De kloof tussen politiek en filosofie

POLITIEK EN filosofie lijken zich slecht met elkaar te verdragen; de politiek wordt gedragen door actief handelende personen, de filosofie floreert bij passieve contemplatie....

De eerste filosoof die klaarheid wist te scheppen in deze door de filosofie consequent verwaarloosde materie, was de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt (1906-1975). In haar hoofdwerk Vita Activa maakt zij een helder onderscheid tussen arbeid, denken en handelen, waarbij alle drie de domeinen een eigen plaats krijgen toegewezen. Haar ideeën waren baanbrekend en ontmoetten daardoor weerstand. Haar denken wordt getekend door een niets ontziende eerlijkheid, die haar zowel veel kritiek opleverde als tot een sympathieke, want integere, filosofe maakt.

Arendts filosofische belangstelling werd tot op grote hoogte bepaald door haar levensloop. Zij was jodin en vluchtte in 1933 uit nazi-Duitsland, eerst naar Parijs en later naar Amerika. Daar begon zij artikelen te schrijven over de oorsprong van het totalitarisme. Als een van de eersten rekende zij niet alleen het fascisme, maar ook het communisme tot de totalitaire systemen. Zij stelde dat de grootste verschrikkingen plaatsvinden, doordat gewone burgers hun plicht denken te doen door mee te werken aan het heersende regime; een revolutionaire opvatting in een wereld die gewend was het kwaad te zien als iets onmenselijks en duivels.

Zij schuwde de openbaarheid niet en nam dikwijls stelling in politiek gevoelige kwesties. Zo verweet zij direct na de oorlog de joodse instituties te hebben meegewerkt aan de holocaust, een verwijt dat haar toentertijd hoogst kwalijk werd genomen. Inmiddels is gebleken dat zij gelijk had en dat de rol die bijvoorbeeld de Joodsche Raad in Nederland speelde bij het uitvoeren van deportaties van joden, tamelijk dubieus was.

In de bundel Politiek in donkere tijden zijn zes teksten van Arendt bijeengebracht die een indruk van haar denken geven. De eerste tekst, 'Arbeiden, werken, handelen', was oorspronkelijk een lezing en geeft in kort bestek weer waar het in haar hoofdwerk Vita Activa om draait.

In 'Het geschiedenisbegrip bij de ouden en de modernen' laat zij zien hoe de politiek zich heeft ontwikkeld tot wat zij nu is. De kloof die in de loop der tijd is ontstaan tussen de politiek en de filosofie, is in haar ogen echter niet onvermijdelijk, zoals zij in de derde tekst betoogt. Het tweegesprek dat de filosoof al denkend met zichzelf voert, wijst al vooruit naar de politieke discussie en is er een noodzakelijke voorwaarde voor. Wie niet in staat is met zichzelf te debatteren, zal nooit tot president worden gekozen.

In Arendts ogen heeft de politiek als belangrijkste taak het openbare leven in stand te houden. De wereld die mensen met elkaar scheppen door pleinen en straten aan te leggen, bibliotheken en musea te bouwen, scholen en verenigingen op te richten, moet een woonplaats zijn voor alle burgers. Niet zozeer het wel en wee van de burgers als wel de publieke ruimte die zij met elkaar delen, is een politieke zaak. Sociale en economische zaken zijn beduidend minder belangrijk dan culturele.

Vanuit de huidige situatie gezien is dat een radicale opvatting. Arendt weet haar aannemelijk te maken door het hedendaagse politieke leven af te zetten tegen de Griekse Oudheid. Door de ontwikkeling van het politieke bedrijf te schetsen maakt zij duidelijk dat de invulling die nu aan de politiek wordt gegeven, niet de enig mogelijke is. Zij plaatst de moderne opvatting van politiek in de weidse ruimte van de geschiedenis, waardoor zij meer op zichzelf komt te staan.

Een van de belangrijkste beperkingen van Arendts denken is de onmogelijkheid haar opvattingen te vertalen naar concreet politiek beleid. Want wat blijft er nog over van de politiek wanneer zij niet mag gaan over sociale en economische aangelegenheden? Arendt was zich van dit probleem bewust, maar had er geen antwoord op. Ook de filosofen die zich door haar werk hebben laten inspireren, stuiten hier telkens op een frictie. In theorie mag Arendt de kloof tussen politiek en filosofie dan hebben gedicht, in de praktijk blijft er een onoverbrugbare afstand bestaan.

De eerste drie teksten in Politiek in donkere tijden zijn stevige kost. Ze bevatten een hoge dichtheid aan ideeën, voortspruitend uit Arendts originaliteit en eruditie. Het tweede trio teksten bestaat uit gelegenheidslezingen en is lichtere kost. In 'Over menselijkheid in donkere tijden: gedachten over Lessing', een tekst die zij uitsprak bij de aanvaarding van de Lessingprijs van de stad Hamburg in 1959, verbindt zij haar gedachten over politiek en geschiedenis met persoonlijke observaties van de vriendschap en loyaliteit waartoe mensen in staat zijn. Verrassend genoeg stelt Arendt de vriendschap zowel boven solidariteit als boven de waarheid.

De laatste twee teksten illustreren deze houding. Het zijn beide feestredes, gewijd aan de belangrijkste twee leermeesters en vrienden die ze had, Karl Jaspers en Martin Heidegger. Hier wordt duidelijk hoezeer werk en leven van Hannah Arendt met elkaar verbonden zijn. Haar bewondering voor Jaspers' integriteit gedurende de donkere jaren van het nazisme verhindert niet dat zij Heideggers pijnlijke vergissing uit diezelfde tijd begrijpelijk acht. Zijn aanvankelijke enthousiasme voor het nationaal-socialisme koppelt zij aan de hang naar het tirannieke die de filosofische traditie sinds Plato eigen is.

Het is niet de complexiteit van haar ideeën die Arendt tot een groot filosofe maakt, maar veeleer de menselijkheid die uit die ideeën spreekt. Zij probeerde denken en doen met elkaar te verenigen en ook al slaagde zij daarin slechts ten dele, haar poging is van een grootsheid die weinig denkers zullen evenaren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.