De ijstijd in het strijkkwartier Klassieke muziek in Noord-Amerika verkeert in een crisis

Met de orkesten in Amerika gaat het niet best, met de minder zichtbare sectoren van het muziekleven gaat het nog slechter....

DAT HET NIET goed gaat met de klassieke muziek in Noord-Amerika, wisten we. Een golf van orkeststakingen in de VS wees in het afgelopen najaar op acute crises in de inkomstensfeer. Vergrijzend publiek, afhakende platenmaatschappijen en financiers: met een repertoire dat zich versmalt tot een catalogus van anderhalf dozijn componistennamen nadert de cultuur in grote trekken de toestand van een petrified forest.

Honolulu schijnt na drie jaar orkeststilte als eerste het eindpunt te hebben bereikt. Volgens Charles Ward, de joviale criticus van The Houston Chronicle uit Texas, gaat het ook in de rest van de VS die kant op. 'Nog een jaar of vijftien, twintig hooguit, dan hebben we het gehad', bast hij tijdens een ontmoeting van muziekcritici in de Canadese hoofdstad Ottawa. 'Dan is het voorbij met de orkesten. Kunnen de restanten zich opsplitsen in kamermuziekgroepjes. En dan sukkelen wij, de critici, op Internet nog wat door om te melden waar ze spelen.'

Critici uit Japan, Europa, Canada en de VS, verenigd op de hoogste verdieping van de Canadese National Gallery, staren naar buiten. Het uitzicht op de kolkende Ottawa River is grandioos. 'Welkom in Walhalla', zegt Scott Cantrell van de Kansas City Star, een Wagnerliefhebber met gevoel voor het einde der tijden.

Gaat het met de orkesten in Noord-Amerika al de verkeerde kant op, in de minder zichtbare, intiemere sectoren van het muziekleven zijn de zorgen nog groter.

De kamermuziek.

Het strijkkwartet, door Goethe een 'conversatie van vier intelligente mensen' genoemd, is het kwetsbaarste fenomeen van de klassieke podiumkunst. Bij een rondetafelgesprek over 'de markt' onthult Tom Gallant, directeur van het New-Yorkse impresariaat Musicians Corporate Management, dat het aantal boekingen voor deze delicate kunstvorm in tien jaar tijd met ruim twintig procent is gedaald. In de strijkkwartetsector zijn de opname-activiteiten gekelderd.

De Canadese Jennifer Taylor, directeur van Music Toronto, meldt dat ze in de jaren tachtig nog 56 kamermuziekavonden per jaar organiseerde, waaronder 18 strijkkwartetoptredens. Nu brengt ze vier of vijf kwartetten per jaar, op een totaal van 19 kamermuziekavonden. De markt is 'gefragmenteerd'.

Natuurlijk, er ís een festival in Banff in de Rocky Mountains, er zijn festivals en festivalletjes in Massachusetts en noem maar op. Hubert Lussier, de directeur financiën van het Canadese ministerie voor Cultuur - in Ottawa heet het Ministry of Canadian Heritage - spreekt niettemin van een uphill battle in de kwartetsector. 'Vooral met de abonnementseries holt het sinds het begin van de jaren negentig achteruit', preciseert hij.

Het was een criticus die het in Ottawa niet langer kon aanzien. De Canadees Jean-Jacques Van Vlasselaer, medewerker van de Franstalige krant Le Droit en docent muziekgeschiedenis aan de universiteit, is zelf aan het organiseren geslagen. Strings of the Future, heet het festival dat hij met zijn vrouw Claude Infante en zijn collega Robert Cram voor Ottawa heeft bedacht: een vijfdaagse met het karakter van een demonstratie - met 19 optredens door Canadese, Amerikaanse en Europese ensembles.

Gewend aan woorden bij de noten, heeft Van Vlasselaer het programma ingepakt in conferenties en symposia van muziekhistorici en programmeurs uit drie continenten, en voorzien van een randfestijn met workshops voor beginnende kwartetten en doorspeelsessies voor jonge componisten.

Van Vlasselaer, dertig jaar geleden geëmigreerd uit Antwerpen, zegt 'metafysische problemen' te hebben gehad om de gemeenschap te overtuigen van zijn geloof in Ligeti- en Elliott Carter-uitvoeringen door het Arditti Quartet, naast programmakeuzes rond Brahms, Bartók en Haydn. 'Het probleem in dit werelddeel is dat de cultuur hier geen tweede natuur is. Alles, wat er ook gebeurt, moet elke keer vanaf het nulpunt beginnen.

Strings of the future/Cordes du future blijkt zo goed als uitverkocht. Daarbij telt de sponsorlijst liefst 36 co-financiers, met inbegrip van de Canadese overheid en zes Europese ambassades. Dat Claude Infante er zonder met de ogen te knipperen zelf een bedrag op toe heeft gelegd ter hoogte van twee modale jaarsalarissen (een kwart van de festivalbegroting), wordt onder insiders, op z'n Noord-Amerikaans, beschouwd als een zaak van wie A zegt moet B zeggen.

Een klassieke muziekcultuur die zich terugtrekt in enclaves, en opflakkert in incidenten - is het de voorbode van wat Europa te wachten staat? Of is de Noord-Amerikaanse cultuur bezig zich van haar Europese erfenis te ontdoen?

'De rol van de babyboomgeneratie, die hier het culturele beeld heeft bepaald, zal rond 2000 zijn uitgespeeld', zegt Van Vlasselaer, zich beroepend op een sociologische studie van de universiteit van Toronto. 'We staan hier voor een totale omslag in de demografische verhoudingen.'

Charles Ward uit Houston: 'Ik woon in de vierde stad van de VS. Die bestaat nu voor minder dan de helft uit ex-Europeanen.'

Aan Stephen Kolbinson zal het niet hebben gelegen. Kolbinson, een boer die zaaide en oogstte in de onmetelijke uitgestrektheid van de Canadese provincie Saskatchewan, speelde graag viool. Om zijn horizon te verbreden besloot hij op een goede dag op les te gaan in de stad Saskatoon. In een veilingcatalogus bespeurde Kolbinson dat er een Amati-viool te koop werd aangeboden. Kolbinson vroeg zijn leraar of dat een goed merk was.

De naam Amati was in de prairie in de jaren 1950 nog niet zo'n begrip als Stradivarius of de Combine Harvester.

Kolbinson was tevreden met zijn Amati. Hij werd verliefd op instrumenten uit de grote Cremonese traditie. Hij begon veilingen af te reizen. New York, Parijs. Als hij er weer een had bemachtigd, verkocht hij desnoods een stuk land.

('Muss es sein?', schreef Beethoven al in zijn strijkkwartet opus 135 - een van die 'late werken', die de weinige vrienden die Beethoven rond 1825 nog had, deden besluiten dat hij nu echt gek was geworden. Muss es sein? De componist schreef er zelf het antwoord bij: 'Es muss sein!')

Voor hij stierf, deed Kolbinson zijn mooiste Amati's over aan de universiteit van de graanstad Saskatoon. Twee violen, een altviool en een cello, samen een strijkkwartet. En daar lag het dan, een Amati-kwartet zonder spelers.

'Vijf jaar geleden kregen we een telefoontje uit Saskatoon, of we een concert wilden geven op de Amati's', vertelt Sharon Stanis, tweede violiste van het Lafayette Quartet uit de west-Canadese stad Victoria. 'Daarna moesten we nog eens langs komen bij de universiteitsdirectie. Of we ook voortaan op de Amati's wilden spelen. We zaten elkaar te schoppen van opwinding.'

Het Lafayette Quartet - vier vrouwen van een eind in de twintig - heeft het getroffen. En niet alleen met de instrumenten. Het hoort tot de ensembles die, alweer op z'n Noord-Amerikaans, door een universiteit zijn geadopteerd, en in het genot zijn gesteld van een residency. Stanis en haar collega's zijn sinds 1991 full time in dienst in Victoria. In ruil geven ze tien uur per week les aan jonge strijkers. De rest van de tijd gebruiken ze om zich toe te leggen op de perfectionering van het eigen kwartetspel, en op tournee te gaan.

Niet gek, voor vier vrouwen die eerder hun banen bij het kamerorkest van Detroit hadden opgezegd om zich, geheel ter wille van de kwartetkunst, voor een droevige vijfduizend dollar te verbinden aan een muziekschool.

Maar de bruikleen van de Amati's loopt af, en het ziet er naar uit dat Saskatoon de instrumenten weer op zal eisen. 'Sommigen vinden dat het geen pas geeft', legt Stanis uit, 'dat deze instrumenten uit Saskatchewan worden uitgeleend aan musici van zo ver weg.' Ze probeert de afstand te schatten van Amsterdam naar Kerkrade. Van Victoria naar Saskatoon, in het middenwesten, dat is ongeveer de afstand van Amsterdam naar Wit-Rusland.

Brahms wacht, en Sharon Stanis moet repeteren. Opgewekt zwaait ze naar Diane Chaplin (cello) van het Colorado Quartet uit New York, die in de eetzaal van haar hotel de baby van Francesca Silos (altviool) verzorgt met hapjes en papjes. Aan de Noord-Amerikaanse kwartetcultuur nemen veel vrouwelijke musici deel.

Dat het er met de kwartetcultuur as such lang zo beroerd nog niet voorstaat, bewijst onder meer het St. Lawrence String Quartet uit Toronto met prachtig werk van de Canadese componist en ontdekker van het soundscape R. Murray Schafer. Het St. Lawrence-kwartet is acht jaar geleden geformeerd. Het combineert de deugden van een opmerkelijke typecasting (een primarius met de felheid en de paardenstaart van een bendeleider uit Miami Vice) met een fijngedefinieerde kwartetklank, die de vrucht moet zijn van achtereenvolgende residencies aan de Hartford University en de universiteit van Toronto.

Zuiver en fijntjes is ook het ensemblespel van het Quatuor Alcan uit Quebec. Zo fijntjes en ingetogen, dat je je afvraagt of de partituren van Mozart, Murray Schafer en Sjostakovitsj geschreven zijn om in potlood na te tekenen, of dat er ook muziek mee moet worden gemaakt. Van Vlasselaer noemt dit quatuor, dat de steun heeft van een aluminiumfabriek, een voorbeeld van 'talent in Noord-Amerika dat steeds meer alleen komt te staan en zich steeds timider uitdrukt'.

Maar de toon past wel bij het frêle vijfde strijkkwartet van R. Murray Schafer, dat de ondertitel Rosalind draagt. 'Een zakenman heeft me betaald om het kwartet naar zijn vrouw te noemen', zegt de grijze componist. 'Ik veronderstelde dat het een beeldige dame was, tot ik haar tegenkwam op de première.'

De Franse musicoloog Marc Vignal houdt een rede over de 'geest van het experiment' die het strijkkwartet ademt sinds de Weense aartsvader Haydn het genre ontwikkelde. De Hongaar Peter Laki toont aan hoe de kwartetkunst van Bartók opbloeit uit Beethovens late opus 131. De Canadees Downs analyseert de daden van Mendelssohn en Brahms aan de hand van Kantiaanse genialiteitsprincipes, en de Française Brigitte Massin bespreekt haar douleur bij de kwartetten die Schubert onvoltooid liet.

In Canada blijken de laatste vijftien jaar 125 nieuwe kwartetten te zijn voltooid.

Theo Muller van de Rotterdamse Kunststichting oogst applaus met een State of the Art in Europe. Hij ziet kans in 45 minuten 60 eigentijdse componisten en kampioenen te behandelen van de kunstvorm die 'tot het eind der dagen', en zeker tot in de oeuvres van Holmboe (22 kwartetten), Sjostakovitsj (15) en Louis Andriessen (1), door Goethe werd 'veroordeeld tot intelligent converseren'.

A propos, Europa! De Franse kwartetpromotor Georges Zeisel, documentairemaker en directeur van een stichting genaamd Proquatuor, zal er eens aan rammelen. Europa verkeert in een 'deplorabele staat'. Het oude continent, oordeelt Zeisel, brengt geen strijkkwartetten meer voort. Dat wil zeggen: geen echt grote strijkwartetten, zoals het Végh Kwartet of het Amadeuskwartet. De Europese kwartetkunst, vanoudsher doorgegeven van generatie op generatie, 'heeft geen stamboom meer'. 'Waar zijn de nationale scholen? Naast het Alban Berg Quartett zie ik vijf of zes formaties die er een beetje van kunnen. Is Europa wel zo cultureel?'

Zeisel: 'Waar zijn de kroongetuigen van de vooroorlogse kwartetkunst? Die zijn naar Amerika uitgeweken. En in de VS zit nog de know-how van het Guarneri Quartet en het Juilliard Quartet.'

Goed dat het Alban Berg Quartett de kunst nog heeft mogen afkijken van de Amerikanen van het LaSalle Quartet.

Zeisels klap op de vuurpijl: In Parijs is geen kwartetserie meer te vinden. 'Moeten we hier vrede hebben met de normale afloop van een tijdperk, of doen we er iets aan? Wie heeft er een voorstel?'

De zaal kijkt bedrukt. 'De Franse overheid stopt toch heus wel geld in studieprogramma's voor jonge musici en ensembles', werpt Brigitte Massin tegen. Zeisel haalt weemoedig glimlachend zijn schouders op.

Inderdaad, regeringen in Europa zijn elk op hun manier nog genegen in cultuur te investeren. Al is er in Engeland en Italië krankzinnig bezuinigd, en al zijn nu de Duitse overheden aan de gang met de kaasschaaf, de waakzaamheid is groot. Bij het naderen van de Europese eenwording weegt de angst voor identiteitsverlies zwaar.

Wat de Canadese nationale overheid aan de kunsten besteedt - ongeveer een tiende van wat alleen de stad Berlijn al uitgeeft - dient eveneens een hoger doel van nationale identiteit. Alleen liggen hier de verhoudingen wat anders, in een gebied dat zich van kust tot kust uitstrekt als van Zandvoort tot Novosibirsk, bevolkt door een natie die taalkloven moet overbruggen, enorme groepen Aziaten en Latijns-Amerikanen opvangt (Vancouver is het nieuwe Hong Kong), en zich met gering succes poogt te verweren tegen een oprukkende Amerikanisering.

Van Vlasselaers volgende snarenfestival zal de cross over behelzen. 'We hoeven hier geen Europese erfenis in stand te houden, en we kunnen het ook niet. Het mooiste is er iets nieuws van te maken.'

In een universiteitszaal concerteert het Carmina Kwartet uit Zwitserland. Naast ons zit Marie Rakos, een Hongaarse die we eerder aantroffen in de Nederlandse Ambassade. Ze dirigeerde daar op Koninginnedag het Wilhelmus, bij de haringkar uitgevoerd door een in Zeeuws/Volendamse klederdracht gestoken zangkoor. Het koor, vertelt ze, bestaat voor de helft uit Polen en Oekraïeners.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden