De herrijzenis van Amsterdam in de negentiende eeuw

OP 23 MAART 1900 werd op initiatief van de Amsterdamse wijnhandelaar D.C. Meyer jr. een vereniging opgericht ter bestudering van de geschiedenis van Amsterdam....

Uitzonderlijk was die oprichting niet. Er zijn in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw vele ideële genootschappen, bonden en verenigingen opgericht. Bijna altijd vanuit de hogere burgerij, en daartoe kon een wijnhandelaar worden gerekend. Ook het doel van het genootschap was niet uitzonderlijk. Het bewustzijn van de uniekheid van de stad Amsterdam ontstaat in de tweede helft van de negentiende eeuw. De grote Joseph Alberdinck Thijm was een van de eerste woordvoerders over Amsterdam, en meteen de grootste. Hij was kenner en hartstochtelijk minnaar. Hij had niet alleen een katholiek, maar ook een Amsterdams zelfbewustzijn.

Geen kennis en liefde zonder waakzaamheid. Al een jaar na de oprichting kon het Genootschap Amstelodamum dat laten zien. Het ondersteunde het pamflet van Jan Veth 'Stedenschennis', gericht tegen de beoogde demping van de Reguliersgracht, nog altijd de mooiste kleine gracht van Amsterdam. Het verleden was mede norm voor de toekomst, waarbij louter behoudzucht werd uitgesloten.

Het Genootschap publiceerde in 1908 zijn eerste Jaarboek, waarin de 'Amsterdam-wetenschap' alle ruimte kreeg; die ruimte krijgt zij nog steeds. In 1914 verscheen het eerste nummer van Maandblad Amstelodamum, dat een gelijk karakter heeft als het Jaarboek. De geest ervan was jarenlang Isabel van Eeghen, de grootste onderzoeker en schrijver die Amsterdam heeft gekend.

Waar komen al die verenigingen, bonden, genootschappen en dus ook Amstelodamum vandaan? Rond 1860 begint Amsterdam, na ruim een eeuw bijna-doodsslaap, te herleven. Het begin van de economische bloei zet in. De stad begint zijn zelfbewustzijn terug te krijgen, de burgerij haar Amsterdam-bewustzijn. Een culturele opbloei begint en daarmee een uitzonderlijk gemeenschapsgevoel en de triomf van het particuliere initiatief.

Misschien niet later, wel eerder - in de zeventiende eeuw - was de relatie tussen zaken-, bankwereld en cultuur net zo vanzelfsprekend. De grote culturele initiatiefnemers kwamen bijna allen uit de gevestigde geldwereld voort. De wijnhandelaar Meyer was een groot kenner van de geschiedenis van Amsterdam, Thijm zelf was koopman. Gelijkgezinden vonden elkaar in culturele of wetenschappelijke genootschappen.

Rond 1850 lag Amsterdam erbij als in de zeventiende eeuw. De stad was niet groter dan wat wij nu de binnenstad noemen, inclusief natuurlijk de Jordaan en de Eilanden. De economische groei bracht een snelle bevolkingsgroei mee; de stad moest het oude nest gaan verlaten en uitbreiden. Er zijn schitterende initiatieven geweest; bijna niets ervan werd gerealiseerd. Van wat ik nu maar de oude stad noem, was een deel onderkomen; alleen de grachten, waar nog altijd de elite woonde, niet, hoezeer het water ook stonk. In de jodenbuurt en de Jordaan waren de woontoestanden onmenselijk.

De eerste dempingen, van grachten in de Jordaan, waren alleen vanwege de volksgezondheid noodzakelijk. De groei van de stad, van de economie, van het verkeer (welke verbindingsmogelijkheden vereiste alleen al het Centraal Station?) bracht de oude stad in een wat benauwde situatie.

De door Parijs voorgespiegelde moderne grote stad met zijn grote boulevards, mogelijk geworden door enorme saneringen van de oude stad, betekende een ander gevaar. Bedreiging maakt niet alleen bewust, ze leidt ook tot liefde voor het eigene en het streven naar behoud daarvan. Tussen behoud en aanpassing, tussen monument en moment zal de geschiedenis van Amsterdam zich vanaf het einde van de negentiende eeuw bewegen.

Natuurlijk zijn ontstaan en groei van het Amsterdam-bewustzijn geen geïsoleerde zaak. Stadsbewustzijn was standsbewustzijn: de unieke rang van de stad. Maar alle bevolkingsgroepen kenden vanaf 1860 een groeiend zelfbewustzijn, met de hang die naar buiten te manifesteren. De katholieken kwamen uit hun schuilkerken en gingen grote, goed zichtbare kerken bouwen. Er was de opkomst van het socialisme, waarschijnlijk het gevolgrijkste bewustzijns proces uit de negentiende eeuw.

