De laatste gasten

Het is lastig dansen op één been

Peters Arjan

Een landhuis waar intellectuelen en kunstenaars tijdens de gezamenlijke maaltijden bekakt kwetterden en elkaar hoffelijk zaten uit te horen - zoiets trof Mensje van Keulen aan toen ze in mei 1976 in De Pauwhof te Wassenaar aan een verhaal trachtte te werken.

Daar kwam weinig van terecht, zoals blijkt uit de aantekeningen die ze er maakte, en die ze pas in 2006 publiceerde in haar dagboek van dat jaar, Alle dagen laat: 'Ik heb in een ander schrift enkele notities gemaakt over dit huis, wie weet doe ik daar ooit iets mee.' Ruim dertig jaar later is het zo ver: huize d'Meihof, nabij knekelveld Zorgvlied aan de Amstel, de locatie van haar nieuwe roman De laatste gasten, doet sterk denken aan de sfeer die ze van de (inmiddels gesloten) Pauwhof kent, inclusief enkele bewoners die ze in 1976 typeerde als 'een studente van een jaar of vijfendertig die kijkt of ze ieder moment in huilen uit kan barsten' (in de roman de droeve Daphne Glasz), de dweepzieke weduwe van een artistieke dwerg (nu Claudia Tutein), het bescheten echtpaar Termaat (Stalpert), de zielige oude hond die ooit 'opgehangen aan een boom' is gevonden (Victor, van Claudia) en de schilder Bouke die van de jonge Mensje graag 'meer wilde weten' (hier de flirtende schilderskwast Faan Fagel).

In dit afgelegen oord gist het van geheimenis, gasten worden als vanzelf personages, als je er oor en oog voor hebt. De microkosmos van een pension, waar onder het mom van wellevende conversaties de onderlinge verhoudingen worden getest en getemperd, heeft meer schrijvers geïnspireerd tot een broeierige geschiedenis - denk aan Villa des Roses (1913) van Willem Elsschot, of De kegelwerper (2006) van Margriet de Moor.

Voor Mensje van Keulen, die al zo dikwijls in haar werk een voorkeur te kennen gaf voor een zekere donzen macaberheid, vormen de zeven gasten in huize d'Meihof, dat alleen kan voortbestaan doordat de directrice Alice Müller 'met de regels van het huis rommelt', een droom van een troupe om haar talent voor ogenschijnlijk slechts geamuseerde, maar in wezen vileine schetsen te botvieren op types die zich hebben afgezonderd van de buitenwereld; niet zozeer om de kunst te dienen, maar om de confrontatie met hun mislukking te ontlopen. En maar palaveren over Gorter, Vermeer (is de waterpartij op diens Gezicht op Delft nu magisch, of wordt het tafereel ontsierd door dat 'rossige strandje' vooraan?), of een waarheid die onomstotelijk lijkt wanneer je haar giet in een zogenaamd Chinees gezegde van het kaliber 'Het is lastig dansen op één been'. Waarna men de lippen afveegt aan de servetten, en weer uitzwermt naar de kamers.

In dit huis spoelt de 19-jarige Florrie aan, die als hulp in de huishouding haar intrek neemt in de zolderkamer. Een observator, een stille getuige, die niettemin beseft dat niemand hier anoniem kan blijven. Ze heeft er al een geschiedenis op zitten van verzorgen (haar boze oude tante Lena, een thuiskapster van lichte zeden) en toekijken (als garderobejuffrouw in het Muziektheater pikte ze de opera Salomé mee), wat haar blik op de zwarte kanten van de mens heeft vervormd. Met kloppend hart, en twee kloppende vingers (gevolg van een scheermes-ongelukje) maakt ze haar entree, bij uitstek gespitst op afwijkend gedrag en loerend onheil.

Toen Mensje van Keulen zelf in 1976 hoorde dat er ooit een gast dood in zijn kamertje was gevonden ('Welk kamertje? Niemand wist het') schrok ze al, maar voor Florrie die hetzelfde verneemt, is het een zoveelste bewijs dat ze ook in dit landhuis niet voor de gruwel gespaard zal blijven. Maar wie kan ze in vertrouwen nemen? Zelfs de huiskokkin Mia is niet zuiver op de graat, aangezien ze herhaaldelijk etenswaren en keukengerei in haar fietstas laat glijden.

Draai een waarheid om en je krijgt een andere, die ook waarheid is, hoort Florrie de gasten sofistisch opperen. Een andere keer blijft ze haken aan het zinnetje 'Alles raakt alles aan', een variant van het adagium dat door Jeroen Brouwers in 1

981 is gemunt, 'Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt' (Bezonken rood). In het besloten universum van de Meihof, en in de beleving van de gepijnigde maar niet geknakte Florrie, kunnen die veelkantige spreuken maar één kant op wijzen: loodrecht op de afgrond toe.

Er volgt een uitbarsting, natuurlijk komt die, je kon erop wachten in dit zieltogende spookhuis, maar dat nu uitgerekend de gemoedelijke 'professor' Waterman, die als een Henk van Os zijn autoriteit glimlachend laat gelden onder het rondstrooien van kunsthistorische wijsheden, dat die de kwaaie pier is, zoals de andere gasten stilaan ontdekken als hij even de deur uit is, dat is een ontmaskering die niemand had bevroed. Maar inderdaad, misschien is die Waterman wel helemaal geen professor, en was hij niet ook joods, en een tikje homoseksueel af en toe?

Het hondje van Claudia wordt stiekem te grazen genomen (ternauwernood zo fataal als het legendarische aapje Chico in Elsschots Parijse pension), het bedrog van de directrice komt uit, de 'prof' krijgt ze om de oren, en dan wordt er met deuren gesmeten en vliegen de krachttermen door het huis achter de rododendrons en de hoge taxushaag. In een fraaie draaikolk van betrekkingswaan meent Florrie de onontdekte aanjager van alle onheil te zijn.

Maar wat Mensje van Keulen uiterst vakkundig open laat, is dat alles ook heel anders had kunnen zijn. Dertig jaar van gerijpt talent heeft ze nodig gehad om de suspense zo vrij te laten zweven als hier gebeurt. Zij heeft de waarheid niet in pacht, ze vertelt alleen maar. Zoals het genie van Vermeer al eeuwen zichtbaar is op zijn vermaarde doek, zonder dat iemand het definitief kan verklaren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden