Reportage Jazz

De jazz is terug aan de West Coast: een bezoek aan de bloeiende scene van Los Angeles

Pianist Eric Reed na een optreden in The Jazz Bakery. Beeld Eva Roefs

Zestig jaar geleden verscheen West Coast, de bundel jazzgedichten van C. Buddingh’. De Amerikaanse westkust zou de maker zelf nooit bereiken, maar John Schoorl nam de bundel mee op reis naar Los Angeles, om daar samen de jazzscène te verkennen.

Er glijdt een tweedehands Ford door nachtelijk, regenachtig Los Angeles, met de Nederlandse jazzdrummer Kevin van den Elzen aan het wiel, en er komen viriele bam-bam-ritmes uit de speakers. Waar hij naartoe gaat, is het te horen, het opwindende geluid van de nieuwe jazzhoofdstad van Amerika.

Downbeat, het gezaghebbende Amerikaanse jazzperiodiek, had het zelf gezegd, en schoof de schuiftrompet helemaal open: de jazzscene van LA bloesemt als in zijn beste jaren. De West Coast (Los Angeles en omstreken) beleeft een up swing en is back on the beat, en de East Coast (New York) heeft het nakijken.

Kan ik het helpen, maar dan denk ik aan de Dordtse dichter C. Buddingh’(1918-1985), en zijn zestig jaar geleden verschenen dichtbundel West Coast. Dit boekje stond zijn hele gepubliceerde leven in de kast, ook in de mijne, maar nu was het moment gekomen om zijn jazzpoëzie West Coast  mee te nemen naar de West Coast.

Dit gebonden arsenaal van twintig jazzgedichten gaat mee op reis, en ligt nu braaf in een tas voor in de Ford van Kevin van den Elzen te wachten wat gaat komen. Zelf heeft Buddingh’ nooit dromerig over de Pacific Coast Highway gereden, luisterend naar de opgewekte blazers van West Coast-jazz-edelen als Chet Baker of Art Pepper. Een aanbod om Writer in Residence te worden in Amerika wees hij af, vliegen was ondenkbaar voor hem.

Zijn West Coast bleef in de jaren vijftig een poëtisch vergezicht, met coole swing uit ’s mans eigen grammofoon.

Zoals Van den Elzen behendig, in een sportieve rijstijl, door het uitgestrekte wegennet van Los Angeles manoeuvreert, van Hollywood naar Santa Monica, zo gaat het ook met zijn opwaartse vibraties in de LA-jazzscene. Alsof de stad, in die vier jaar dat hij hier resideert, al geen geheimen meer heeft.

Deze ochtend was goed te zien dat je hem geen jazzrookie kunt noemen, in lokale kring. Oefenend in een ruimte in het legendarisch gebouw van de muziekvakbond (anno 1897) in het oosten van Los Angeles zette hij de lijnen uit voor de muzikanten in de door hem opgerichte VDE Band, maar het had ook de LAHO Group kunnen zijn, een eveneens door hem in het leven geroepen big band.

Zijn 78-jarige altsaxofonist Kim Richmond heeft nog bij bigbandreus Stan Kenton geblazen, maar luisterde zorgvuldig naar de aanwijzingen van de 27-jarige Kevin, geboren in Oss.

Als 3-jarig ventje kroop Van den Elzen achter vaders drums op zolder, en begon met meppen, zoals hij het noemt, om daar nooit meer mee op te houden. Dat hij in Los Angeles is gekomen, had vooral te maken met zijn vurige wens om de studeren bij Peter Erskine (onder meer van Weather Report), in zijn optiek de beste drummer ter wereld, hetgeen hem lukte in 2015.

Jazzdrummer Kevin van den Elzen oefent met de door hem opgerichte VDE Big Band. Beeld Eva Roefs

‘Zo ben ik blijven hangen’, zegt hij. ‘Dat viel in het begin niet mee. De competitie is hier heftiger, je hebt zoveel goeie drummers, dus je wordt vanzelf ook beter. Ook ben ik doortastender geworden: ik moet harder werken om iets voor elkaar te krijgen.’

Ga er maar aan staan, als onbekende Nederlandse drummer in een megamuziekstad als Los Angeles. Eerst was het van, wie is die gast dan? Een Nederlander? ‘Toen ze in de gaten kregen dat ik wat kon, ging het vanzelf. Dan word je dus gevraagd. Het heeft tijd nodig, maar nu weten ze me te vinden.’

Jazzdrummer Kevin van den Elzen achter zijn drumstel. Beeld Eva Roefs

Op de rol staan de komende tijd gigs in Oost-, West- en downtown Los Angeles, en nu is hij op weg naar The Jazz Bakery, waar pianist Eric Reed met een stel jonge jazzhonden los zal gaan. Met diezelfde Reed speelt Van den Elzen eerdaags in The Blue Whale – de hipste jazzclub van de stad, en tevens de hotspot waar deze schemerige roadtrip heen voert.

Djzinggggg-bam-djzingggg, klinkt er uit de speakers.

Noem Los Angeles een stad van bulldozers, maar telkens popt de jazzmuziek weer op, ergens. De jazz is een frisbee die door de tijd vliegt, die decennia overbrugt en er altijd is, ook als hij even niet zichtbaar is. Zo gaat het al sinds the roaring twenties. In de jaren veertig was het een bescheiden strookje straat, de Central Avenue, in het centrum van de stad, waar de jazzcats van club naar club konden, jumpin’ & jammin’. Lokale grootheden als Charlie Mingus en Dexter Gordon deden hier hun snuffelstages.

In etablissementen als The Lighthouse en The Haig ontstond in de jaren vijftig een zonnige, swingende sound, passende bij de razende economische vooruitgang van Californië, de West Coast-jazz, soms ook cooljazz genoemd. Daarna werd het begrip ‘West Coast’ muzikaal gezien vooral geassocieerd met achtereenvolgens hippies (The Doors), singer-songwriters (Joni Mitchell) en rappers (Dr. Dre).

Vaandeldrager van de hervonden suprematie, zoals die nu wordt beleefd aan de westkust, is saxofonist Kamasi Washington, wiens debuut The Epic (2015) wordt gezien als een keerpunt. ‘Sinds Kamasi is hier veel veranderd’, zegt Van den Elzen. ‘Hij speelde met zijn vrienden van de West Coast Get Down twee keer per week in de Piano Bar. Dat was echt iets heel nieuws, zo veel energie en ambitie. Er waren rappers die meededen, gasten van het Brainfeeder-muzieklabel, zoals Thundercat en Flying Lotus. Muzikanten van buiten Los Angeles wilden het zien. Ik viel wat dat betreft met mijn neus in de boter.’

Dan parkeert hij zijn auto bij The Jazz Bakery – en nu allemaal buigen voor Ruth Price, de hoogbejaarde hogepriesteres van de LA-jazz. In de magere jaren was deze zangeres (nu 81) de enige constante factor met haar club, daar was jazztechnisch altijd wat te beleven. Als je haar een hand geeft, krijg je er speeddate met de Amerikaanse jazzgeschiedenis bij.

Eric Reed (48) is een zoon van LA maar dacht als pianist het in New York te moeten zoeken, twintig jaar geleden. Nu is hij weer thuis, zegt hij, voordat hij zijn jeugdige sidekicks introduceert op het podium. Behalve dat hij weer terug is gekomen, verhuisde ook een vermaarde jazzopleiding, The Herbie Hancock Institute of Jazz, van New Orleans terug naar Los Angeles, vijf jaar geleden, en nu stroomt de stad over, volgens Reed, van prille muzikale virtuositeit .

John Coltranes A Love Supreme wordt ingezet, en je gelooft je oren niet. ‘Hè, wa wa wat? Mozesssss. Waanzinnigggg!!!!’, schrijf ik op. Ene Chris Lewis, nog in opleiding zeggen ze, blaast met zijn sax de scheiding in je kapsel. Yeah, legt Reed naderhand uit, je kunt wel denken dat wij hier alleen Disneyland en Hollywood hebben, maar wij aan de westkust hebben dus ook de jazzzzzzz. ‘Wij hier zijn vitaal, wij hebben wat te zeggen!’

Met de West Coast-bundel van Buddingh’ in zijn hand wordt na het optreden een foto gemaakt. Reed bladert er even in, en blijft hangen op het woord ‘penis’, in het gedicht Balcony Rock. ‘Gaan die gedichten over jazz en penissen?’, wil hij weten.

Straight life

Er blaft een hond, op het terrein van haar huisje in Silver Lake, Los Angeles, en daar komt ze zwierend aanlopen, Laurie Pepper. Ja, die Laurie Pepper, de weduwe van saxofonist Art Pepper (1925-1982). Als ik nu even wat mag zeggen: voor mij is Art Pepper de allergrootste jazzmuzikant ever en is Straight Life, dat hij samen met Laurie schreef, het allerbeste jazzboek – zo, dat is eruit. Je snapt dan wel dat als je een verhaal maakt over jazz in Los Angeles, het volstrekt krankzinnig is om de meest westkust-achtig blazer, en zijn nog levende muze, niet aan te stippen.

Lauri Pepper, weduwe van altsaxofonist Art Pepper. Beeld Eva Roefs

In Straight Life doet het echtpaar verslag uit de goot van LA-jazz-scene, met Art als de jazzy brekebeen, bovenmatig getalenteerd, maar met een destructieve inborst. Ja, ze zagen er zo schoongeboend uit, die West Coast-blazers , maar net als iedere muzikant in de jaren vijftig, dachten ze heroïne te moeten gebruiken, om als Charlie Parker te kunnen klinken. Voor Art Pepper was de dope liefde op het eerste gezicht, elk vies hoekje van Los Angeles speurde hij af naar smack. De rest van zijn relaas rolde van gevangenis naar afkickcentrum, werd even clean, ontmoette Laurie, maakte een comeback, raakte aan de coke en de drank – totdat zijn hart er genoeg van had, op 56-jarige leeftijd.

Samen met de grootste Art Pepper-fan, de Belg Rocco Bertels, verzorgt Laurie Art Peppers muzikale nagedachtenis. Hij beschikt over de meest gedetailleerde database over de altsaxofonist, elke muzikale beweging heeft Bertels gedocumenteerd. Vanuit de garage van Laurie’s huis wordt platenlabel Window’s Taste gerund, waarop ze vergeten concerten op cd uitbrengt.

‘Nu zorg ik nog steeds voor hem’, zegt ze, terwijl ze in de lucht zwaait met de nieuwste cd, een opname van een concert in Toronto in 1977. ‘Net als toen hij nog leefde. Hij was een erg ouderwetse man, en ging er maar vanuit dat ik alles regelde. Ik zie hem nog steeds als een genie, volkomen toegewijd aan de jazz. Maar waarom vermoordde hij zichzelf, langzaam en doeltreffend? Dat heb ik eigenlijk nooit begrepen.’

Laurie ontmoette Art in een afkickkliniek in Santa Monica, waar ze beiden van hun drugsverslaving probeerde af te komen. ‘Hij liep daar achter me aan’, vertelt ze. ‘Ondanks dat-ie een junk was, zag hij er nog heel goed uit. Ik wist wie hij was, ik beschouwde hem als een minor celebrity. Niks moest ik van hem hebben. Well, toen ik hem hoorde spelen in de gevangenisband, was ik om. So pretty, so lyrical.’

Art was LA niet uit te krijgen, zegt ze. Toen hij eindelijk een keer geboekt was in de Village Vanguard in New York, in 1977, werd hij ‘mad as hell’. Want wat stelde hij dan voor, als blanke junkie uit het westen, zei hij Laurie. Hij zou worden uitgelachen, hij was toch geen Miles Davis. De hele wintervoorraad coke en pillen ging er doorheen. ‘Maar toen hij eenmaal op het podium stond, leek hij verlost te zijn. Voor zijn gevoel speelde hij over de top, maar dat was net het zetje dat hij nodig had. Opeens begreep hij dat hij toch buiten Los Angeles kon spelen.’

Als je wilt horen hoe goed Art Pepper was, ook nog een jaar voordat hij de geest gaf, moet je Everything happens to me luisteren – dat is wat Laurie zegt, en zet het nummer op, in haar huiskamer. Het is een opname uit augustus 1981, in de Maiden Voyage Club in zijn stad, Los Angeles. Laurie Pepper leunt achterover, met haar ogen dicht, bijna een kwartier lang. ‘Hij luisterde nooit naar zichzelf, hij keek liever naar sport op televisie’, zegt ze, na de laatste noten. ‘En die ene keer dat hij het wel deed, zei hij van zichzelf: ‘Ben ik dat? Ben ik gek geworden of zo?’’

The Blue Whale

Saxofonist Ben Wendel. Beeld Eva Roefs

Kevin van den Elzen geeft bij het afscheid Eric Reed een hug, en weg is de Ford, op weg naar The Blue Whale. ‘Wat je nu gaat zien, is het beste wat de jazz op dit moment te bieden heeft’, zegt hij, en er zit niks op dan hem als Los Angeles-insider te geloven. Saxofonist Ben Wendel speelt met zijn Seasons Band, en geniet ervan, wil hij maar zeggen.

The Blue Whale is in een soort winkelcentrum in Little Tokyo, in het centrum van de stad. Een met jeugdig jazzvolk afgeladen uitspanning, her en der wat zitplaatsen, een goed bezette bar voorin. Van Ben Wendel kan je zeggen dat hij er aangeharkt uitziet, maar de vrees dat hier een potje binnen-de-lijnenjazz tot ons gaat komen, neemt hij per ommegaande weg. Bafffff! Hij voert je op ongekende manier door de seizoenen, alsof hij een geheime route kent, tussen de linies door, en dat samen met een geweldige pianist, gitarist, bassist en een drummer. Een drummer? Eric Harland is...wat is hij eigenlijk, behalve adembenemend? Het lijkt wel alsof hij aan het wokken is met zijn drumsticks. Bij elke noot zoekt hij een passende tik, kort, verrassend, het is onmogelijk om niet naar hem te kijken, en achter Harland staat een rij bewonderaars om elke beweging van hem op te nemen.

Kevin van den Elzen staat te glunderen met een biertje in de hand, met een blik van, nou, wat heb ik je gezegd?

Er moet iets in de Brother Thelonious Abby Ale hebben gezeten, want het is alsof na het optreden een klankschaal in mijn hoofd resoneert.

Ben Wendel heeft nergens last van, beleefd en charmant neemt hij voor iedereen de tijd voor een praatje. In afwachting check ik snel zijn achtergrond. Oké, Wikipedia kom maar door! Grammy genomineerd. Richtte Kneebody op. Speelde met Snoop Dogg en Prince. Voorloper van een nieuwe jazzgeneratie. Vernieuwer. Awards. Optredens in North Sea Jazz etc…Oké, duidelijk, een grootheid dus, die ik even had gemist.

Staand voor de wc neemt hij even de tijd, en het gaat over Los Angeles, de stad waar hij muzikaal is opgegroeid. Hoe hij met Thundercat en Kamasi Washington in Leimert Park speelde, en de jazzscene is veranderd, in vergelijking met tien jaar geleden. Zelf woont hij nu in Brooklyn, en verkeert in ‘a bicoastal existence’, hij is van man van de oost – en de westkust geworden. ‘In LA voel je minder druk dan in New York’, zegt hij. ‘Daar moet je het echt laten zien. Hier zijn ze losser en opener en krijg je de muzikale ruimte om je eigen stem te vinden. Dat is de LA-vibe, dat is wat je hoort.’

Ben Wendel houdt de bundel West Coast voor de foto vast, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Ik denk dat C. Buddingh’ over Wendels compositie March een onstuimig gedicht zou hebben geschreven, verward door de storm in zijn oren.

Dan gaat de bar dicht, ook dat is Los Angeles, een jazz night eindigt nooit diep in de nacht. Kevin van den Elzen start de Ford, het regenen is opgehouden. Uit de speakers klinkt de nieuwe cd van bassist Jake Leckie, met wie de Ossenaar optreedt.

Pep-de-dep-dfffffffff.

Hij zit hier goed, in Los Angeles, zegt Van den Elzen, op weg naar Hollywood. Nog een paar jaar en dan moet hij er zijn, naar wat voor de top van de Mount Everest van de jazz is: spelen met big bands in de filmstudio’s. Net als Peter Erskine, zijn grote voorbeeld. ’Dat is voor mij het hoogst haalbare.’

De Ford stopt op Hollywood Boulevard, stil en verlaten, afgezien van een stel daklozen. De reis zit erop voor West Coast, en ik stop de bundel terug in de tas. Had ie dat toch mooi mee gemaakt, C. Buddingh’, postuum, en daarom mag hij de nacht afsluiten met het gedicht Happy Little Sunbeam, naar een nummer van het Chet Baker Quartet.

‘Toen mijnheer pimpom niet slechts

onder een appelboom lag maar

ook nog een slang zag kruipen

schreef hij verheugd aan zijn moeder

ik ben in het paradijs’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden