De illusionisten van Nederland

Uit Dit is Nederland, waarin criticus Hans den Hartog Jager tachtig door hem uitgekozen meesterwerken bespreekt, komt een Nederland tevoorschijn niet zoals het is, maar zoals wij het graag zien....

Onlangs legde een Afghaanse tolk me in een lawaaierig Turks restaurant in Berlijn met behulp van een potlood en een vodje papier uit wat de Boeddhabeelden voor hem en zijn volk hadden betekend. Die Boeddhabeelden van Bamiyan, in 2001 door de Taliban opgeblazen, kwamen onder zijn handen tot leven en brachten tranen in zijn ogen. Ter plekke strafte hij de molesteerders alsnog voor het uitrukken van zijn hart. Ter plekke rezen de beelden als nieuw op.

Zou een Nederlander dat ooit doen? De Nachtwacht, het orgel van de Sint Bavo of de Deltawerken aan een vreemde tafel, in een ver buitenland en ten overstaan van een onbekende zo beschrijven, dat de vonken van de begeestering eraf vlogen? Kleine kans. Zelfs als onze monumenten worden beklad of verwoest, zoals het Auschwitzmonument van Jan Wolkers tot zes keer toe overkwam, zuchten we bij het nieuwsbericht en gaan we over tot de orde van de dag. Hoewel – het afgelopen jaar ontstond wél grote beroering over een kunstenaarsoptocht in Eindhoven, die het fenomeen Zwarte Piet aan de orde wilde stellen. Voor Zwarte Piet willen wij wel op tafel slaan.

Maar door de bank genomen heeft ‘het cultuurrelativisme de afgelopen honderd jaar grote hoogten bereikt’, schrijft auteur Hans den Hartog Jager in Dit is Nederland – in tachtig meesterwerken. Zijn boek, een ideaal eindejaarsplatenboek met tachtig beroemde Nederlandse schilderijen, wil van die koele houding af. Onverbloemde bewondering voor, en oprechte dweperij met Nederlands beroemdste schilderijen zijn erin te vinden. Het boek had Trots op Nederland kunnen heten, als die naam niet al gekaapt was.

De Hartog Jager dekt zich van tevoren in: dit is géén canon, ‘meesterwerk’ is hier beperkt tot ‘schilderijen’. Rembrandt en van Gogh stonden buiten kijf, maar uiteindelijk is de keuze toch subjectief. Cultuur, zegt de auteur met een politiek hoedje op, is tenslotte kiezen.

Dus als er omissies zijn, dan is dat een keuze. In de recente schilderkunst ontbreken bijvoorbeeld de oerhollandse theedoeken van Daan van Golden. En waar is de aanklacht tegen de Nederlandse staat in de Srebrenica-schilderijen van Ronald Ophuis? Maar toch: dit zijn wel tachtig schilderijen die centraal staan in onze cultuur en in de schilderkunst zoals wij die nu zien.

Dat laatste is cruciaal. Wie gaat tellen, ziet al snel dat het woord ‘meesterwerk’ nog altijd vastgeklonken is aan de 17de eeuw. Van de tachtig schilderijen, het vroegste uit 1460 (De opwekking van Lazarus van Albert van Ouwater) en het laatste uit 2005 (The Neighbour van Marlene Dumas), komen er dertig uit de Gouden Eeuw. Een goede tweede is de 20ste eeuw (negentien lemma’s), niet toevallig de eeuw waarin de helden van de Gouden Eeuw, Frans Hals en Rembrandt, nu juist hun superheldenstatus bereikten. Die twee eeuwen, de 20ste en de 17de, zijn het referentiekader van de auteur en van ons. Over vijftig jaar zal zo’n boek er waarschijnlijk heel anders uitzien. Zou bijvoorbeeld de 18de eeuw (nu vertegenwoordigd met een enkel werk, de Kunstgalerij van Jan Gildemeester Jansz.’ van Adriaan de Lelie, 1794-95), die nu als een ijdel en decadent tijdperk te boek staat, meer worden gewaardeerd?

Hans den Hartog Jager, kunstcriticus voor NRC Handelsblad, beschrijft soepel de wordingsgeschiedenis en het onderwerp – en soms de techniek – van de doeken. Maar groot is vooral zijn empathisch vermogen; met hem voel je bijna het gewicht van Het zieke kind (Gabriel Metsu, ca. 1663) op de schoot van de moeder, of het aan je ogen trekkende perspectief in Painting on the bullfight van René Daniels (1985). De auteur houdt hartstochtelijk van de illusie van de schilderkunst, van hoe verf iets op kan roepen dat er niet is.

Een extraatje is de verwijzing bij elk schilderij naar één of twee andere. Zo staan onder de tekst bij het Interieur van de Sint Odolphus-kerk te Assendelft van Pieter Saenredam (1649) twee kleine afbeeldingen van abstracte werken, een Mondriaan en een Schoonhoven. De op zichzelf vrij onzinnige opvatting dat Saenredam onze eerste abstracte schilder was (het zou onmogelijk in Saenredams brein hebben kunnen opkomen) wordt zo inzichtelijk gemaakt. Dat is precies de crossculturele-historische benadering (postmodernistisch, heette dat) die aan het einde van de twintigste eeuw in zwang kwam.

Maar is dit Nederland? Is dit boek geschikt om aan mijn Afghaanse tafelgenoot te geven als kennismaking?

Ja. En nee. Uit Dit is Nederland komt namelijk een Nederland tevoorschijn, niet zoals het is, maar zoals we het graag zagen en zien. Een land van een gematigd christendom, waar Johannes de Doper niet wordt afgebeeld als een held, maar als een asceet met koude voeten (Geertgen tot Sint Jans, ca. 1490). Waar boeren en kooplui de dienst uitmaken in plaats van heiligen en prinsen. Waar de straatjes schoon zijn, de moeders hun kinderen ontluizen en de natuur bestaat uit water en een laantje met bomen. Levendig, non-conformistisch, met een borrel op zijn tijd en Cobra (Apres nous la liberté, Constant, 1949) als enig teken dat er ook wel eens werd verlangd naar een leven grootser dan dit.

Schilders waren nooit de notulisten van Nederland, maar de illusionisten – net als samenstellers van dit soort boeken. Hoe Nederland is, zullen we nooit weten; hoe we het graag willen zien, wordt in dit boek breed en bloemrijk uitgevent.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden