ReportageS15 van het Montessori Lyceum Oostpoort

De klas van Juf Wiesje: ‘De huizen zijn kapot en mensen dood. Wij willen niet dood. Daarom zijn we hier’

null Beeld Adriaan van der Ploeg
Beeld Adriaan van der Ploeg

De klas van juf Wiesje, S15 van het Montessori Lyceum Oostpoort in Amsterdam, telt 21 tieners uit 18 landen, allen het Nederlands nog niet de baas. Verslaggever Jaap Stam volgde hen in het jaar waarin ze veel thuiszaten, en toch met sprongen vooruitgingen.

Ik zit nog geen kwartier in de klas van juf Wiesje Moen (58) en met vier mokerslagen maakt Mohamad uit Syrië me duidelijk dat ik een klas ga volgen met leerlingen die meer hebben meegemaakt dan ik in 63 jaar.

Elf jongens en tien meisjes uit achttien landen van vijf continenten telt klas S15 van het Montessori Lyceum Oostpoort, kortweg ’t Oostpoort, in Amsterdam, een brede scholengemeenschap met een eerste opvangschool. Acht uit Afrika, zes uit Azië, drie uit Europa, drie uit Zuid-Amerika en een uit Noord-Amerika. De oudste is 16 jaar, de jongste 12, gemiddeld zijn ze nog geen twee jaar in Nederland.

Juf Wiesje is mentor van S15, een vmbo-schakelklas voor leerlingen die het Nederlands nog niet voldoende beheersen. Een jaar lang schoof ik geregeld aan in haar klas. De leerlingen noemden me meester Jaap. Iedere volwassene die beroepshalve in de klas komt, wordt aangesproken met juf of meester.

Zes uur per week ziet juf Wiesje haar klas. Twee mentoruren en daarnaast geeft ze verzorging en biologie. Het mentorschap slokt de meeste tijd op. Waar loopt een mentor van een zo diverse klas met niet één doorsnee leerling uit alle uithoeken van de wereld tegenaan?

Dagelijks zijn er verrassingen. ‘Heb je onze kaart gehad?’, vraagt ze aan een jongen, die na een langdurige ziekte weer op school is. Kaart? Hij weet van niks. Heeft hij niet in de brievenbus gekeken? Brievenbus? Kijken ze nooit in, ze krijgen toch nooit post. Een jongen die met zijn familie in de crisisopvang zat, heeft een huis gekregen. ‘Hadden jullie een busje gehuurd?’, informeert ze. ‘Was niet nodig, juf. Alles kon in een paar tassen.’

850 leerlingen telt het Montessori Lyceum Oostpoort. Dat zijn lang niet allemaal nieuwkomers, migrantenkinderen of vluchtelingen. Velen zijn geboren en getogen in Nederland, veelal in Amsterdam. Zij beginnen in een van de zeven reguliere brugklassen.

Leerlingen die uit het buitenland komen en nog geen of slecht Nederlands spreken, beginnen in een opvangklas, waar ze 16 uur Nederlands krijgen en enkele andere vakken, waaronder burgerschap. Het belangrijkste doel is zo snel mogelijk Nederlands leren.

Vmbo-leerlingen zitten vervolgens twee jaar in een schakelklas, de klas van juf Wiesje is er daar één van, waar Nederlands ook de hoofdmoot vormt. Daarna stromen ze het derde jaar van het reguliere onderwijs in. Inclusief de opvangklas doen ze er dus een jaar langer over om op het vmbo te komen. Havo- en vwo-leerlingen schakelen één jaar.

De opvangklas heeft het hele jaar door aanwas. Zodra een kind in Nederland woont, heeft het recht op onderwijs, ongeacht zijn status. De leerplicht geldt tot 18 jaar. Hun niveau wordt vastgesteld aan de hand van een aantal testen.

Nationaliteiten komen in golven. Aan de pieken is te zien waar de wereld in brand staat. In de jaren negentig woedde de burgeroorlog in Joegoslavië en meldden Bosniërs, Kroaten en Kosovaren zich in groten getale. Het afgelopen decennium waren het vooral Syriërs.

Maandag 20 januari

Juf Wiesje staat bij de deur. Alle leerlingen krijgen een hand en leveren hun smartphone in. Ze hebben thuis een verhaal voorbereid over hun cultuur.

Mohamad en Najib uit Syrië vertellen over de ramadan.

Najib: ‘Dat is moeilijk in Nederland, want we moeten gewoon naar school. In Syrië zijn we de hele maand vrij.’

Mohamad: ‘Slaap je van de ochtend tot de avond en dan ga je eten.’

Ze laten foto’s zien van de natuur en toeristische trekpleisters, ‘maar daar kun je nu niet meer naar toe’. Foto’s van Aleppo en Homs, vroeger en nu. In volle glorie en verruïneerd.

Mohamad: ‘Ik laat het alleen zien. Ik wil er niet over praten.’ Waarna de vier mokerslagen volgen: ‘De huizen zijn kapot. De mensen zijn dood. Wij willen niet dood. Daarom zijn we hier.’

Ephraim en Abel komen uit Ghana en vertellen over fufu, puree van cassave en bakbananen, dat je met je handen eet.

‘Ieuw’, roept Mohamad afkeurend.

‘Wat is jouw probleem jongen?’, vraagt Abel gepikeerd.

Juf Wiesje: ‘Dit is een mooi voorbeeld van een cultuurverschil. Jullie zitten gezellig rond de pan en eten met je handen. In andere landen vinden ze dat niet netjes, maar er is niks mis mee.’

Hala uit Aleppo, Syrië, toont een foto van een kasteel in haar geboortestad.

Juf Wiesje: ‘Is dat gebombardeerd?’

Mohamad: ‘Dat mag niet.’

Ot: ‘In oorlog mag alles.’

Ot is geboren in Barcelona, zijn vader komt uit Kroatië, zijn moeder is Servisch. Zijn ouders zijn gevlucht vanwege de Kosovo-oorlog.

David uit Ghana: ‘Waarom zijn er altijd oorlogen?’

Tja, hierop moet zelfs juf Wiesje het antwoord schuldig blijven en ze spreidt machteloos haar armen.

Heloisa uit Brazilië illustreert haar presentatie met foto’s van carnaval.

Morteza uit Iran: ‘Waarom hebben die mensen geen kleren aan?’

Het antwoord van Heloisa gaat verloren in het tumult.

De Thaise Net toont een foto van een slapende Boeddha.

‘Hij is lui’, zegt David. ‘Onze God slaapt nooit.’

Aan het slot van haar presentatie doet Net een Thais dansje waarbij haar handen sierlijke bewegingen maken. Ze heeft zojuist uitgelegd dat bij Thaise dansen armen en handen belangrijker zijn dan benen en voeten.

Abel maakt bewegingen van een Ghanese dans, loopt heupwiegend naar Net en geeft haar een boks. Ze schateren allebei.

Maandag 6 maart

Deze ochtend schuif ik aan in een andere klas, een opvangklas, waar de meeste leerlingen van juf Wiesje zijn begonnen. Acht jongens en acht meisjes van 12 tot 18 jaar uit negen landen van vier werelddelen krijgen Nederlands van Albert Stavast. Ze zijn gemiddeld een dikke zeven maanden in Nederland.

Ik zit naast Sultan uit Pakistan. Hij is vandaag 17 jaar geworden en geeft me een chocolaatje. Sultan is verdiept in Mama, waar ben je? van Lian de Kat, een boekje voor halverwege de basisschool. Hij leest snel, in tien minuten is hij een paar hoofdstukken opgeschoten.

De leerlingen mogen woorden opzoeken op hun smartphone. Meester Albert werpt zo nu en dan een blik op een mobieltje om te controleren of het niet ergens anders voor wordt gebruikt.

‘Wat is een stommeling, meester?’, vraagt Sultan. ‘Dat is iemand die domme dingen doet’, zegt meester Albert.

‘Wat is graaien, meester?’, wil Carlos uit Brazilië weten. ‘Ik pak jouw pen’, zegt meester Albert, terwijl hij Carlos’ pen pakt en weer terug legt. ‘Maar als ik het zo doe, is het graaien’, zegt hij en grist de pen van tafel.

‘Meester!’, roept Batoel uit Pakistan. ‘Even verder werken, Batoel’, zegt meester Albert. ‘Ja, maar ik wil een beetje aandacht hebben’, zegt ze en duikt weer in haar boek.

null Beeld Adriaan van der Ploeg
Beeld Adriaan van der Ploeg

Meester Albert besluit de les met een uitzending van het Jeugdjournaal, waarover hij vragen stelt.

Het item over vluchtelingen die bij de grens tussen Turkije en Griekenland worden tegengehouden, laat hij onbesproken. Hij vindt het pijnlijk, de leerlingen zijn net in Nederland en hij weet niet welke ellende ze hebben meegemaakt. ‘Ze hebben daar misschien familieleden. Dan ga ik dit niet aan het eind van de les tussen neus en lippen door bespreken.’

Albert Stavast is coördinator van de opvangklassen, geeft Nederlands en doet de intake. Met een speciaal programma maken de nieuwkomers zich snel drie- tot vijfhonderd Nederlandse woorden eigen. De docent benoemt elke stap die hij zet. ‘Ik sta op en ga zitten.’ ‘Ik loop naar het raam, draai me om en ik loop terug.’ Leerlingen zeggen hem na. Op tafels, stoelen, ramen, deuren, klinken, pennen – op alles in het lokaal is een sticker geplakt, zodat de leerlingen zien hoe je het woord spelt.

null Beeld Adriaan van der Ploeg
Beeld Adriaan van der Ploeg

Stavast verwondert zich dagelijks over de grote sprongen die de leerlingen maken. Hoe gemotiveerd ze zijn, hoe graag ze verder willen komen, hoe graag ze iets willen bereiken.

Zo wil Ahmed dokter worden. Op zijn vlucht uit Syrië heeft hij verminkte mensen langs de weg zien liggen. Als hij dat nog een keer meemaakt, wil hij ze helpen.

Mohamad heeft een maand door Syrië gelopen en kwam via allerlei omwegen in Griekenland en uiteindelijk in Nederland terecht. Hij heeft verhalen gehoord over gevangenen van het Syrisch regime wier nagels er een voor een zijn uitgetrokken. Hij wil architect worden om mee te helpen ‘de bruggen, huizen, alles’ weer op te bouwen in Syrië.

Doordat meester Albert de eerste persoon in Nederland is met wie ze veel contact hebben, bouwt hij een band op met zijn leerlingen. ‘Er zijn er die mij jaren later nog steeds komen feliciteren op mijn verjaardag.’

Op 16 maart gaat de school in lockdown. Juf Wiesje heeft twee weken nodig om te regelen dat haar leerlingen de benodigde apparatuur hebben en snappen hoe ze online kunnen werken.

Ze benut die tijd ook om zich ervan te vergewissen dat ze niet kopje-onder gaan tijdens de lockdown.

Veel ouders hebben geen vaste contracten, zij zijn in de coronacrisis als eersten hun werk kwijt. Ze belt en appt tot ze gerustgesteld is. ‘Ze hebben allemaal eten en een dak boven hun hoofd, de huur kan worden betaald.’

Dinsdag 7 april

Om 10 uur zit juf Wiesje thuis startklaar achter haar laptop voor het mentoruur. Een voor een druppelen de leerlingen binnen in het online vergaderprogramma Teams. Een meisje dat een aantal opdrachten niet heeft gemaakt, grijpt ze meteen bij de kladden.

‘Je hebt nog niks gedaan aan biologie.’

‘Het is zo moeilijk, juf.’

‘Je moet er rustig voor gaan zitten en goed lezen.’

‘Het is zo moeilijk.’

‘De eerste twee opdrachten niet. Daar hoef je alleen maar de namen van botten in te vullen.’

‘Hmmmmm.’

Tegen mij: ‘Veel leerlingen moeten het van ons hebben, niet van hun ouders, dat valt nu eens temeer op. Vaak spreken die geen of gebrekkig Nederlands, ze zijn niet bekend met het Nederlandse onderwijssysteem en zijn niet computervaardig.’

Tegen allemaal: ‘Het is nog tien dagen tot de meivakantie. Dan hebben jullie twee weken vrij en hoef je niks te doen. Tenzij je deze week al coronavakantie houdt.’

Aan Abel, die tot nu toe het meest aan zijn schoolwerk heeft gedaan, vraagt ze hoe hij het aanpakt. ‘Hoe laat sta jij op?’

Abel: ‘Een uur.’

Juf Wiesje: ‘Dus je slaapt uit. En dan?’

Abel: ‘Tanden poetsen, eten, huiswerk maken.’

Juf Wiesje: ‘Hoelang?’

Abel: ‘Een uur.’

Juf Wiesje: ‘Eén uur? En dan heb je alles af?’

Abel: ‘Ja.’

Juf Wiesje: ‘Supergoed als je het in één uur voor elkaar krijgt.’

Dinsdag 21 april

Juf Wiesje heeft alle leerlingen nog op de radar. Van een reguliere klas van dezelfde school, waarvan de meeste leerlingen zijn opgegroeid in Amsterdam-Oost, zijn vijf leerlingen spoorloos, in die zin dat hun mentor ze nog niet digitaal of telefonisch te pakken heeft gekregen. ‘Dit geeft nog maar eens aan hoe gemotiveerd vluchtelingenkinderen zijn’, zegt ze.

Een groepsapp is nu onontbeerlijk om snel en efficiënt contact te hebben met de klas. Ot heeft geen smartphone. Diezelfde middag vraagt Juf Wiesje op haar familieapp wie er een over heeft. Een nichtje meldt zich. Ze heeft voor haar verjaardag een nieuwe gekregen, Ot mag haar oude hebben. De volgende dag gaat juf Wiesje hem ophalen, koopt op de terugweg een beschermhoesje en levert het mobieltje af bij Ot.

Van lesgeven is nog niet veel gekomen. Juf Wiesje maakt zich daar niet druk om. Ze heeft kinderen in de klas die door oorlog jaren onderwijs hebben gemist, die paar maanden kunnen er nog wel bij. ‘Kinderen zijn flexibel, die lopen een achterstand makkelijk in.’ Bovendien hebben ze een stoomcursus basisvaardigheden Outlook, Teams, Excel en Magister gehad.

Wel heeft ze een keer vanuit huis online kookles gegeven. Een vergiet, een garde, een deegrol, een schuimspaan, een afwasteiltje – een voor hield ze het keukengerei uit haar eigen keuken omhoog voor de camera en moesten de leerlingen het attribuut benoemen.

null Beeld Adriaan van der Ploeg
Beeld Adriaan van der Ploeg

Het afwasteiltje veroorzaakte het nodige rumoer. Afwassen in een teiltje met steeds viezer water vinden de leerlingen ranzig. Thuis doen ze de vaat onder stromend water.

Juf Wiesje voelt zich docent, pedagoog, psycholoog, maatschappelijk werker en moeder van de klas. Soms lijkt het wel of lesgeven op de tweede plaats komt. Haar eerste prioriteit is de kinderen een veilige haven bieden, dan is de kans op het halen van een diploma het grootst. Ze hebben haar 06-nummer en mogen altijd appen, ook in het weekend, maar dan moet het wel dringend zijn.

Voor een 18-jarig meisje uit een andere klas dat zwanger is, regelt ze met hulp van familie en collega’s een babyuitzet. Van de vader valt niet veel te verwachten, als hij al is te achterhalen. Het is een Fransman van wie de aanstaande moeder alleen de voornaam kent. Ze heeft hem bij McDonald’s ontmoet en ze heeft geen idee waar hij woont.

Een collega van ’t Oostpoort die in de buurt woont, houdt een oogje in het zeil. ‘Het meisje is van school gegaan, maar we laten haar niet vallen’, zegt juf Wiesje.

Gelukkig zijn niet alle problemen even ernstig. ‘Juf, mijn cavia is dood, waar kan ik hem begraven?’ Zoek een mooi plekje in een park, adviseert ze.

Soms blijft een stoel in de klas plotseling langdurig leeg. Problemen met de verblijfsvergunning kunnen de oorzaak zijn. Vaak gedoe met formulieren die te laat zijn ingeleverd, omdat de ouders zijn verdwaald in de Nederlandse bureaucratie. Even plotseling kunnen ze weer terug zijn.

En dan is er de huisvesting. Eén meisje treuzelt altijd bij het verlaten van de school. Ze woont met haar moeder op een kamertje bij het Leger des Heils en stelt het vertrek naar huis zo lang mogelijk uit.

Trudy Coenen, oud-docent van ’t Oostpoort en leraar van het jaar in 2010, schrijft in Spijbelen doe je maar thuis dat een meisje uit haar mentorklas thuis bij het raam huiswerk moest maken bij het schijnsel van een straatlantaarn.

Wat de leerkrachten telkens weer verrast, is de veerkracht van hun leerlingen. Ze wonen met z’n zessen op een tweekamerappartement. Of hoppen illegaal van adres naar adres. En toch komen ze naar school en maken ze hun huiswerk.

64 nationaliteiten telt het Montessori Lyceum Oostpoort, reden voor directeur Sander Jacobs om zijn school een werelddorp te noemen. Er zijn amper botsingen, er is weleens een vechtpartijtje om een vriendje, maar grote onrust en heftige incidenten blijven de school bespaard.

Volgens Albert Stavast komt dat doordat er niet één dominante cultuur is. ‘In de klas mixen ze heel makkelijk, daarbuiten zoeken ze elkaar op.’

Jacobs roemt zijn leraren. ‘Warmte, rust, begrip en geduld zijn de sleutelwoorden. Wat je geeft, krijg je terug. Leerlingen hoeven bij ons niet stoer te doen. Het gaat er hier over het algemeen zachtaardig aan toe. De straatcultuur hebben we buiten de deur kunnen houden.’

Contact op ooghoogte is het devies van ’t Oostpoort. Jacobs: ‘Niet: ik ben je vriend. Wel: we zijn even veel waard. En we zitten er bovenop. Ook dat hoort bij goede zorg.’

De buitenwereld is minder vriendelijk, blijkt als de maatschappelijke stage ter sprake komt. De klas van juf Wiesje heeft vorig jaar de brandweer in Amsterdam-Noord geholpen Amsterdammers over te halen hun huis te laten controleren op brandveiligheid. De leerlingen schoten het winkelend publiek aan en legden uit wat de bedoeling was.

Toen Mohamad uit Syrië een man aansprak, kreeg hij te horen: ‘Rot op, ik praat niet met Marokkanen.’ Andere leerlingen hebben soortgelijke ervaringen. Een kreeg te horen: ‘Je krijgt mijn adres niet. Je wilt zeker stelen.’

Juf Wiesje grijpt de lompe reacties aan om haar leerlingen op het hart te drukken altijd beleefd te blijven. ‘Zeg: jammer, fijne dag verder.’

David: ‘Je moet terugschelden, dan voelen zij wat wij voelen.’

Juf Wiesje: ‘Nee, je moet je niet verlagen tot hun gedrag. Houd de eer aan jezelf.’

Ze hamert er geregeld op geen straattaal te gebruiken. Haar leerlingen keken haar uitdagend aan toen een voorlichter van het COC het tijdens een gastles onbekommerd over neuken had.

Maandag 8 juni

Voor het eerst sinds de school weer open is ziet Juf Wiesje haar leerlingen. Twee keer per week komen ze een dagdeel naar school. De afgelopen weken voelde ze zich een soort reisbureau. Hoe kunnen haar leerlingen naar school komen, nu het ov wordt afgeraden? Kunnen ze fietsen? Hebben ze een fiets? ‘Gooi het in de appgroep van de kerk, misschien heeft iemand een fiets over.’

Tegen een leerling uit Curaçao die zegt dat hij moe wordt van fietsen: ‘Hallo, je woont nu in Nederland.’

Juf Wiesje benut de uurtjes die ze vandaag met haar klas heeft om de leerlingen hun hart te laten luchten. Verveling is het woord dat het vaakst valt. Tegen een meisje dat slecht slaapt: ‘Je moet naar buiten, sporten. Je ziet er wit uit.’

Tegen mij: ‘Het gaat nu om het samenzijn, even geen toetsen.’

Toch zit ze een enkeling achter zijn vodden. ‘Maak je aardrijkskunde af, dan ben je van het gezeur af.’ Tegen een leerling die nog meer aansporing behoeft: ‘Alsjeblieft, ga het doen. Wil je het voor mij doen?’ Vanachter het spatscherm op haar bureau geeft ze een high five. De leerling steekt aarzelend haar hand op.

null Beeld Adriaan van der Ploeg
Beeld Adriaan van der Ploeg

Een jongen die vaak verzuimt bij de online-lessen zegt dat hij niet kan inloggen omdat de elektriciteit thuis is afgesloten. ’s Avonds belt juf Wiesje zijn moeder. Er blijkt niks te kloppen van het verhaal. Juf Wiesje kan een lach niet onderdrukken.

Vrijdag 26 juni

Op de zesde verdieping in klaslokaal 604 bespreken tien docenten de resultaten van de leerlingen van S15. Ze zitten achter de in carré opgestelde lessenaars op anderhalve meter van elkaar. Gaan de leerlingen met juf Wiesje mee naar de tweede schakelklas kader/vmbo-t, gaan ze naar de (minder theoretische) schakelklas basis of blijven ze zitten?

Juf Wiesje vecht voor haar leerlingen. Die ochtend heeft ze nog met een moeder overlegd hoe haar zoon kan worden bijgespijkerd. ‘Zijn zus gaat hem helpen, hij heeft al aardige sprongetjes gemaakt. We moeten hem het voordeel van de twijfel geven.’

Een collega: ‘Het lijkt of hij zijn best doet.’

Juf Wiesje: ‘Hij dóét zijn best.’

Over twee andere bespreekgevallen: ‘Ik heb ze dit jaar zien groeien. Ik ben hartstikke trots op ze.’

Ook voor de grootste luiwammes van de klas breekt ze een lans. ‘Hij kan het en ik hoop het er volgend jaar uit te halen.’ Hij mag met haar mee naar de tweede.

Niemand blijft zitten, vier leerlingen gaan naar de schakelklas vmbo-t, twee naar die van de basis, twee stappen over naar het ROC.

Woensdag 19 augustus

Juf Wiesje heet haar nieuwe mentorklas welkom: S24. Eenentwintig leerlingen uit zestien landen van vijf continenten in de leeftijd van 13 tot 17 jaar. Ze zijn gemiddeld tweeënhalf tot drie jaar in Nederland.

Dertien van de twintig leerlingen van S15 zijn met haar meegegaan. De vakantie hebben ze totaal verschillend beleefd. Moest de een van zijn vader elke dag huiswerk maken, een ander zegt dat-ie voornamelijk heeft geslapen.

Woensdag 28 oktober

De groepsapp van klas S24 ontploft. Een van de leerlingen is positief getest op corona. Leerlingen die een kwartier of langer bij hem in de buurt zijn geweest, moeten zich melden. In luttele uren schieten 138 appjes over en weer.

’s Avonds staat de teller op dertien leerlingen die in quarantaine moeten, ze hebben bij de praktijklessen beeldende vorming en techniek met elkaar om een tafel gezeten. De volgende dag komen er nog vijf bij. Voor drie leerlingen blijft de klas niet open, de hele klas moet tot 9 november thuisblijven.

Er moet wel worden gewerkt. ‘Om 13:30 begint in Teams de rekentoets die jullie online moeten maken’, appt juf Wiesje de volgende ochtend.

Dinsdag 3 november

Moederziel alleen zit juf Wiesje om half negen in haar leslokaal. Haar leerlingen zitten thuis achter hun laptop. Voordat ze met de biologieles begint, wil ze het hebben over de onthoofding van haar Franse collega.

Ze start een fragment van het Jeugdjournaal, het is nog niet afgelopen of de discussie barst los. Als een meisje begrip toont voor de dader, buitelen enkele leerlingen over haar heen. Het loopt hoog op, leerlingen praten door elkaar heen en als ze in het vuur van hun betoog overschakelen op Arabisch, grijpt juf Wiesje in. ‘Ho ho, Nederlands graag.’

Mena: ‘Je mag niks lelijks zeggen over de profeet, maar je mag ook niemand vermoorden.’

Juf Wiesje: ‘In Nederland hebben we vrijheid van meningsuiting. Iedereen mag zeggen, schrijven en tekenen wat-ie wil.’

Een jongen: ‘Ik mag niks zeggen over homo’s en anderen wel iets over de profeet.’

Juf Wiesje: ‘Je mag zeggen wat je wil, maar je hóéft het niet te zeggen. Je moet je altijd afvragen of je iemand pijn doet. Dan kun je het misschien beter niet zeggen.’

Mena: ‘Onze profeet heeft gezegd dat we niet mogen moorden. Dat is geen islam.’

Juf Wiesje: ‘Wij hebben een superklas met moslims, christenen en niet-gelovigen en we kunnen het allemaal goed met elkaar vinden. Het belangrijkste is dat wij het goede voorbeeld geven.’

Er klinkt van diverse kanten instemmend gemompel.

‘En nu iets heel anders: de spijsvertering’, zegt juf Wiesje.

Na een kwartier theorie moeten de leerlingen opdrachten maken. Op een smartboard kan ze per leerling volgen hoe ver die is gevorderd. Ze houdt het tempo erin. ‘Ezzat, je zit niet in het bejaardenhuis. Kom op. Tempo.’

’s Avonds is er weer een persconferentie waarop premier Rutte strengere maatregelen zal aankondigen om corona eronder te krijgen. ‘Ik moet er niet aan denken dat we weer dicht moeten.’

Dinsdag 17 november

Weer staart juf Wiesje in een leeg lokaal naar het smartboard in haar leslokaal. Vandaag bespreekt ze met de ouders een voor een online het eerste rapport van dit schooljaar van hun kind. Zodra ze op de afgesproken tijd hebben ingelogd, verschijnen ouder(s) en kind groot in beeld.

Over veruit de meeste leerlingen is ze dik tevreden. Het woord ‘trots’ valt in bijna elk gesprek. Sommigen hebben een aanmoediging nodig. ‘Even knallen, dan is die 5 voor mediawijsheid ook weg.’ Een kritische moeder die vindt dat haar zoon te veel zesjes heeft, moet ze ervan overtuigen dat hij het goed doet.

Het meisje dat een 1 heeft voor aardrijkskunde laat ze aan haar vader uitleggen waardoor dat cijfer komt. Ze heeft haar opdrachten niet gemaakt. ‘Ga praten met de aardrijkskundejuf en vraag of je alsjeblieft nog één kans krijgt.’

De luiwammes van vorig schooljaar gooit er nog steeds met zijn pet naar. ‘Ik heb binnenkort rapportvergadering, vertel me maar wat ik tegen mijn collega’s moet zeggen.’ Daar hoeft hij niet lang over na te denken: ‘Ik ben boos op mezelf. Ik ga het beter doen, juf.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden