De huizen in mijn leven: Valeriusstraat

'Zo pais en vree ging het er niet altijd toe in de Valeriusstraat. Ons huis was een paar huizen verwijderd van het Indonesische consulaat.'

Degene die ik liefheb en ik wonen nu ruim achttien jaar in een huis aan de Jan Luijkenstraat in Amsterdam. Dat is een record dat ik niet meer zal verbeteren. Onrust en omstan- digheden dreven me altijd uit vorige huizen, soms al na een week.

Een van de huizen die ik meerdere jaren bewoonde, stond in de hoofdstedelijke Valeriusstraat. Mijn vrouw bestierde toen haar Galerie Balans op de Leidsegracht. Ik schreef het gedicht 'Huisman in Valeriusstraat':

'Ik zwaai nog een keer/ ga maar naar binnen/ruim een regel op/ zit pardoes op een woord/ blaas stof van een komma/ tik op tafel lege man/ met volle poes en vaas onrustig/ stilleven hopeloos onpraktisch/ is dat schrijven soms.'

Prinses Beatrix
In dat huis werden wij een keer bezocht door een jonge, van geluk stralende prinses Beatrix, die een cadeau wilde uitzoeken voor haar man, prins Claus. Het werd een tekening van Peter Vos. Over dit aangename bezoek en de tijdelijke paniek die het in ons leven veroorzaakte schreef mijn vrouw in Mijn Majesteit (Thomas Rap, 2013).

Zo pais en vree ging het er niet altijd toe in de Valeriusstraat. Ons huis was een paar huizen verwijderd van het Indonesische consulaat. Op een ochtend - mijn vrouw was al naar haar Galerie - werd ik gewekt door ongewone commotie op straat. Veel politie, mensen werden gesommeerd binnen te blijven. Het consulaat bleek bezet te zijn door Molukse vrijheidsstrijders. Er vielen gewonden bij. Een van de gewonden, die later overleed, werd in een ambulance geschoven. Schuin aan de overkant lagen politieagenten, verscholen onder en achter auto's, pistool in de aanslag. De buurt bleef nieuwsgierig. 'Wilt u als de sodemieter van dat dak afgaan?', stoof een megafonische politiestem op. 'Anders schieten we u eraf!' Even later knalden de pistolen, richting consulaat, dunne, dodelijke geluidjes, die je als je ze op het toneel hoort nooit ernstig neemt. Ik belde mijn vrouw. Ze wilde me niet geloven.

Twaalfde bezettingsdag
De bezetting was niet een-twee-drie afgelopen. De twaalfde bezettingsdag ging in. We woonden in een stukje niemandsland, van de rest van de stad afgescheiden door dranghekken, prikkeldraadversperringen, politieposten en een pantserwagen. Als boodschappendoende bewoner kwam ik wel door die barricades, maar bij terugkeer werd ik door een agent tot de voordeur begeleid. Tegenover het verzamelde publiek achter de dranghekken begon ik me een beetje heldhaftig te voelen. 's Avonds waren de achtertuinen - vriendelijke Oud-Zuidtuintjes omgeven door wrakke schuttingen - beschenen door hel schijnwerperlicht, alsof we in een filmproductie zaten.

Aan de bezetting kwam een einde. Een buurvrouw veegde wat uit zandzakken gelekt zand bij elkaar. Sightseeërs wezen elkaar de kogelgaten aan in de ramen van het consulaat.

Ik kon mijn heet-van-de-naaldcolumns weer naar de Haagse Post brengen zonder politiebegeleiding.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden