus

Het Amsterdamse Merwedeplein, onderdeel van Berlages Plan Zuid, is omzoomd door huizen waar zich in de jaren dertig (relatief) veel Joden vestigen die nazi-Duitsland waren ontvlucht. Anne Frank, haar zusje Margot en hun ouders woonden – totdat zij in 1942 onderdoken – op nummer 37, twee hoog. Over de lotgevallen van het Merwedeplein en zijn bewoners in de jaren 1933-1945 schreef historica Rian Verhoeven – zelf woonachtig aan het Merwedeplein – een fascinerend boek. De titel, Anne Frank was niet alleen (Prometheus; € 24,99), is van toepassing op een onbezorgde jeugd in een stadsdeel waar de vooruitgang gestalte kreeg, maar ook op het bijna onontkoombare noodlot dat de meeste Joodse buurtbewoners trof. Zelfs hier heerste in de meidagen van 1940 nog een bedrieglijke normaliteit. De voor Moederdag, 12 mei, bestelde taarten werden gewoon opgehaald bij bakker Oldenburg aan de Maasstraat. De bakker zelf was eerder met zijn kinderen in de Fiat Balilla naar Schiphol gereden om naar de gevechtshandelingen te kijken die daar gaande waren.

Ondergedoken in het bos bij Vierhouten

Beeld Nieuw Amsterdam

Bij onderduiken denken we aan het Achterhuis, of aan vergelijkbare onderkomens. Zo’n honderd Joden overleefden de Duitse bezetting echter in een conglomeraat van hutten en barakken die in een dichtbegroeid bos bij Vierhouten waren opgetrokken – met medeweten en actieve steun van de meeste omwonenden. Journalist en historicus Jeroen Thijssen schreef een boek – Het verscholen dorp (Nieuw Amsterdam; € 20) – over de wederwaardigheden van de bewoners en hun helpers: een relaas van een lotsgemeenschap die onderhevig was aan wisselende humeuren, spanning en rivaliteit. Op 29 oktober 1944 werd het kamp bij toeval ontdekt door twee SS’ers. De meeste bewoners wisten zich in de omgeving in veiligheid te brengen. Acht mensen, onder wie een 6-jarige jongen, werden ter plekke geëxecuteerd – na hun eigen graf te hebben gegraven.

Drie keer ter dood veroordeeld, toch ontsnapt

Beeld Cossee

Tussen maart 1944 en mei 1945 verbleef Henriette Roosenburg in negen gevangenissen in België, Nederland en Duitsland. Wegens hulp bij de repatriëring van geallieerde piloten die boven Nederland waren neergehaald, werd zij (driemaal) ter dood veroordeeld. Zij ontkwam, ternauwernood, aan dit lot. In de jaren vijftig tekende ze blijmoedig haar herinneringen op in een boek dat vooral in de Verenigde Staten grote indruk maakte: The Walls Came Tumbling Down. Daarvan is bij Cossee een herziene vertaling verschenen, De muren vielen om (vertaling Wim Hora Adema; € 22,99). Dat gaat niet, of slechts zeer terloops, over de gebeurtenissen vóór mei 1945, maar over haar bevrijding (en die van haar lotgenoten Joke, Nel, Dries en Jos) in de gevangenis in het Oost-Duitse Waldheim en hun thuisreis door de Duitse ruïnelandschappen.

Auschwitz overleefd met een kornet

Beeld Balans

Van de mensen die Auschwitz hebben overleefd dankzij hun beroepsvaardigheid, moet de Amsterdamse trompettist Lex van Weren wel de bekendste zijn. Of anders wel degene die er naderhand op de meest lucide wijze over heeft verteld. In zijn door Dick Walda opgetekende herinneringen, Trompettist in Auschwitz (een herziene editie van het gelijknamige boek uit 1979, € 16,99), spreekt de volksjongen in wie een getalenteerd trompettist bleek te schuilen. Via het schnabbelcircuit kwam hij terecht in het Joodsche Symphonie-orkest, ongeveer het hoogste wat een jongen als hij in oorlogstijd kon bereiken. Met een bom geluk – net niet op de plek zijn waar het onheil zich voltrok – wist Van Weren zijn leven in zeer relatieve vrijheid nog even te rekken, maar uiteindelijk kwam hij toch in Auschwitz terecht, waar het kampnummer 163848 in zijn arm werd gebrand. Daar bemachtigde hij een kornet, waarmee hij een geprivilegieerde positie verwierf waar hij zich nogal ongemakkelijk bij voelde. Zo trad hij in 1943 met Kerstmis op als ‘hoofdact’ van een gelegenheidsorkest. ‘Voordat ik begon te spelen, werden eerst nog de doden van die dag bij de kerstboom gelegd.’

Soepel geschreven verhalen over 1945

Beeld Spectrum

Nog geen jaar na zijn biografie van Konrad Gemmeker heeft Ad van Liempt weer een boek geschreven: 1945  De afrekening (Spectrum; € 24,99). Het zesde en laatste deel van een serie (onder redactie van het Niod) over elk oorlogsjaar. Van Liempt zit dicht op een ongewone tijd met soepel geschreven verhalen over hongertochten, verzetsdaden, Duitse represailles, gevechtshandelingen, voedseldroppings, de schietpartijen die ná de Duitse capitulatie nog vele tientallen levens eisten en de zuivering die begon met het kaalknippen van de zogenoemde moffenmeiden.

Grote verzetshaard in de Hongerwinter

Beeld Balans

Jarenlang werd voormalig NRC-redacteur Harry van Wijnen omringd door vrienden en collega’s die, zonder daarover te spreken, tijdens de Duitse bezetting actief bleken te zijn geweest in het verzet. Parool-journalist Max Nord was een van hen. Gehuld in een ruim vallende overjas trok hij met geldzakjes langs verzetsorganisaties. Naar deze activiteit verwijst de titel van het boek dat Van Wijnen schreef over de Amsterdamse illegaliteit: De geldjas van Max Nord (Balans; € 19,99). Hierin gaat het in het bijzonder over de bewoners en passanten van Michelangelostraat 36, een van de grote verzetshaarden in de laatste oorlogswinter.

Dagboeken uit laatste dagen Derde Rijk

Beeld Thomas Rap

Dagboeken van ooggetuigen, niet geretoucheerd door de kennis van later, vormen de authentiekste bron waaruit de historicus kan putten. In Zwanenzang 1945 (Thomas Rap; € 29,99) bracht de Duitse schrijver Walter Kempowski dagboekfragmenten bijeen uit de laatste dagen van het Derde Rijk: de periode van 20 april (de laatste verjaardag van Adolf Hitler) tot 8 mei 1945 (de dag van de Duitse capitulatie). Scènes uit dodenrijk: het afscheid van Hermann Göring van Hitler in diens ‘Führerbunker’, een toost op de overwinning door Duitse soldaten die op dat moment wel beter wisten, geschreeuw van vrouwen uit huizen die door Russische soldaten waren betreden, een door de radio uitgezonden rede van Joseph Goebbels. Chemicus Julius Voss uit Wiesbaden schreef hierover in zijn dagboek: ‘Het was de meest krankzinnige toespraak die hij ooit heeft gehouden en die een wanhopige overeenkomst liet zien met het gedrag van een tuberculosepatiënt die de dood in de ogen kijkt en gelooft dat alles nu ten goede zal keren. Of sprak hier een volstrekte idioot?’

Verzetsman van het eerste uur

Beeld Boom

Hij kan worden gezien als de beste, en eerste sociaal-democratische, minister-president die Nederland nooit had: Herman Bernard (‘Stuuf’) Wiardi Beckman, de naamgever van het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Vóór de Tweede Wereldoorlog trachtte hij de SDAP te hervormen tot een potentiële regeringspartij. En tijdens de Duitse bezetting ging hij voor in het ‘geestelijk verzet’. In de meest letterlijke zin was hij ‘verzetsman van het eerste uur’, zoals partijgenoot Willem Drees hem noemde. Hij wilde de Nederlanders, gewend aan bijna drie eeuwen vrijheid, weerbaar maken tegen ‘de bezettingsmacht’. Hij wees elke poging af om tot maatschappelijke en democratische hervormingen te komen op basis van ‘erkenning van de gewijzigde omstandigheden’. De Nederlandse regering in ballingschap wilde hem naar Londen halen, maar de vluchtpoging strandde op het strand bij Scheveningen. Daarnaar verwijst de titel van zijn door Frans en Tamara Becker geschreven biografie: Op verzoek van hare majesteit (Boom; € 24,90). Wiardi Beckman stierf in 1945 in Dachau.

De Duitse bezetting in Amsterdam

Beeld Atlas Contact

De instituties en maatschappelijke verhoudingen in Nederland zijn aan een permanente verandering onderhevig, maar zijn topografie is betrekkelijk stabiel. Bianca Stigter benutte dit gegeven bij de samenstelling van de vuistdikke (zo’n 550 pagina’s tellende) Atlas van een bezette stad (Atlas Contact; € 59,99). Per stadsdeel, straat en huisnummer schetst zij het verloop van de Duitse bezetting in Amsterdam. Op die manier maakt zij inzichtelijk dat het naziregime in een dichtbevolkte stad een bijna onontkoombaar gegeven was. Het boek bevat ook (bekende en minder bekende) foto’s van oorlogstaferelen in een sjofele stad die zichzelf niet was, zoals van een samenscholing op het Raamplein tijdens de Februaristaking van 1941 en een grote hoeveelheid fietsen op het Frederiksplein – afgepakt van Joden, de rechtmatige eigenaren.

Verijdelde plannen in Bloemendaal

Beeld Jan C. de Jong

In de nadagen van de Duitse bezetting kreeg de Wehrmacht het bevel van Hitler om bij terugtrekkende bewegingen de ‘tactiek van de verschroeide aarde’ toe te passen. Ofwel: de infrastructuur in de ontruimde gebieden te vernietigen. In een villa aan de Rijperweg in Bloemendaal vestigde zich een ‘Sonderkommando’ dat met de uitvoering van die tactiek in West-Nederland was belast. Het kreeg onder andere de opdracht de elektriciteitscentrales van Amsterdam en Velsen en de zeesluizen van IJmuiden op te blazen. Hans Hoffmann en Charles Coster van Voorhout (die in 2016 overleed) hebben ruim twintig jaar onderzoek gedaan naar de plannen van de Duitsers en naar de vaak onorthodoxe manieren waarop het verzet die heeft weten te verijdelen: niet alleen met geweld, maar ook smeergeld en de belofte hooggeplaatste functionarissen na de oorlog clement te behandelen. Het onderzoek resulteerde in een boek, Verzet in Bloemendaal (Jan C. de Jong; € 5,37), dat kostenloos zal worden verspreid onder tienduizend huishoudens in die gemeente, maar dat ook relevant is voor lezers buiten de regio.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden