De Indonesische Mussert - of niet?

WAAROM HEEFT Lambert Giebels het eerste deel van zijn biografie van Soekarno de ondertitel Nederlandsch onderdaan meegegeven? Formeel was hij dat natuurlijk, tot het moment van de soevereiniteitsoverdracht, eind december 1949 - al had de uitgangs-ch vanwege de nieuwe spelling al sinds 1934 mogen worden geschrapt....

Dat lijkt me moeilijk vol te houden. De relatie van Soekarno met het toenmalige moederland was een gecompliceerde variant van wat we kennen als een haat-liefde-verhouding, maar hij zou eerder z'n tong hebben afgebeten dan zichzelf een onderdaan of zelfs maar een landgenoot van koningin Wilhelmina te noemen.

Giebels' typering geldt vermoedelijk ook niet zozeer de man, als wel de politieke context waarbinnen hij opereerde: als een rebel tegen de gevestigde macht, die werd gevormd door het Nederlandse koloniale bewind. Dat bewind reageerde in 1929 op Soekarno's rebelse activiteiten zoals het gewend was te doen tegenover elke ongehoorzame onderdaan: met arrestatie, met een proces, met een veroordeling, met een straf - en toen hij een paar jaar later in recidive verviel eenvoudig met een verbanning waaraan niet eens meer een rechtszitting te pas kwam.

Over de juridische en vooral de morele rechtmatigheid van de koloniale repressie jegens Soekarno en duizenden andere 'ongezeggelijke' Indonesiërs - maar ook over de juridische en morele rechtmatigheid van hun toentertijd strafbare rebellie - is nog jaren geredetwist. Maar na 1945 is die discussie allengs verbleekt in het licht van een veel fundamentelere: had de Nederlandse onderdaan Soekarno gecollaboreerd met de Japanse bezetters?

Nog in 1985 moest Lou de Jong zich tegenover deskundige meelezers van zijn deel 11B verantwoorden voor het gebruik van de term collaboratie (zelfs 'vergaande collaboratie') die in de ogen van sommigen te zeer vanuit een Nederlands gezichtspunt werd toegepast, en te weinig rekening hield met 'de complexe relatie van de Indonesische politieke elite met de koloniale overheid, c.q. de bezettende macht'.

De Jong hield voet bij stuk ('ik kan mij de luxe van twee normenstelsels niet veroorloven'), maar paste z'n definitieve tekst in zoverre aan dat hij alsnog een genuanceerd onderscheid formuleerde tussen collaboratie 'in het algemeen', en die van Soekarno in 't bijzonder. Maar hij bleef bij z'n opvatting dat de nederlaag van Japan in het belang was geweest van alle volkeren van Oost- en Zuidoost-Azië, en dat Soekarno jarenlang tegen dat belang in - dus verwijtbaar - had gehandeld.

Wat vindt Giebels ervan?

Je zou zeggen: we zijn intussen weer vijftien jaar verder, oude emoties zijn nóg weer ouder geworden of misschien wel half uitgestorven, nieuwe inzichten kunnen zijn gerijpt, en de verse visie van iemand die zich tot dusver niet uitgesproken in de discussie heeft gemengd, zou verfrissend kunnen werken.

Maar Giebels geeft niet erg thuis.

Het aan Soekarno gegunde epitheton Nederlandsch onderdaan zou erop kunnen wijzen dat wat hem betreft de innige samenwerking van de voormalige rebel met het Japanse bestuur (en hij laat er geen twijfel over bestaan dat die samenwerking innig was) wel degelijk vanuit een Nederlands gezichtspunt beoordeeld, en dus veroordeeld mocht worden. En als hij toe is aan de jaren van de Japanse bezetting, leidt hij het desbetreffende hoofdstuk in met drie merkwaardige zinnetjes:

'In een Nederlandse biografie van Soekarno', schrijft hij, 'vormt de Japanse periode een gevoelige periode. 'Een Indonesische Mussert', is hij genoemd. Soekarno heeft tegenover de Japanse bezetter een koers gekozen die hij tegenover het Nederlandse koloniale bewind had geweigerd, namelijk die van coöperatie.'

Zulke halfvrome, omzichtige woorden verwacht je van een Nederlandse minister die een gezelschap oud-Indischgasten op een 15-augustus-herdenking toespreekt. Maar van een historicus?

En wil hij eigenlijk impliceren dat Soekarno in de jaren dertig tegenover het Nederlandse bewind beter ook een koers van coöperatie had kunnen volgen?

Het blijft vaag.

In dezelfde passage lezen we even verderop: 'De grote droom, onafhankelijkheid verwerven, desnoods als Japanse vazalstaat binnen de Groot Oost-Aziatische Welvaartssfeer, heeft Soekarno's tactiek bij zijn samenwerking met de Japanse 'oudere broer' bepaald.'

Dat inzicht had Lou de Jong ook al, maar die ging niet zo ver om te suggereren dat Soekarno eventueel genoegen zou hebben genomen met een 'onafhankelijk' Indonesië onder Japanse curatele. Daar is geen enkele aanwijzing voor - niet in de oudere Soekarno-literatuur, maar ook niet bij Giebels zelf.

Zijn boek is de eerste Nederlandse biografie van Soekarno - beter laat dan nooit, zou je zeggen. Het betekent overigens niet dat Soekarno tot dusver in onze (inderdaad laat op gang gekomen) Indië-Indonesië-literatuur zou zijn verzwegen.

De Jong was in 11B van zijn grote geschiedschrijving al dicht in de buurt van een mini-biografie en kwam in 12 nog eens uitvoerig op hem terug bij de beschrijving van het dekolonisatieproces. Rond dezelfde tijd passeerde hij als belangrijke achtergrondfiguur de revue bij Bank (over de rot van de katholieken) en Jacquet (over de rol van VVD-minister Stikker).

In de jaren daarna zouden Soekarno en de ondergang van het oude Nederlands-Indië nog een aantal keren uitvoerig aan de orde komen in studies van historici als Van den Doel, Drooglever, Fasseur en J.J.P. de Jong, terwijl langzaam maar zeker ook het bronnenmateriaal over de Nederlands-Indonesische betrekkingen tussen 1945 en 1950 (twintig delen) gepubliceerd raakte.

En dan was er nog Giebels zelf, die in zijn Beel-biografie van 1995 uiteraard niet aan de Indonesische nationalisten en de toenmalige Nederlandse kabinetten voorbij kon en die in dat boek al de vraag stelde of Soekarno en Hatta collaborateurs waren geweest om het antwoord te beperken tot het weinigzeggende zinnetje: 'Niet in hun eigen ogen.'

Hoe dan ook - we beschikken over een overvloed aan materiaal dat van Indonesische kant al vroeg is aangevuld met overwegend persoonlijke herinneringen van Sjahrir, Hatta, Adam Malik en Abu Hanifah, én met de 'autobiografie' die Soekarno aan zijn aantrekkelijke Amerikaanse bewonderaarster Cindy Adams dicteerde, en die zich nog altijd laat lezen als de amusante mix van een heldenepos en een schelmenroman.

Was er voor Giebels nog iets nieuws over?

Het valt niet mee.

De auteur wijt dat onder andere aan de geslotenheid van de Indonesische archieven, waar 'nog steeds het stelselmatig doodzwijgen van de gevallen president doorwerkt: vele gegevens van de voormalige president worden als staatsgeheim beschouwd'.

Het gevolg is dat het verhaal van de jeugd, de fascinatie voor de wajangsprookjes, de eerste contacten met de koloniale meesters en de nationalistische leermeesters, de schooljaren, de ingenieursopleiding en de radicale keuze voor non-coöperatie wordt verteld aan de hand van enigszins herschikte bekende feiten - zonder dat aan het goeddeels door Soekarno (via Cindy Adams) zelf ontworpen portret iets relevants wordt toegevoegd.

Giebels neemt er de tijd voor. In z'n boek over Beel maakte hij z'n voorkeur voor het schrijverschap al kenbaar. 'De biografie is een literair genre', citeerde hij Hella Haasse, en in aansluiting meende hij: 'Gelijk een roman een gefantaseerde biografie is, zo is de biografie een gedocumenteerde roman.'

Die hang naar literatuur, vermengd met vleugjes neo-jezuïtische psycho-genese uit de school van Teilhard de Chardin, maakt het geschrevene er niet transparanter en zeker niet spannender op. Er is trouwens nog een ander beginsel dat Giebels in Beel zei te huldigen: 'De biograaf die verteller wil zijn, moet naar mijn mening terughoudend zijn in het geven van een eigen oordeel.'

Waarmee dan verklaard is waarom hij zo besluiteloos blijft als het gaat om een weging van Soekarno's motieven en diepste roerselen: niet alleen ten aanzien van de omstreden collaboratie, maar ook waar het gaat om zulke nooit helemaal opgeloste zaken als de wanhoopsbrieven uit de Soekamiski-gevangenis waarin hij aan het Nederlandse gezag absolute gehoorzaamheid beloofde in ruil voor z'n vrijlating, of de precieze aard van de vierhoeksverhouding tussen Soekarno, de ambtelijke Hatta, de 'halve Hollander' Sjahrir en de Japanse bezettingsautoriteit. Giebels beschrijft de diverse affaires meer dan ampel, zonder ooit echt to the point te willen komen.

Wel analyseert hij met veel empathie de wonderlijke melange (tot en met katholieke invloeden die Soekarno tijdens z'n verbanning op Flores zou hebben ondergaan) van geleende denkbeelden over marxisme, nationalisme en islam, waaruit de latere president niet alleen zijn eigen levensbeschouwing, maar ook de Indonesische 'staatsfilosofie' van de Pantja Sila moet hebben gevormd.

De schrijfinspiratie lijkt de auteur een beetje verlaten te hebben als hij na de oorlogshoofdstukken (waarin hij Soekarno's kwalijke aandeel in de zaak van de Indonesische dwangarbeiders aan de hand van nieuwe cijfers relativeert) is toegekomen aan de jaren van de dekolonisatie. De laatste honderddertig bladzijden van het boek verlopen enigszins in opsommerigheid.

De kleurrijke held - want dat blijft hij natuurlijk - verdwijnt naar de achtergrond van de diplomatie waarin hij nauwelijks een actieve rol heeft gespeeld, en we hebben te maken met een proces dat in ieder geval van Nederlandse (en Engelse) kant volledig lijkt uitgespit en waarover Giebels nog eens een haast obligaat licht laat schijnen: noch over de Hoge Veluwe, noch over Linggadjati en Renville, noch ook over de twee politionele acties heeft hij bijzonderheden te melden die we niet al bijna uitentreuren in eerdere publicaties aan de orde hebben zien komen.

Zou het waar zijn wat hij in z'n woord vooraf meldt - dat ten tijde van de val van Soeharto de verering voor Soekarno in Indonesië was gestegen tot een 'letterlijke' heiligverklaring, 'die afstraalt op Soekarno's oudste dochter Megawati'?

Juist in deze weken zie je dat veel westerse en misschien meer speciaal Nederlandse opvattingen over Indonesië op de helling moeten. En in dat opzicht spreekt Giebels in de epiloog van z'n boek nog een behartenswaardige gedachte uit: zonder het militaire verzet dat zich tussen 1947 en 1949 sterk leerde maken tegen de troepen van de oude kolonisator, zou het leger in Indonesië misschien nooit de ongezonde macht hebben kunnen verwerven die het nu nog steeds heeft, en zou het land mogelijk geen politiestaat zijn geworden.

Dat is van het boek dan de 'actuele' boodschap, die in deel II verder uitgewerkt zal moeten worden - zonder dat we er veel illusies over mogen koesteren dat tegen die tijd het staatsgeheim op de coup van 1965 zal zijn opgeheven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden