OPERARECENSIERodelinda

De klaagzang van Rodelinda maakt een dreigend gebrek aan vaart en vuurwerk weer goed ★★★☆☆

De voorstelling dreigt te smoren in gebrek aan vaart en vuurwerk tot Rodelinda’s klaagzang de lont in het kruitvat steekt.

Simultane taferelen in Händels opera Rodelinda.Beeld Monika Rittershaus

Heet de componist Georg Friedrich Händel, dan komt ze vroeg of laat: de aria die verbijstert. De barokopera Rodelinda (1725) zit al diep in de slotakte als Händel een klaagzang uitrolt, begeleid door droeve blokfluiten en fagotten. Daar staat Rodelinda, de koningin der Longobarden. Ze wil dood, nu ze meent te weten dat haar man Bertarido in een kerker is vermoord.

Ook staat daar, op het toneel van De Nationale Opera, de Britse sopraan Lucy Crowe. Van alle kansen om zo'n lamento te verknallen, kiest ze er geen een. Bij Crowe geen pathos, geen zelfmeelij, geen gesnik. Ze laat schrijnende dissonanten gewoon hun werk doen. Slechts even, met een hartverscheurende versiering, krijgt Rodelinda’s ellende de vrije loop. 

Natte oogjes, natuurlijk, bij een publiek dat verder vooral z’n hersens nodig had bij de intelligente, al te intelligente aanpak van regisseur Claus Guth. De Duitser had goede papieren. Eerder in Amsterdam zweepte hij Mozart en Verdi op en van Händels bijbelse oratorium Jephtha maakte hij inkervend muziekdrama.

Dit keer nam Guth een fatale beslissing. Hij vond in het libretto een zwijgend slachtoffer van de intriges aan het Longobardische hof:  Rodelinda’s zoontje Flavio. De jongen mist zijn verdwenen vader en zit bij bedreiging en geweld eerste rang. Zo ziet hij hoe zijn moeder de nieuwe heerser Grimoaldo overtroeft. Wil die zak met haar trouwen? Prima, maar alleen als hij het lef heeft Flavio hier en nu met blote handen te vermoorden.

Flavio tekent de trauma’s van zich af in Händels opera Rodelinda.Beeld Monika Rittershaus

Geen wonder dat zo’n joch trauma’s oploopt. Drie akten lang mag Flavio ze van zich af tekenen en in nachtmerries herbeleven. Geen kwaad woord over de geweldig mimende acteur Fabián Augusto Gómez, de kleine, volwassen Colombiaan die rondloopt in korte broek. Maar zijn voortdurende gekrabbel en gedroom leiden af van de door Händel zo geconcentreerd vertelde plot: hoe Rodelinda standhoudt tussen lafaards en schurken.

Ook die lijden onder de fixatie op het kindertrauma. Rodelinda’s man Bertarido scharrelt vaag over het toneel, weinig geholpen door de hyperverzorgde maar ondramatische stem van countertenor Bejun Mehta. De verse koning Grimoaldo krijgt bij de tenor Bernard Richter pas smoel als hij dronken rondzwalkt. En aan de schurk van het stel, dictator-in-de-dop Garibaldo, geeft de bas Luca Tittoto amper dreiging mee.

Zangers prikkelen te weinig, de regie te veel. Op de twee verdiepingen van een ronddraaiende villa vechten simultane gebeurtenissen om aandacht, tot soms wel drie tegelijk. Maar toegegeven, Guth vervlecht de nachtmerriescènes en geprojecteerde tekeningen virtuoos. En raak is de klaagzang van Rodelinda en Bertarido, vlak voordat hij wordt opgeslokt door de kerker. Bertarido staat links in het trappenhuis, Rodelinda zingt rechts op het balkon. Alleen hun stemmen omstrengelen elkaar.

Vanuit de orkestbak stuurt dirigent Riccardo Minasi het drama aan. De Italiaan die bij De Nationale Opera debuteert heeft met Händel een reputatie te verliezen. In de energieke ouverture slaat hij inderdaad het stof uit de oude noten, geholpen door de darmsnaren en historische blaasinstrumenten van het barokorkest Concerto Köln.

Daarna zwakt de opwinding af. Minasi tolereert soms lijzige spreekzang. In aria’s zet hij zangers het mes evenmin op de keel. De voorstelling dreigt te smoren in gebrek aan vaart en vuurwerk tot, op tweederde, Rodelinda’s klaagzang de lont in het kruitvat steekt.

Gewiekste scène is dat: na het eerste deel van de aria zakt sopraan Lucy Crowe door haar knieën en draait zich op haar rug. Ze stuurt haar geluid recht de toneeltoren in, spottend met de operawet dat een zanger zijn stem moet projecteren op de zaal. Op slag verschiet het lamento van kleur, alsof de muziek aan komt waaien uit een andere, blekere, oneindig droeve wereld. Een meesterzet.

Rodelinda

Opera

★★★☆☆

Van Georg Friedrich Händel, door ClauRs Guth (regisseur) en Concerto Köln o.l.v. Riccardo Minasi. 14/1, Nationale Opera & Ballet, Amsterdam. Daar t/m 28/1.

Nachtmerriescène in Händels opera Rodelinda.Beeld Monika Rittershaus

De sensuele triller van Francesca Cuzzoni

Händel schreef de titelrol van zijn opera Rodelinda op de gezegende keel van de Italiaanse sopraan Francesca Cuzzoni (1696-1778). Ze werkten in Londen een paar seizoenen succesvol samen, al verliep hun kennismaking stroef. Toen Cuzzoni bij een repetitie weigerde een bepaalde aria te zingen, greep Händel haar bij de pols. Hij dreigde haar uit het raam te smijten. ‘Ik weet, mevrouw, dat u een duivelin bent, maar hierbij deel ik u mede dat ik de opperduivel ben!’

Cuzzoni werd geroemd om haar zuivere, heldere geluid, met als specialiteit de langzame, sensuele triller. De jurk die ze in 1725 bij de première van Rodelinda droeg – bruine zijde met zilveren garneersel – maakte furore onder de Londense chic. Als zangeres verdiende Cuzzoni een fortuin, maar als 82-jarige knopenmaakster stierf ze in bittere armoe.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden