'De heldenstrijd bezing ik'

'O roem en licht van alle dichters.' Met die woorden eerde Dante zijn grote voorbeeld, de Latijnse dichter Vergilius. In zijn belangrijkste werk, de Aeneis, bezingt Vergilius in de Homerische traditie de omzwervingen van de Trojaanse held Aeneas, die de grondslag legde voor de stichting van Rome....

door Kees Fens

DE Aeneis is het poortgebouw tussen de Romeinse en christelijke tijd genoemd. De dichter ervan, Vergilius, is dan de deur. Hij leefde van 70 tot 19 voor Christus. In zijn sterfjaar bestond het Romeinse keizerrijk nog maar kort; negentien jaar scheidde hem van het begin van de christelijke jaartelling.

Maar de deur-metafoor leent zich voor meer. Vergilius werd door de christenen als een van de eerstgeroepenen uit het heidendom beschouwd, als een profeet zelfs en dat op grond van de zogenoemde vierde Ecloge, uit een reeks van tien pastorale gedichten. In het daarin aangekondigde kind van een nieuwe gouden eeuw werd Christus gezien.

Vergilius was in de Middeleeuwen en de Renaissance de meest voorbeeldige, de meest vereerde Latijnse dichter ook. Hemelse hoogte bereikt hij natuurlijk in De goddelijke komedie van Dante, waarin hij tot in het paradijs leidsman is. Dante's woorden tot de oude dichter, als hij hem in de eerste zang ontmoet, horen tot de ontroerendste uit het hele werk: 'Zijt gij de beroemde Vergilius, die bron waaraan zo'n rijke woordenstroom ontspringt? ( ... ). O roem en licht van alle dichters, mogen de langdurige studie en de grote liefde die mij er steeds toe hebben gebracht uw boek te zoeken, mij nu tot steun zijn. Gij zijt mijn meester en mijn lichtend voorbeeld, aan u alleen heb ik de schone stijl ontleend die mij zoveel aanzien heeft geschonken.'

Misschien is dit het allermooiste: de heidense dichter is de gids door het christelijk hiernamaals. De eerste zang eindigt zo: 'Toen ging hij (Vergilius) op weg en ik volgde hem op zijn schreden.' De tweede zang begint zo: 'De dag ging heen, en de invallende duisternis verloste de levende wezens op aarde van al hun zorgen en inspanningen. En ik, ik maakte me als enige op om de gevaren van de reis en de kwellingen bij het zien van zoveel ellende te trotseren: ervaringen die de herinnering waarheidsgetrouw zal weergeven.' (Vertaling Frans van Dooren.)

Tot het laatste zinsdeel is dat helemaal Vergilius, in wiens Aeneis de nachtrust van natuur en mensen en de onrust van de ene wakende en lijdende nogal eens voorkomen. Dante volgt Vergilius ook als dichter op zijn schreden. Zoals Vergilius dat in de Aeneis met Homeros had gedaan. Meer dan negenduizend verwijzingen naar het Griekse werk heeft een Duitse geleerde in de Aeneis aangetroffen, zoals Piet Schrijvers vermeldt in zijn essay 'Tweeduizend jaar Vergilius'.

Homeros raakt in Vergilius, Vergilius in Dante verweven. Het netwerk dat literatuur heet, wordt zichtbaar. Het zal zich in de eeuwen erna steeds meer vergroten en verfijnen. En de altijd doorgaande nieuwe interpretaties van de Aeneis – wat verscheen er alleen al rond 1981, toen Vergilius' tweeduizendste sterfdag werd herdacht, aan nieuwe interpretaties en daarmee aan nieuwe verbindingen in het netwerk.

Wat een gedicht als de Aeneis heeft voortgebracht, heeft het ook weer in zich opgenomen, zoals met alle grote literaire werken het geval is. Wij kunnen de Aeneis niet meer enkelvoudig lezen. We lezen een hele literatuur mee. De Aeneis bestaat eigenlijk niet meer. En dat blijkt nog duidelijker bij het lezen van vertalingen dan bij lezing van het origineel. Bij de vertalingen worden ook eeuwen dichterlijke tradities en taal zichtbaar of hoorbaar. Ik citeer een vrij willekeurige passage:

De dag liep op zijn eind, toen Jupiter vanuit de wolken

de zeilbevlogen zee en vlakke landen overzag,

de stranden ook, de wijdverspreide volken, en terwijl hij

daar stond op 's hemels toppunt, viel zijn oog op 't Libisch rijk,

en daardoor was hij in een zorgelijk gepeins verzonken,

toen Venus, droefgestemd en met betraande ogenglans,

hem aansprak: (...).

Hier doemen eeuwen dichterlijke taal op, die de Nederlandse poëzie in de loop van de vorige eeuw achter zich liet en die voor ons onvermijdelijk retorisch is geworden. Ik citeer hier voor de aardigheid Vondels berijmde vertaling van dezelfde verzen:

Dus endigde het maal, als vader Jupiter

Op 's hemels tinne stond, en, uit de lucht van verr'

De baren overzag, die ziel en kielen dragen;

Den vlakken aardboôm, strand en kusten, dicht beslagen

Met volken, wijd en zijd alom vaneen gestrooid,

En op het Libys rijk zo stip bleef zien als ooit;

Wien Venus, al bedrukt, met tranen in hare ogen

(...)

Dus aansprak: (...).

De dwang van het rijm lijkt een grotere vrijheid te geven.

Het is onmogelijk de Aeneis – en natuurlijk vele klassieke werken – onbevangen te lezen. Men leest ontzettend veel mee. Het is onmogelijk het epos onbevangen te vertalen. Hoe uitstekend de vertaling ook is – en de zojuist verschenen vertaling van M. d'Hane-Scheltema is in veel opzichten uitstekend – de traditie dringt zich op.

De eerste woorden van het epos zijn bekend: 'Arma virumque cano.' In de nieuwste vertaling wordt dat: 'De heldenstrijd bezing ik van de man' – de taal vermarmert ter plaatse. Piet Schrijvers, die in 1996 een vertaling van de Aeneis publiceerde, ook in verzen, vertaalde de woorden zo: 'Mijn verhaal gaat over oorlog en over een man.'

Dat is wat wijdlopiger, maar de woorden liggen dichter bij ons, en het algemene 'oorlog' lijkt mij beter dan het verbijzonderende 'heldenstrijd'.

De ritmische prozavertaling van M.A. Schwartz (1959) geeft: 'Ik zing van oorlog, ik zing van de man.' De Engelse prozavertaling van W.F. Jackson Knight (1956) begint met de woorden: 'This is a tale of arms and of a man.' Hier is de 'ik' van de dichter verdwenen, en dat lijkt mij niet juist. Het aardige is dat de vertalingen ook tot verschillende interpretaties kunnen leiden.

De Aeneis gaat over de strijd die de aan de verwoesting van Troje ontkomen Aeneas moet voeren om de grondslagen te leggen van het Romeinse rijk en Rome, dat het nieuwe Troje is. De strijd en de inspanningen, te land en op zee, zijn zeer zwaar, mede door de tegenkrachten die de goden blijken. Ze zijn verdeeld. Boven de aardse strijd woedt de hemelse tweedracht, die men kan lezen als beeld van de tweestrijd in het innerlijk van Aeneas of de mens. Tegelijk wil het gedicht tonen hoeveel moeite en lijden voor het bereiken van het goede en grote nodig is.

Het epos heeft ook iets van een leerdicht. Voor de tijdgenoten moet de strijd die ten slotte leidde tot de vestiging van het keizerrijk, zichtbaar zijn geweest: zojuist was Rome opnieuw keizerlijk gesticht! Alsof al dat geoorlog niet genoeg is: in terugblik krijgen we in het tweede en derde boek ook de ondergang van Troje te lezen. Misschien is dat wel het grootste 'offer': een oude stad moest ten onder gaan om een nieuwe te vestigen. Maar daarmee werd ook – de superieure ironie van het gedicht – de overwinning van de Grieken op de Trojanen ongedaan gemaakt. Zoveel vergeefse moeite om iets te vernietigen.

Misschien is voor de moderne lezer het wel erg statische karakter van Aeneas hinderlijk. Hij heet per traditie in het Nederlands 'vroom', in de nieuwe vertaling wordt daar heel gelukkig 'edel' van gemaakt, maar hij is toch vooral onbewogen braaf in zijn plichtsgevoel en het volgen van zijn opdracht. Als hij bijna aan de lezer ontsnapt aan het einde van het twaalfde en laatste boek, ontsteekt hij in het tweegevecht met Turnus, zijn grootste tegenstander, in een bijna gelukkig makende woedende toorn en hij doodt zijn tegenstander. De laatste regels horen tot de huiveringwekkendste van het boek. De dood van Turnus is ook een wraak voor de dood van Aeneas' bondgenoot Pallas, naar wie hij in zijn laatste woorden tot Turnus verwijst:

en met dat woord laat hij het staal diep in zijn vijands borst

verdwijnen, driftig. Kilte maakt diens ledematen slap.

Verbitterd, met een zucht, ontsnapt zijn ziel naar 't rijk der schimmen.

De allerlaatste regel is natuurlijk ook een schitterende versregel. Met de zevenvoetige alexandrijn, die ze ook gebruikte bij haar vertaling van Metamorphosen van Ovidius, kan de vertaalster een prachtig spel met gebondenheid en ongebondenheid spelen. Het metrum dwingt haar vaak tot samenstellingen; die soms tot wat traditionele dichterlijke taal leiden, maar geeft de regels ook een vaak bewonderenswaardige beknoptheid; de lengte van de regels geeft een los ritme alle kansen.

Hoogtepunt in de vertaling is het tweede boek, waar Aeneas aan koningin Dido de ondergang van Troje vertelt. (Natuurlijk zijn de verlatenheid van Dido en haar zelfmoord het hoogtepunt van de Aeneis; ik hoor bij het lezen daarvan overigens steeds de muziek van Purcell in mijn hoofd – niet alleen andere teksten, maar ook muziekstukken laten een tekst niet ongemoeid.)

De allermooiste regels van het gedicht staan vaak in de homerische vergelijkingen. Daar waaien geest en taal uit, weg van de actuele gebeurtenissen naar blijvende beelden, uit de natuur veelal: de onovertroffen Vergilius van het 'boerenbedrijf -gedicht, de Georgica, wordt zichtbaar. Dit voorbeeld komt uit het zesde boek, dat verslag doet van Aeneas' tocht door de onderwereld. We zijn bij de oversteekplaats van Charon:

Naar de oever loopt één lange rij van mensen,

mannen en vrouwen, niet meer levende gestalten van

dappere helden, jongens, ongehuwde meisjes, zoons die

vlak voor hun ouders ogen door de vlammen van de dood

waren verteerd – niet minder dan er na de eerste herfstkou

bladeren van de bomen dwarrelen, of dan er vogels

in zwermen landwaarts vliegen over volle zee, wanneer

het wintertij hen opjaagt en naar warme streken zendt.

Dat is de eeuwige poëzie die alle tijdelijkheid eromheen groot maakt. De vergelijking maakt gelijk. Even. Ze geeft een doorzicht en een vermoeden. En daar is de poëzie toch om begonnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden