Interview Franse kunstenaar Riad Sattouf

De kleine Riad alles heeft gezien en onthouden

De stripalbums die de Franse kunstenaar Riad Sattouf maakt van zijn jeugd in Libië en Syrië slaan enorm aan, in en buiten Frankrijk. Een vertaling in het Arabisch is er nog niet.

Riad Sattouf Beeld Stephanie Füssenich

Wie eenmaal aan De Arabier van de toekomst begint, wil daar alles van weten. Via dat boek – of die reeks eigenlijk, deel vier is afgelopen najaar verschenen – komt een wondere wereld dichterbij, waar ook nieuwe huizen diepe scheuren in de muren hebben, waar ophanging en steniging geaccepteerde straffen zijn en op de tv filmpjes worden getoond van de vrouwelijke lijfwachten van de president, die met hun tanden een levende slang aan stukken scheuren.

Riad Sattouf, schepper van De Arabier van de toekomst, is het kind van een Franse moeder en een Syrische vader. Ze ontmoetten elkaar aan de Sorbonne. Riad is hun oudste, een engelachtig jongetje met, zoals hij zelf schrijft en tekent, de blonde haren van een Amerikaanse actrice. Alle vrouwen, en zeker die in de Arabische wereld, willen hem aanraken.

Vader Abdel-Razak heeft het hoog in de bol. Hij krijgt universitaire aanstellingen in het Libië van Kadhafi en later het Syrië van Hafez al-Assad, zijn gezin neemt hij mee. Gouden bergen belooft hij maar intussen zakt hij weg in rabiaat antisemitisme, een diepe afkeer van alles wat Frans is en een grote bewondering voor Saddam Hussein, de grote pan-Arabische leider.

Dertig jaar later blijkt dat de kleine Riad alles heeft gezien en onthouden. Hij is striptekenaar intussen, heeft al succesvolle uitgaven op zijn naam als hij besluit zijn eigen jeugd te boek te stellen. Dat is het begin van De Arabier van de toekomst, dat vanaf deel I een enorm succes is. In Frankrijk zijn al anderhalf miljoen exemplaren verkocht; de reeks is in 26 talen vertaald.

‘Oude dametjes komen op me af en zeggen – Sattouf zet een kraakstem op – ‘Bécassine (een eeuw geleden verschenen, red.) was mijn eerste stripboek, De Arabier van de toekomst is het tweede. Ik heb er van genoten.’ Dat is het soort lezers dat hij wil bereiken: geen stripliefhebbers, maar mensen die romans lezen, of non-fictie.

Riad Sattouf werd geboren in Parijs (1978). Hij publiceerde de reeks Het geheime leven van jongeren in het weekblad Charlie Hebdo en maakte zestien stripalbums over zijn culturele achtergrond. De Arabier van de toekomst werd bekroond met de Fauve d’Or, de prijs voor het beste album op het stripfestival van Angoulême. In 2010 kreeg hij deze prijs ook al voor Pascal Brutal: sterker dan de rest, een populaire strip over een macho op een scooter. In de Volkskrant waardeerde Joost Pollmann deel 1 en deel 2 van De Arabier van de toekomst elk met vier sterren.

Werk van Riad Sattouf, te zien in de bibliotheek van het Centre Pompidou. Beeld Riad Sattouf

Sattouf geniet van zijn succes. ‘Weet je wat vorig jaar de bestverkochte strips in Frankrijk waren’, informeert hij. ‘Op één staat Lucky Luke – allebei de auteurs zijn dood. Op twee staat Blake en Mortimer – ook dood. En de derde ben ik. Levend en wel. En in m’n eentje. Dat geeft zo veel vrijheid.’

Inmiddels heeft hij een volgende succesreeks: Les cahiers d’Esther, ‘over een heel gewoon meisje van 12 uit Parijs’. In de bibliotheek van het Centre Pompidou is een expositie van zijn werk ingericht. Daar spreken we af voor het interview.

Waar het succes door komt? Na een paar pagina’s ben je verslingerd aan dat engelachtige jongetje en wil je weten hoe het hem zal vergaan in die vaak brute, onvoorspelbare omstandigheden. Je bent benieuwd hoe het verder gaat tussen die ouders, die steeds verder uit elkaar groeien. Het is de vermenging van dat huiselijke en de grote politieke bewegingen die De Arabier van de toekomst zijn diepte geven.

Een gesprek daarover met Sattouf is nog niet zo eenvoudig. Niet omdat hij geen vriendelijke, efficiënte prater zou zijn. Het punt is: Sattouf is een geordende man. Die weet dat hij nog twee dikke delen te gaan heeft; het laatste wat hij wil is weggeven wat er nog gaat gebeuren. Bij alle vragen naar actuele familieverhoudingen begint hij vrolijk te neuriën. Leeft uw vader nog? ‘Lalalaaaa.’ Wat vindt uw moeder van de manier waarop ze vereeuwigd is? ‘Hmmmhmmhhh.’ Wanneer bent u uw blonde haren kwijtgeraakt? ‘Tsjadammm.’ ‘Dat is wat mensen altijd willen weten’, zegt hij: ‘Hoe denkt je familie over de boeken, hoe gaat het nu met je familie in Syrië? Die antwoorden komen, maar in het boek.’

Ook de expositie bevat amper persoonlijke aanwijzingen. In een vitrine ligt een kleurenfoto van een jochie, ingeklemd tussen een slungelige man met grote zwarte kuif en een ouder koppel in Arabische kledij: dat moet de kleine Riad met vader en grootouders zijn. Daarnaast hetzelfde jochie met vader en kinderwagen, achter hen een eindeloze zandvlakte. Daar moeten we het mee doen.

Werk van Riad Sattouf, te zien in de bibliotheek van het Centre Pompidou. Beeld Riad Sattouf

Uw boeken zijn veel vertaald, maar niet in het Arabisch. Waarom is dat?

‘Arabische uitgevers wilden alleen het eerste deel uitbrengen. Ik wil niet het risico lopen dat het bij één deel blijft. Voor Hebreeuwse uitgevers geldt hetzelfde. Dus wachten we tot de serie klaar is, daarna zal het in het Arabisch als omnibus verschijnen. Overigens weet ik dat het in de Arabische wereld al wel in het Frans of Engels wordt gelezen. De belangstelling is er.’

Sattouf ging in zee met een beginnende uitgever: Allary. Hij stelde één harde voorwaarde: ik wil de enige striptekenaar zijn die je uitbrengt. ‘Zo wist ik dat alle energie naar mij zou gaan. Ik wilde nieuwe lezers.’ De reeks kreeg een opvallende vormgeving, in alle vertalingen identiek: het formaat is eerder dat van een forse roman dan van een stripboek. Kleur en papier zijn chiquer dan bij een stripboek gebruikelijk.

Sattouf dacht dat hij met drie delen zijn verhaal wel verteld zou hebben. Dat bleek veel te krap: één jaar in Syrië (1984-’85), hij is dan 6, bood genoeg stof voor een zelfstandig boek. ‘Ik heb de indruk dat niet ik het ben die de vorm bepaalt, maar dat het boek die oplegt.’

U herleeft uw hele jeugd voor het boek. Heeft dat uw kijk op u zelf veranderd?

‘Ik wil daar niet te diep over nadenken. Je hebt een mechanisme dat goed loopt, zoals dit boek; dan haal je het uit elkaar om te kijken hoe het werkt, en dan functioneert het niet meer – dat is mijn angst. Ik heb veel heldere herinneringen die ik in dit boek kwijt kan, in een voor de lezer begrijpelijke vorm.

‘Autobiografieën zijn vaak te vriendelijk voor de auteur en diens familie. Ik wil de schaduwkanten niet vermijden. Als ik bij mezelf een zekere weerstand ervaar wanneer ik iets wil vertellen, weet ik zeker dat het erin moet. Juist omdat het over familie gaat, spreekt het mensen aan.

‘Iedereen heeft wel een racist in de familie, over wie je liever zwijgt. Mensen zeggen dat tegen me: ik zou nooit hardop zeggen dat mijn vader antisemiet is. Dat wil ik niet uit de weg gaan. Tegelijk moest het eerder een avonturenboek worden of een reisverhaal dan een autobiografie. Ik hou van Joseph Kessel en Antoine de Saint-Exupéry, boeken als Terre des hommes en Oorlogsvlieger. Zij beschrijven wat ze meemaken; hun belevenissen zijn belangrijker dan het autobiografische.’

Vandaar dat uw hoofdpersoon vooral een observator is?

‘Eigenlijk ben niet ik de hoofdpersoon, maar is het de relatie tussen Riad en de vader. Het eigenlijke onderwerp van de reeks is wat mijn vader zoal teweegbrengt.’

Naarmate de reeks vordert, verandert de vader. Van een moderne student – De Arabier van de toekomst – wordt hij een verbitterde pan-Arabist, die zich miskend voelt in Frankrijk maar ook in Arabische landen niet de status krijgt die hij volgens zichzelf verdient. Zijn gezin laat hij maandenlang in de steek om in Riyad of Damascus te gaan werken, het huis dat hij in Syrië wil bouwen blijkt een luchtkasteel, zijn Bretonse vrouw wordt steeds ongelukkiger.

Stond die hoofdrol van uw vader vast voordat u begon?

‘Dat bleek pas terwijl ik aan het eerste deel werkte. In stripverhalen gebeurt veel onbewust.’

Uw vader komt uit een arme familie op het Syrische platteland. Toch krijgt hij een beurs voor de Sorbonne. Hij moet een begaafd man zijn.

‘Dat vind ik moeilijk te zeggen. Hij had allerlei universiteiten aangeschreven: Amsterdam, Duitsland, Engeland. Alleen Frankrijk antwoordde. Het was eerder toeval dan uitzonderlijke begaafdheid dat hij een beurs voor de Sorbonne kreeg.’

Vindt u dat hij gaandeweg radicaliseert? Of was hij al radicaal als student, maar had u dat als jochie niet door?

‘Die vraag is een wezenlijk deel van de reeks. Als mensen zich opsluiten in hun geloof, zoals hij doet, is dat niet per se een fout van de cultuur waaruit ze voortkomen. Het is ook het resultaat van een parcours, met ontmoetingen, teleurstellingen, ontdekkingen. Je kunt niet alles op de islam schuiven. Ook christenen vinden vaak het geloof aan het eind van het leven.’

Was het een vreemde gewaarwording dat dat verhaal, dat u al een leven lang als een goudader bij u droeg, meteen zo aansloeg?

‘Dat familiale is daarin heel wezenlijk. Mensen herkenden iets, ze waren benieuwd naar het vervolg. Het blijft wel mijn gezichtspunt natuurlijk, dat van een kind dat zijn familie en de buitenwereld bekijkt. Niet iedereen leefde als wij. Deze werelden waren nog niet beschreven.’

Wat bracht u ertoe aan die autobiografie te beginnen?

‘Ik heb twee films gemaakt, de eerste, Les Beaux Gosses, was gemaakt met een klein budget en werd een groot succes. De tweede, Jacky au royaume des filles, had een veel groter budget en was een enorme mislukking. Niemand belde me meer, ik kreeg geen berichten, ik hield op te bestaan. Het was om wanhopig van te worden. Dat is het moment waarop ik weer strips ging maken.

‘Ik had mijn vrienden zo vaak verteld hoe het was op te groeien in Libië en Syrië. Maar die ervaringen in het Midden-Oosten zeiden hen niet veel. Dat frustreerde me. Toen deel 1 uitkwam zeiden ze: nu snap ik wat je wilde vertellen.’

De Arabier van de toekomst leest als de notities van iemand met een heel goed geheugen. De kleinste details worden genoteerd: de cadeaus van zijn Franse opa, de blik van zijn knappe Arabische nichtje, het gerommel van zijn vader met geld, een bezoek aan Palmyra, dan nog intact.

Hoe dat in zijn werk gaat, vertelt Sattouf aan de hand van de groene schooltas die hij in Syrië kreeg. ‘Als ik me die tas voor de geest haal om hem te tekenen, volgt de rest vanzelf. Daarachter zie ik de klas verschijnen, en de lessenaar, en de betonnen vloer. Dan komt de geur van urine door het open raam, want wc’s waren er niet. Daar verschijnt de leraar, stok in de hand. Mijn moeder heeft veel foto’s gemaakt en me ook wel herinneringen verteld. Maar ik wilde vertrekken vanuit wat ik in mijn hoofd had. Met het risico dat ik dingen zou overdrijven of vervormen.’

Er was nog een reden waarom hij uitgerekend zijn eigen jeugd als onderwerp nam: de Arabische lente bereikte in 2011 Syrië, een deel van zijn familie in Homs raakte op drift. Sattouf wilde hen helpen te vluchten, en kwam er achter hoe moeilijk het was zijn familie naar Frankrijk te halen. ‘Daarover wilde ik vertellen, maar voordat dat kon, moest ik belangstelling opwekken, door de personages tot leven te wekken. Dat werd de geschiedenis van mijn familie, als deel van het grote verhaal.’

Werk van Riad Sattouf, te zien in de bibliotheek van het Centre Pompidou. Beeld Riad Sattouf

Uw moeder, Clémentine, blijft lang een onduidelijke figuur, zelfs in hoe ze is getekend. Ze volgt haar man, lijkt amper een eigen wil te hebben. Waarom is ze zo gedwee?

‘Mijn moeder was geen rebel of feminist. Er zijn er zo veel als zij. Ze heeft gewerkt, kinderen opgevoed, gedacht dat haar man goed geld zou gaan verdienen. Ze volgde hem zonder te weten waar ze terecht zou komen. Ze was onderdanig, voilà.’

Des te opmerkelijker dat uw familie van moeders kant uw vader met open armen bleef ontvangen.

‘Dit was geen familie van grote ideeën, maar wel heel open. Niemand van hen was ooit met iemand uit het Midden-Oosten getrouwd. En niemand tekende, zoals ik ging doen. Ze waren tolerant. Het was familie, daar deed je het mee.’

Sattouf is een nauwgezet man. Voordat hij aan een nieuw deel begint, noteert hij de loop van het verhaal in storyboards: de verhaallijn ligt vast. In 2004 publiceerde hij een strip over zijn besnijdenis. Omdat hij die gebeurtenis ook in De Arabier van de toekomst wilde behandelen, besloot hij tot een rigoureuze ingreep. Die oude strip paste niet meer in zijn plannen. ‘Ik heb de rechten gekocht en de hele voorraad ligt nu bij mij in een opslag. Dat was te ver van de werkelijkheid af, vond ik.’

Werk van Riad Sattouf, te zien in de bibliotheek van het Centre Pompidou. Beeld Riad Sattouf

U bent met De Arabier van de toekomst op slag een bron van kennis over het Midden-Oosten. Bevalt u dat?

‘Helemaal niet. Als een boek, een film of strip die rol wil spelen, moet ik overgeven. Ik gruwel van ideologische boeken. Ik pas er ook voor als ervaringsdeskundige te worden gevraagd. Uitleggen hoe het verder moet in de Arabische wereld, wat ik denk van de toestand in Syrië – daar bedank ik voor. Daarover wil ik wetenschappers horen, geen kunstenaars.’

U hoort in het boek niet bij Syrië, maar net zo min bij Frankrijk. Toch zijn er verrassende overeenkomsten. Zoals het geweld, vooral tegen dieren. In Syrië worden kikkers op een fietsband gebonden, in Bretagne verdwijnt een katje in de vuilnisbak.

‘Dieren martelen is op het platteland in Syrië meer geaccepteerd dan in Frankrijk. Maar plattelanders waar ook ter wereld hebben een direct contact met dieren. Wat hier in abattoirs gebeurt, is erger dan wat ze in Syrië deden met kikkers. Armoede maakt geweld harder. Ik ben verzot op de film Les quatre cents coups van François Truffaut. Die Franse school uit 1959 lijkt op mijn school in Syrië. Op signeersessies zeggen Franse ouderen dat ook: jongen, ik herken het. Ik kreeg er op mijn plattelandsschool ook met de stok van langs.’

Wat hij nog wel kwijt wil: er komen nog twee omvangrijke delen aan. Het slot van deel 6 heeft hij in zijn hoofd. Het eindigt met het verschijnen van deel 1, en de reacties daarop van zijn familie. Dan is de cirkel rond.

Riad Sattouf De Arabier van de toekomst Een jeugd in het Midden-Oosten Uit het Frans vertaald door Toon Dohmen. Deel 4 verscheen in december bij De Geus.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.