De uit de doleantie voortgekomen, zeer zelfbewuste gereformeerden bouwden niet alleen hun eigen kerken, maar stichtten ook een eigen universiteit - nog vóór het Amsterdamse Athenaeum Illustre tot een echte universiteit werd omgevormd, waarmee ook de wetenschap zich niet alleen in vele gebouwen, maar ook in grote kwaliteit ging manifesteren: vier Nobelprijzen nog geen kwart eeuw na de stichting. Het geijkte keerpunt van Tachtig blijft steeds meer een eindpunt; de literatuur voegde zich vrij laat in het bewustwordingsproces. (Dat de Tachtigers allen rond 1860, het beginjaar van een nieuwe tijd, zijn geboren, is veelzeggend: zij groeiden op in een veranderende stad.)

1900 Was een beslissend jaar. Nooit eerder is zo vaak het woord 'nieuw' gebruikt als in de laatste decennia van de negentiende eeuw. De twintigste zou de nieuwe tijd zijn. Nu blijkt, hoe in de tweede helft van de negentiende eeuw in bijna alle opzichten de fundamenten voor de nieuwe eeuw zijn gelegd, of, in de stijl van de stad, bijna alle heipalen zijn geslagen. Wie alles overziet, kan het stichtingsjaar van het Genootschap Amstelodamum als een consequentie van de negentiende eeuw zien, maar ook als een symbolisch jaartal. Het jaar 1900 werd als sleuteljaar gebruikt voor veertien studies, gebundeld in het boek Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw dat het Genootschap bij gelegenheid van zijn eeuwfeest liet verschijnen. Het gevolg ervan is dat de stukken bijna allemaal een gelijke structuur hebben: het begin van de te beschrijven ontwikkeling op een bepaald gebied ligt in de tweede helft van de negentiende eeuw, al dwingt het onderwerp een enkele auteur nog verder terug.

De beschrijving van het ontstaan van de Amsterdamse Universiteit kan niet zonder de geschiedenis van het Athenaeum Illustre. Die begint in de zeventiende eeuw. En men ziet nu hoe de twee uit gelijke idealen binnen een gelijkvormige stad ontstonden, zodat het niet onverantwoord is - ook op grond van het vele dat economisch, sociaal, cultureel, architectonisch in die tweede helft werd gerealiseerd - de tweede Gouden Eeuw in 1860 te laten beginnen. Ik stel me voor die door te laten lopen tot aan het begin van de crisisjaren, dan zit het plan-Berlage, de grootste Amsterdamse stedenbouwkundige prestatie na de meesterworp van de grachten, erin. Bovendien vertonen de jaren 1860-1930 een grote continuïteit; na 1930 begint er een geschiedenis in brokken.

Voor degenen die Amsterdam beminnen, maar niet kennen, zal het artikel 'De stad gebouwd - De oude binnenstad vernieuwd' onthutsend kunnen zijn. Wat er aan de Amsterdamse grachten aan huizen staat, is voor het grootste deel achttiende- en negentiende-eeuws, een klein deel twintigste-eeuws ook. De bijdrage geeft een uitstekend overzicht van wat er in de negentiende eeuw aan de grachten vaak aan grote, soms oud aandoende gebouwen is neergezet.

Men kan zichzelf weer terugvinden in de bijdrage 'De stad in beeld', dat over het geschilderde Amsterdamse stadsgezicht gaat. De stad is of was schilderachtig (wat iets anders is dan monumentaal, zoals Berlage heeft opgemerkt). Er moet een mooie relatie zijn aan te wijzen tussen die stadsgezichten en de gedichten over Amsterdam, waarvan er een overvloed in de jaren dertig verscheen. Als in een aquarel kon de de stad in de taal herboren worden!

Het boek bevat verder bijdragen over 'de dynamiek van de bevolking', de radicalisering van het Amsterdamse gemeentebeleid rond 1900, de economische veranderingen, 'de infrastructuur van het geloofsleven' (een verslag over de kerkenbouw, en de kerkelijke niet-kerken als het Rijksmuseum en het Centraal Station), het bloeiende culturele leven (vooral rond 1900), de geschiedenis van de lastige stad die Amsterdam altijd werd genoemd of altijd is geweest (een uitstekend stuk met scherpzinnige verklaringen over de aard van de onrust in de jaren zestig en zeventig), een denkbeeldig verslag van een kroegentocht in 1900, en - natuurlijk, en daarvoor tekent de huidige voorzitter - de dempingen, doorbraken en de strijd tegen stedenschennis, van Veths pamflet tot de zo directe en zeer democratische actie- en buurtcomités van deze tijd.

Enkele stukken reiken tot vandaag. De meeste zijn echter geschiedschrijvingen. Het wonderlijke is dat ze bij alle verscheidenheid op elkaar lijken, als de blokken aan de grachten. Ze lijken zelfs naar het proza op elkaar. Er bestaat - en dit schitterende (ook schitterend uitgegeven en geïllustreerde) boek bewijst het opnieuw - een Amsterdamse toon die een dubbeltoon is: realistisch, maar altijd bijna idealistisch.

Er zijn twee 'Amsterdammen': wat er staat en wat zich in het verleden of in het eeuwenoude water spiegelt. Elke Amsterdammer is ook een dubbelfiguur. Het boek is vooral - om een uitdrukking van Felix Rottenberg, gebruikt op een ook door Amstelodamum georganiseerd symposium, te citeren: 'een investering in het geheugen'. Daarin vinden verleden, heden en toekomst elkaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.