ColumnAnna van Leeuwen

De keerzijde van de inclusieve inhaalslag: kunstenaars als oppervlakkige window dressing

null Beeld

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, ­muziek, theater of beeldende kunst.

Het was wel nieuws, maar nieuw was het niet. Vorig week verkocht het Amerikaanse casino-imperium MGM Resorts meer dan elf Picasso’s om de kunstcollectie te ‘diversifiëren’. De bijna 100 miljoen euro die de veiling heeft opgeleverd zal worden besteed aan kunstwerken ‘gemaakt door vrouwen, mensen van kleur, lhbti-kunstenaars en kunstenaars met een beperking.’ Eerder werden om dezelfde redenen kunstwerken verkocht in musea in Baltimore en San Francisco.

In San Francisco ging het in 2019 om een schilderij van Mark Rothko, waarmee 43 miljoen euro werd verdiend. Met dat geld werden ten minste elf nieuwe kunstwerken aangekocht die zijn gemaakt door vrouwen en kunstenaars van kleur. In Nederland zijn zulke verkopen niet voorgekomen, maar van een inclusieve inhaalslag, bijvoorbeeld in de aankopen en programmering, is overal duidelijk sprake. Terecht en goed.

Toch kent deze inhaalslag risico’s. Kunstenaars kunnen worden gebruikt voor oppervlakkige window dressing: kijk ons eens even divers bezig. Daarnaast lijkt het alsof de kunstenaars om – eindelijk – gezien te worden geacht worden expliciet te laten zien hoe zij afwijken van de norm. Want hoe zien we eigenlijk aan een kunstwerk of het gemaakt is door een zwarte kunstenaar, een transvrouw en/of iemand in een rolstoel? Mogelijk is dat helemaal niet te zien. In dat geval maakt die kunst weinig kans te profiteren van deze inhaalslag.

De kunstwerken die nu als eerste uit ateliers worden geplukt gaan juist over de identiteit van de maker. Voor een collectie of kunstinstelling is het daarmee makkelijk scoren. Maar het is gemakzuchtig en vooral: wéér hokjesdenken. Kunstenaars worden er niet vrijer van in hun onderwerpkeuze en aan structurele ongelijkheid wordt zo niks aan gedaan. Het leidt ook tot vreemde vertekeningen. Neem de schilderkunst: het lijkt alsof schilders van kleur tegenwoordig vrijwel uitsluitend kunst maken over mensen van kleur. Alsof zij verplicht portrettisten zijn en witte kunstenaars geen gezichten meer schilderen.

Voor de toeschouwers heeft het ook iets pervers, die bovenmatige interesse in iemands afkomst, liefdes- en seksleven en medisch dossier, waarin we geacht worden via het kunstwerk te delen. Exposities worden voorzien van uitgebreide biografische informatie, waarin het leed van de kunstenaar expliciet en uitvoerig wordt vermeld. Tentoonstellingsbezoek kan dan gaan lijken op ‘traumatoerisme’, zoals een vriendin van me het noemt.

Misschien was het daarom zo’n verademing voor mij om in Londen de Summer Exhibition in de Royal Academy of Art te zien. Deze tentoonstelling met open inschrijving is een jaarlijkse traditie (sinds 1769!). Maar liefst 1.382 kunstwerken werden dit keer in de zalen van het instituut opgesteld.

Die kunstwerken, van amateurs en van topkunstenaars dwars door elkaar, hebben geen titelbordje maar een nummer. In een klein boekje staat wie het heeft gemaakt, wat de titel is, de techniek en ook de prijs, want vrijwel alle kunstwerken zijn te koop. That’s it. Dat nodigde uit tot een vrijere manier van kijken, zonder die vernauwende koker van biografische informatie.

Internationaal lijkt het tij overigens te keren. Zo neemt de aandacht voor Afro-Amerikaanse schilders die abstracte kunst maken toe, las ik in The New York Times. Wie weet waait die trend binnenkort de oceaan over.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden