De helderheid van Rietveld gevonden

Gerrit Rietveld (1888-1964) was een zoeker. Zijn hele werkzame leven wijdde hij aan één doel: het vinden van de krachtigste en zuiverste middelen om architectonische ruimtes voor mensen voelbaar en begrijpelijk te maken....

Bovendien moest elke gebouwde ruimte in open verbinding staan met de universele ruimte. 'Architectuur is nooit een afsluiting; altijd een begrenzing van het hier en het daar, het boven en het onder en het tussen en het om,' sprak hij ooit.

Want juist het inzicht onderdeel te zijn van een groter geheel, bepaalde voor hem de waarde van het leven. Dat inzicht wilde hij in zijn gebouwen onderstrepen. Het waren composities van muurvlakken en licht.

De opdracht, in 1962, om een daglichtmuseum te ontwerpen voor de nalatenschap van Vincent van Gogh leek Rietveld op het lijf geschreven. Met verve maakte hij de eerste schetsen: het exterieur leek een compositie van blokvormige volumes, die binnen echter een aaneenschakeling van in elkaar overvloeiende ruimtes rond een centrale open vide bleek te bevatten.

Het kon een mijlpaal worden in Rietvelds ontwikkeling. Na een paviljoen voor de Biënnale in Venetië (1953), paviljoen Sonsbeek op de Hoge Veluwe en De Zonnehof in Amersfoort (1959) was het zijn vierde tentoonstellingsgebouw. Maar er rustte weinig zegen op.

Het eerste ontwerp bleek onuitvoerbaar: het zou een te groot gebouw opleveren. En het vervolg is al te bekend: Rietveld stierf onverwacht, in 1964, nog voor hij dit eerste ontwerp had aangepast en twee jaar later overleed ook J. van Dillen, de compagnon die het ontwerp van hem overnam.

In het tijdschrift Plan van mei 1970 beschrijft de enig overgebleven compagnon, J. van Tricht, hoe toen 'dit moeilijkste project van de achttien die wij op dat moment onder handen hadden, tijdelijk in een zwevende toestand terechtkwam.' Er werden tientallen tekeningen vervaardigd, die pas een jaar later, met strakke steun van de Rijksgebouwendienst, op orde werden gebracht.

Van Tricht verzuchtte, terwijl de bouw al bezig is, dat nog druk wordt 'gespeurd naar verbetering van gebruikswaarden en de artistieke waarden, aangezien deze bij alle technische ijver nog steeds een zekere achterstand bij het maximaal haalbare vertonen.'

In 1973 opende het museum de deuren en al waren de reacties op het gebouw gemengd, het museum ontpopte zich tot een groot succes. Rietvelds geest was evenwel slechts beperkt herkenbaar: wel in het open hart van het gebouw waar het daglicht naar binnenstroomde en ook nog wel in het ruimtelijk spel bij de ingang. Maar niet in de hokjesgeest van de kantoren en nog minder in de maten van de afzonderlijke bouwdelen. Die leken te grof, te groot, te weinig op elkaar afgestemd, terwijl Rietveld juist zo aan zorgvuldige maatvoering hechtte.

Nog in 1964 had hij het zelf gezegd: 'Als U een gebouw ziet dat streng volgens een maateenheid is gemaakt, dan ziet U eigenlijk aan dat gebouw niets, maar U ondergaat een helderheid die U nergens anders vindt. Dit moet niet alleen in de lengte en breedte zijn, maar ook in de hoogte. En het is heel duidelijk merkbaar, zonder dat je het ergens kunt aanwijzen.'

Die helderheid, daar ontbrak het aan.

Vorige maand is het Van Gogh Museum, na een sluiting van tien maanden, heropend. De eerste aandacht ging vooral naar de uitbreiding: het ellipsvormige paviljoen van de Japanse architect Kisho Kurokawa dat als een sierlijk kleinood op het Museumplein is verrezen. Die uitbreiding is niet het meest briljante dat Kurokawa heeft afgeleverd; ze vertoont tekenen van gemakzucht en geestelijke slijtage, maar is niettemin een grote verrijking voor het museum.

Toch is zeker zo belangrijk wat zich ondertussen in het oude gebouw heeft afgespeeld.

De opdracht aan renovatiearchitect Martien van Goor, in 1996, was vooral pragmatisch. De klimaatinstallaties moesten vernieuwd, de entree verruimd, de dag- en kunstlichtvoorzieningen verbeterd en het hele gebouw moest geschikt worden voor de sterk gegroeide bezoekersstroom.

En er moest meer kantoorruimte komen: zoveel als maar paste op die plek. De verbouwing waarvoor aanvankelijk 12 miljoen gulden was uitgetrokken werd uiteindelijk een verbetering die 38 miljoen gulden kostte. Het museum is er niet onherkenbaar door veranderd. Het kreeg wel, uiteindelijk, de helderheid die Rietveld ooit, wellicht, voor ogen heeft gehad.

Direct bij binnenkomst is dat duidelijk. Waar vroeger op de begane grond allerlei zaken als een restauratiewerkplaats, een atelier, een winkel en een garderobe naast elkaar waren gepropt is nu een overzichtelijke parterre ontstaan waar men meteen ook, via een nieuwe glazen wand, zicht heeft op het hart van het museum met zijn vide en trap.

Het is slechts een voorproefje van de weldadige overzichtelijkheid die ook elders heerst. Want ook op de overige etages zijn wanden weggebroken, doorzichten ontstaan en details zo veranderd dat de ruimtes tot leven komen. Het zijn nu krachtige ruimtes bovendien doordat de groezelige plafonds van weleer nu zijn bekleed met onberispelijke, metalen roosters waardoor op ingenieuze manier indirect dag- en kunstlicht naar beneden komt. De nieuwe elementen passen naadloos in de oude vormen. Zoals de Knoop, de toegang tot Kurokawa's paviljoen. Hier zijn op een spannende manier alle routes bij elkaar geknoopt: de roltrappen die - onder een sierlijke overbrugging - zeven meter naar beneden leiden, een glazen liftkoker en een halfronde trap.

Hier ook ontmoeten de rechte lijnen van Rietveld de ronde vormen van Kurokawa. De Knoop is een gebouwtje op zich waar mensen blijven staan om de architectuur van het oude en het nieuwe museumdeel tegelijk te ondergaan.

Het geldt ook voor de vijf verdiepingen hoge kantoortoren die Van Goor tegen de pleinkant van het Van Gogh Museum heeft aangebouwd. Vijf verdiepingen hoog, jazeker, en toch een onopvallende verschijning. Natuurlijk is het aanzien van het gebouw er ingrijpend door veranderd. Maar Van Goor heeft in het ontwerpen ervan heel zorgvuldig de les van Rietveld toegepast om vóór alles helder en duidelijk te zijn.

De hele aanbouw werd verpakt in een stolp van helder glas, die op een afstand van 60 centimeter voor het eigenlijke kantoorgebouw werd aangebracht. Dat alleen al geeft de toren een grote mate van abstractie, die nog wordt versterkt doordat alle ramen strak in een stramien zijn aangebracht en alle sponningen precies dezelfde dikte hebben, of de ramen nu open kunnen of niet.

Hierdoor blijft het museum een compositie van uiterst simpele rechthoekige elementen, waarvan maten, kleurgebruik en materialen nu nog zorgvuldiger op elkaar zijn afgestemd en zelfs een handreiking maken naar Kurokawa.

Het is een prettiger museum geworden, een helderder gebouw, met vooral aangename ruimtes waar het daglicht overal aanwezig is. Meer dan ooit komen de werken van Van Gogh tot hun recht, en de bijdrage van Van Goor heeft een bescheidenheid die Rietveld in hoge mate wist te waarderen.

Naast Kurokawa's opzichtige architectonische pretenties groeide zo, onopvallend en ingetogen, een verfijnde hommage aan de ideeën van Rietveld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.