De herkomst van ons zakbreukje

In De bronnen van het vaderland beschrijft Joep Leerssen, hoogleraar Moderne Europese Letterkunde, de natievorming van Nederland en hoe dat in de cultuur tot uitdrukking kwam....

Wanneer is eigenlijk het idee van Nederland ontstaan – het idee en dus het ideaalbeeld van een zinnige en samenhangende culturele en politieke constructie, een land met heldere en onbetwiste grenzen en met een zekere consensus over de voorgeschiedenis daarvan?

Al generaties lang kennen en herkennen wij de kaart, met die droevige hondenkop linksboven en dat malle zakbreukje rechtsonder – en al minstens zo lang sommen wij desgevraagd de sleutelmomenten uit de geschiedenis daarvan op. Nu ja, tot voor kort, totdat wij leerden inzien dat aardrijkskunde en geschiedenis, ‘vaderlandse’ geschiedenis voorop, instrumenten zijn waarmee een nationale staat aan natievorming doet. Als je maar lang genoeg herhaalt dat de ene stad de hoofdstad is en de andere de hofstad en de Batavieren bij Lobith ‘ons’ land binnenkwamen, dan gelooft op den duur iedereen dat. Voor je het weet wordt natievorming dan nationalisme en dat is iets verfoeilijks, dus is het zaak ‘de bronnen van het vaderland’, de motieven om daarnaar op zoek te gaan, de selectiemechanismen en de heimelijke agenda’s bloot te leggen.

Als we weten hoe we aan ‘onze’ kaart komen, als we doorzien wie de redactie heeft gevoerd over ‘onze’ geschiedenis en de canonisering van ‘onze’ cultuur, dan zullen we de willekeur daarvan wel doorzien en dus weerbaar zijn tegen het nationalisme.

De vraag waar al die beelden vandaan komen is belangrijk, zeker in een tijd waarin wij willen dat nieuwkomers een welomlijnd idee hebben van wat Nederland is. Omdat wij bovendien zelf afwisselend hardop twijfelen aan dat idee en er uit alle macht naar terugverlangen, is de kwestie ook voor wie generaties lang uit dit land komt van gewicht.

Welk land en waarom en hoe komen wij eraan?

De Amsterdamse hoogleraar Moderne Europese Letterkunde Joep Leerssen maakte wat hij noemt ‘het cultiveren van cultuur’ met betrekking tot Nederland als land en als vaderland tot onderwerp van zijn nieuwste boek, De bronnen van het vaderland. Het gaat hem om de wijze waarop taal, aardrijkskunde en cultuurgeschiedenis in de 19de eeuw instrumenteel zijn geworden voor taalpolitiek, geopolitiek en cultuurpolitiek. Wat wij nu als vastomlijnd en vaststaand aannemen – of tot voor kort als zodanig beschouwden – is in feite de toevallige uitkomst van een langdurig politiek proces.

Leerssen, die eerder een boekje schreef waarin hij de voornaamste theorieën over het nationalisme handzaam samenvatte, is al geruime tijd bezig met het in detailstudies onderzoeken van de nationalisering van de Nederlandse natie en de cultivering van de Nederlandse cultuur. Hem interesseert de vraag naar de uitdrukkingen daarvan, bijvoorbeeld in het aanleggen van een woordenboek (iemand besluit wat goed Nederlands is en wat fout), het opstellen van een culturele canon (wie bepaalt welke kunstwerken ertoe doen?) en het inrichten van een herdenkingscultuur (standbeelden bepalen wie wij als sleutelfiguren in onze gemeenschappelijke geschiedenis zien). Woordenboeken en standbeelden, het zijn in zijn ogen vergelijkbare concretiseringen van een politiek programma.

In De bronnen van het vaderland gaat het hem om de afbakening van Nederland als culturele en als geografische eenheid gedurende de 19de eeuw. De sleutelgebeurtenis in die wordingsgeschiedenis is vanzelfsprekend de Belgische Opstand van 1830. Die verbrak immers de eenheid van wat je grofweg als het Nederlandse taalgebied en dus – al lopen de meningen juist daarover uiteen – als het cultuurgebied Nederland zou kunnen zien. De simpele omschrijving: Nederland is het gebied waar Nederlanders wonen en Nederlanders zijn lui die een soort Nederlands spreken, ging vanaf dat moment niet meer op, en zowel Nederlanders als Belgen zagen zich, vanaf de stichting van het koninkrijk België genoodzaakt het unieke en historisch bepaalde karakter van hun eigen landen te motiveren. Taal en cultuur konden daarbij niet langer de doorslag geven.

Van wie was – bijvoorbeeld – Limburg? Leerssen reconstrueert de rommelige manier waarop wij, Nederlanders, aan dat zakbreukje gekomen zijn; ik gok dat hij een Limburger is, want er zit iets dwarsigs in zijn redeneringen, alsof de uitkomst hem nog altijd tegenstaat. Aanvankelijk wilde geheel Limburg, Belgisch Limburg zowel als het gebied dat wij als onze onderste provincie kennen, mee met de Belgische Opstand, maar het geamputeerde koninkrijk Nederland verdedigde en behield Maastricht als vestingstad. Onder invloed van Duitse en Franse touwtrekkerij werd Limburg gedeeld, werd het Nederlandse deel een hertogdom dat zich aansloot bij de Duitse Bond maar bleef het tegelijkertijd onder de Nederlandse kroon. Totdat er in 1839, negen jaar na de scheiding van noord en zuid, een oplossing kwam waar niemand gelukkig mee was maar waarbij iedereen zich neerlegde, zodat wij nu Wiel Kusters, Rowwen Hèze en Maxime Verhagen als Nederlanders beschouwen.

Van wie was – ander voorbeeld – het Middelnederlandse epos Van den Vos Reinaerde? Er waren oude versies van in het Latijn, in een Middelnederlandse variant, in een plat-Duitse en in een oud-Franse. Was die Nederlandse een afgeleide van die Duitse en daarmee het Nederlands een afwijking van het plat-Duits en wees dus de voorgeschiedenis van Nederland in de richting van een toekomstige Duitse deelstaat? Wie had de zeggenschap over de Middelnederlandse versie, de Vlamingen of de Nederlanders? In een amusant hoofdstuk beschrijft Leerssen een episode uit de cultivering van de cultuur die hij enigszins melig ‘de vossenjacht’ noemt – Duitsers, Nederlanders en Vlamingen op zoek naar de oerversie van Reinaert de Vos om er hun politieke en cultuurpolitieke positie mee te legitimeren.

Aan de zes, hier in suggestieve samenhang bijeengebrachte studies liggen twee theorieën ten grondslag over de wijze waarop, vooral in de 19de eeuw, de nationale staten zich van de cultuur meester hebben gemaakt om hun onderdanen in te prenten dat zij niet alleen een staat, maar daarenboven ook nog een natie vormden. De staatkundige eenheid waaraan zij ondergeschikt waren, was geen toevallige constructie, maar een gevolg van onderlinge lotsverbondenheid. De ene theorie is die van Benedict Anderson en betreft de ‘imagined communities’, de andere is die van Eric Hobsbawm over de ‘invention of traditions’. Een gemeenschap, en dus ook een natie, is een verzinsel dat uitsluitend in de verbeelding bestaat, de meeste tradities die de eenheid cultiveren zijn 19de-eeuwse bedenksels. Samen bepaalden zij de opkomst van het nationalisme; wat daarvan geworden is weten wij.

Allebei zijn dat sociaal-wetenschappelijke theorieën van een kwarteeuw oud, die sedertdien met veel energie en vlijt worden toegepast op historische verschijnselen. Met deze twee verklaringsmodellen lijkt in eerste instantie veel bereikt te kunnen worden.

Maar inmiddels zijn de theses van Anderson en Hobsbawm invuloefeningen geworden voor historici die willen demonstreren dat zij methodologisch en filosofisch bij de tijd zijn. En dat is vanzelfsprekend onzin. De werkelijkheid, de historische werkelijkheid voorop, is onuitsprekelijk veel weerbarstiger en gecompliceerder. ‘De negentiende eeuw is de eeuw van de musea, van de invoering van het schoolvak vaderlandse geschiedenis’, schrijft Leerssen. ‘Het is de eeuw waarin de meeste Europese volksliederen worden gedicht en gecomponeerd, taalstandaardisering plaatsvindt en vaderlandsliefde tot hoogste politieke deugd en morele plicht wordt verklaard.’ Zo staat het inderdaad in het schema, dat Leerssen gelukkig ook nog even afdrukt.

Maar het Wilhelmus, dat weliswaar pas in de 20ste eeuw het Nederlandse volkslied werd, is uit de 16de eeuw, P.C. Hooft maakte zich halverwege de 17de eeuw al druk over wat correct Nederlands was, en de slotregels van Vondels Ghysbrecht (‘de liefde tot zijn land is ieder aangeboren’) spreken voor zichzelf. Zou er in de Opstand tegen Spanje geen idee over Nederland hebben gezeten, ademt Valerius’ Gedenkklank niet een onbesuisd nationalisme, en bepleitte Vossius niet het belang van het vak geschiedenis? Allemaal anders dan in de 19de eeuw, zeker, maar niet diametraal anders. Alles wat Johan Huizinga over ‘de voorgeschiedenis van ons nationaal besef’ te zeggen heeft gehad, is veel belezener en diepzinniger – en dus intelligenter en steekhoudender – dan dat onnozele afvinken op een stramien.

De werkelijkheid moet buigen voor de theorie: je ziet het aan de denigrerende toon (over de vroeg 19de-eeuwse Hendrik van Wyn, ‘ja, ook verzen schreef hij’), je ziet het aan de grootspraak (Guizot en Mérimée zouden door de Fransen niet worden onderkend als een staatsman die ook historicus was, respectievelijk een schrijver die ook over de monumentenzorg ging: het moet heel lang geleden zijn dat Leerssen een biografie van die twee in handen heeft gehad), je ziet het aan de krampachtige humor (‘... Arndt gebruikt daarbij de kronkeltaal die we tegenwoordig van de beleidsnota’s van reorganiserende universiteiten gewend zijn...’), je ziet het aan de ondoorgrondelijke geheimtaal (‘Binnen deze faciliterende ambiance kan men het veld van relevante activiteiten benoemen als het cultiveren van cultuur’).

In Leerssens opstellen zit een prikkelende aanzet en veel intrigerend materiaal, maar meer ook niet: de samenhangende visie die zijn ondertitel en zijn voorwoord beloven, komt er niet. Op één punt doet hij echter een belangrijk voorstel: hij suggereert de ‘verzuiling’ veel eerder te laten beginnen, al in de hoogtijdagen van de romantiek in Nederland. Dat is een interessante gedachte. Gewoonlijk doen wij alsof de verzuiling, dat geniale idee om de kribbige belangenstrijd tussen de verschillende levensovertuigingen binnen de natie te pacificeren, aan het einde van de 19de eeuw is uitgevonden door Abraham Kuyper (‘soevereiniteit in eigen kring’). Leerssen betwist dat niet, maar hij laat zien dat er ruim een halve eeuw daarvoor al een neiging tot de verzuilingsgedachte bestaat. Ik denk dat hij daar gelijk in heeft – en dus wordt de verzuiling een aangelegenheid die al klaar lag in de Nederlandse volksaard toen Kuyper haar operationaliseerde.

De bronnen van het vaderland bestaat uit zes detailstudies, waarvan er drie over Duitsers gaan: Jacob Grimm, Ernst Moritz Arndt en Hoffmann von Fallersleben. Alle drie hebben die zich bemoeid met het cultuurpolitieke zelfrechtvaardigingsdebat in Nederland en Vlaanderen gedurende de eerste helft van de 19de eeuw. Het is tegelijkertijd spijtig en onbegrijpelijk dat Leerssen daar vrijwel niets mee doet. Waarom kwamen die Duitsers op vrijage in de Nederlanden en Vlaanderen?

In zijn The Seduction of Culture in German History, een boek dat vanaf het tweede woord in de titel onvergelijkelijk veel dieper reikt dan die theses van Benedict Anderson en Eric Hobsbawm samen, bespreekt de Duitse cultuurhistoricus Wolf Lepenies de rol die de cultuur in de Duitse geschiedenis speelt als substituut voor de politiek. Zelfs de Wende van 1989 in Centraal Europa, waarbij de hegemonie van schrijvers en de intellectuelen ineens plaats moest maken voor de banaliteit van de politiek, komt erin aan bod. Zou het kunnen dat die Duitse missie naar de Lage Landen dáárom ging, niet het instrumentaliseren van de cultuur, maar het vervangen van politiek door cultuur?

Taal noch literatuur heeft Limburg Nederlands gemaakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden